Rechtbank moet Ira-zaak opnieuw beoordelen van hof

's-HERTOGENBOSCH, 4 JUNI. De rechtbank in Roermond moet zich opnieuw buigen over de vraag of de vier verdachten van de IRA-aanslag hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Twee maanden geleden was de rechtbank niet toegekomen aan de beantwoording van die vraag, omdat zij dagvaarding op dat onderdeel nietig verklaarde. Het gerechtshof in Den Bosch heeft gisteren op de eerste dag van de behandeling in hoger beroep de bezwaren van de rechtbank verworpen en de nietigverklaring ongedaan gemaakt.

Op 2 april vernietigde de rechtbank de dagvaarding voor een deel, omdat het misdrijf niet voldoende gespecificeerd was. Een omschrijving moet aan die voorwaarde voldoen, anders kan een verdachte zich niet goed verweren. Het openbaministerie had de vier ervan beschuldigd “in het jaar 1990, in Nederland, te hebben deelgenomen aan een organisatie bekend onder de naam (Provisional) Irish Republican Army (Oglaigh na hEireann), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten moord en-of opzettelijk brandstichten en-of teweegbrengen van ontploffingen.” Tot veler verrassing erkende de rechtbank de bezwaren van de verdediging dat tijd en plaats te vaag waren omschreven en dat niet was aangegeven wat het 'deelnemen'

feitelijk inhield. Het hof had gisteren iets meer dan een uur nodig om die bezwaren terzijde te schuiven. De aanduiding van de organisatie en de misdrijven die zij beoogt, zijn maar voor een uitleg vatbaar, staat in het arrest. Ook de feitelijke inhoud van het begrip 'deelnemen' is volgens het hof zo duidelijk dat de verdachten zeer wel weten waartegen zij zich te verdedigen hebben. Dat tijd en plaats ruim zijn omschreven, doet ar niet aan af; de verdachte blijft het verweten feit herkennen, aldus het hof. Het hof in Den Bosch gaat nu alleen verder met de behandeling in hoger beroep van het eerste deel van de tenlastelegging, de moord op twee Australische toeristen. Daarvan werden in Roermond drie verdachten vrijgesproken, terwijl de vierde tot achttien jaar gevangenis werd veroordeeld. Het hof had ook zelf het gewraakte deel van de tenlastelegging kunnen behandelen, maar omdat de verdachtenen hun verdedigers daar bezwaar tegen hebben, heeft het de zaak moeten terugverwijzen naar Roermond voor een behandeling in eerste aanleg. De vier verdachten, een Ier en drie Noordieren, zullen voorlopig niet aan Duitsland kunnen worden uitgeleverd. Het hof gelastte gisteren de onmiddellijke gevangenneming van drie van de vier verdachten (de vie is in Roermond veroordeeld), die sinds hun vrijspraak in Roermond in uitleveringsdetentie zaten. Staatssecretaris Kosto heeft in april ingestemd met de uitlevering onder de opschortende voorwaarde dat in Nederland eerst alle procedures achter de rug zijn. Volgens de advocaten van de twee verdachten, die zo snel mogelijk naar Duitsland willen om 'hun naam te zuiveren', kan die voorwaarde niet gesteld worden. De Uitleveringswet bepaalt immers dat uitlevering meteen na de beslissing van de minister moet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een fysiekenmogelijkheid. De Roermondse rechtbank heeft vorige maand beslist dat in dit geval het belang van de Nederlandse rechtsorde zo groot is, dat de verdachten voorlopig nog in hechtenis mogen blijven. Daarbij werd het voorbehoud gemaakt dat de detentie niet eindeloos mocht duren.

Bovendien loopt tegen die beslissing nog een cassatieberoep bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal mr. F. Verstraelen had de arrestatie geeist “om een einde te maken aan alle risico's dat de verdachten naar Duitsland vertrekken en we ze no meer terugzien”.