Thuis

Voor de leden van het Koninklijk Concertgebouw Orkest was het de afsluiting van een reis langs zeven concertzalen, in dertien dagen tijd. Maar hun chef-dirigent Riccardo Chailly (38) kwam gisteravond in de Scala van Milaan thuis. Voor het eerst leidde hij het orkest “met noorderlingen van boven de Alpen” in zijn geboortestad. De verwende Milanen drukten hem aan hun hart.

De tournee was goed verlopen en 's middags tijdens de repetitie had Chailly de honderd leden van het orkest bedankt voor hun inzet tijdens de snelle reis door Engeland, Frankrijk, Spanje, Oostenrijk en Italie.

“Ik hoop dat de Milanezen vanavond uitdrukking willen geven aan de dank die ik aan het orkest wil overbrengen. Jullie hebben je bijzonder ingespannen”. Chailly had reden voor zijn toespraakje. Eerder in het seizoen was een tournee door Amerika met dissonanten lopen. Maar enkele weken geleden werd zijn contract met een veel grotere instemming van het orkest voor vier jaar verlengd. Bij de repetitie waarschuwde Chailly voor de zaal. “Geluid blijft in de boxen hangen, het klinkt allemaal wat droog. In tegenstelling tot Wenen hoeven jullie je niet zo in te houden. Je mag best wat meer geven. Vooral het koper.” En dat gebeurde.

De opera La Scala (de Trap) werd gebouwd in 1778 op de plaats waar de kerk 'Onze Lieve Vrouan de Trap' stond. Het gebouw, ontworpen door Giuseppe Piermarini werd een aantal keren aangepast. In 1943 vielen er bommen op de Scala. Na de oorlog werd het gebouw grondig gerestaureerd.

Chailly dirigeerde in de Scala toen hij 25 jaar oud was. Op achtjarige leeftijd was hij met piano begonnen, maar hij gaf zijn lessen op toen zijn vader, die componist was, er geen vertrouwen in had en zelfs vond dat zijn zusje veel beter speeldElf jaar oud hoorde hij Zubin Mehta met het orkest van de Italiaanse radio Mahler spelen. Chailly wist wat hij wilde: dirigent worden. Veertien jaar oud leidde hij in Padua de Solisti Veniti met werken van Vivaldi. “De eerste vijf minuten was ik in paniek, maar toen ik begon te merken dat er contact was met het publiek, raakte ik ontspannen.” Na een opleiding in Perugia en Milaan dirigeerde hij in Salzburg, Wenen, Londen en Munchen. In 1988 kwam hij naar Amsterdam. “Italie heeft goede dirigenten, omdat we in het dagelijks leven zoveel stemmen, zoveel muziek horen. Onze oren zijn er op gespitst. Je denkt van ons dat we chaotisch zijn, alleen maar kunnen improviseren. Maar dat is een halve waarheid. Wij Italianen kunnen echt professioneel werken. We hebben grote kunstenaars”, zei hij bij zijn aantreden. Met de vijf korte stukken van Schonberg heeft het Milanese publiek wat moeite. In de pauze mengen een paar leden van het Concertgebouw Orkest zich onder het publiek. “Goh, wat zien de mensen er hier oi uit. Wat hebben ze zich opgedoft”, zegt een violiste. “Een feest om dat te zien. Daar moet je bij ons niet om komen.” De Milanezen verstaan haar compliment niet, maar zouden anders ook niet reageren, want ze hebben het zeer druk met zichzelf. Na de tweede symfonie van Schumann, een langdurig enthousiast applaus. Twee kinderen worden wakker op de roodfluwelen balustrade. Bovenin de galerijen waar veel toeschouwers hun colberts hebben uitgedaan en zich vasuden aan leren lussen als op een overvol trambalkon wordt er geroepen. In het begin klinkt het als boeh, maar de goede verstaander hoort iets tussen bravo en bis in. Chailly heeft het in ieder geval wel begrepen: een toegift met muziek van Schubert, bewerkt door Bruno Maderna. Na afloop verdringen zich tientallen mensen in de nauwe gang naar de dirigentenkamer. Familie, kennissen van school, de tennisleraar en de kruidenier, muzikanten van vroeger en buurtgenoten. “U bent veel telang weggebleven. We willen u vaker horen”. “Ok, ik kom terug. Beloofd!”

Chailly veegt met een zijden sjaal zijn bezwete voorhoofd af en zet zijn handtekening in de programmaboekjes. “Ik heb het jullie vanavond niet zo gemakkelijk gemaakt met Haydn, Schonberg en Schumann.” “Ach,” zegt een wat oudere vrouw die haar bril in het gewoel heeft verloren. “Ach, maestro Ricardo, het geeft niet wat u speelt. U was weer bij ons. Dat is het voornaamste.”