Lonen op het minimum niet fors omlaag

DEN HAAG, 4 JUNI. Het kabinet wijst een forse verlaging van het minimumloon, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), van dend. Toch zijn de meeste ministers voor een aanzienijk lager minimumloon. De discussie daarover wordt verschoven naar de zomermaanden.

De afwijzende reactie waarover het kabinet het in principe vrijdag eens werd, zal op zijn vroegst eind deze week verschijnen. Donderdagochtend formuleert premier Lubbers met de ministers Kok (financien) en De Vries (sociale zaken) de definitieve tekst. De WRR stelde in het rapport 'Een werkend perspectief' voor het minimumlooet 30 procent te verlagen, zij het uitsluitend vanaf de generatie die in 1993 de leeftijd van 21 jaar bereikt. Ten minste tweederde van de minimumloners is echter niet ouder dan 27, zodat de verlaging binnen enkele jaren het gros van de minimumlonen zou treffen.( Op ambtelijk en ministerieel niveau is over het WRR-plan maandenlang getwist. De meest direct betrokken minister, De Vries van Sociale Zaken, toonde zich een fervent tegenstander, maar stond daarmbinnen de ministerraad alleen. Pag. 16: Kabinet eens over lager minimumloon Niet alleen andere CDA-ministers, maar ook de PvdA-ministers zien argumenten voor het WRR-plan. Een lager minimumloon zou laag-gekwalificeerde werklozen, in het bijzonder allochtonen, meer kansen geven op de arbeidsmarkt. Minister Kok (financien en vice-premier) vroeg De Vries uiteindelijk het afwijzende standpunt van het kabinet zo te formuleren dat de deur naar een ander standpunt open blijft. Daarbij is vooral het rapport van de commissie-Stevens over een mogelijke belastingherziening van belang. Dat moet binnen enkele weken verschijnen. Een verlaging van het minimumloon zou dan gepaard moeten gaan met een belastinghervorming. De voorstanders van een verlaging van het minimumloon achten die vooral gewenst om de arbeidskansen van allochtonen te verbeteren. Driekwart van de groei van de beroepsgeschikte bevolking (van 15-65 jaar) zal de komende vijf j waarschijnlijk bestaan uit niet-Nederlanders. Werkzoekenden uit die categorie zijn vaak laag-gekwalificeerd door gebrek aan scholing en werkervaring. Een lager minimumloon maakt hen voor werkgevers aantrekkelijker. De druk op scholings- en werkervaringsprojecten zou daardoor verminderen, hoopt men. In de jaren tachtig heeft minister De Vries als CDA-fractieleider plannen van zijn voorganger minister De Koning (eveneens CDA) om het minimumloon aanzienlijk te verlagen tot drie keer toe getorpedeerd. Hij kan nu dus moeilijk een ander standpunt innemen. Wel heeft hij, in een reactie op het WRR-rapport, voorgesteld om zowel het minimumloon als de minimum-uitkeringen een aantal jaren achtereen met een procent per jaar te korten. Voor een drastische verlaging waarbij de minimum-uitkeringen onaangetast blijven - zoals de WRR voorstelt - voelt de minister niets. Want, vreest De Vries, als het verschil tussen loon en uitkering tot nul daalt zal de animo om te gaan werksterk afnemen. Binnen Sociale Zaken werd zelfs geschat dat het arbeidsaanbod door het WRR-voorstel met 167.000 personen kan dalen, terwijl de WRR juist een stijging beoogt. Ambtenaren van Economische Zaken noemden zo'n ontwikkeling overigens hoogst onwaarschijnlijk.

Daarnaast richtte De Vries zijn pijlen op de 'partner-uitkering'. Niet-verdienende partners van minimumloners krijgen in het WRR-plan een uitkering. Het gezamenlijk inkomen zou daardoor, ondas de forse daling van het minimumloon, gehandhaafd blijven op het - onaangetaste - sociale minimum voor een gezin. De partner-uitkering heeft volgens De Vries als nadeel dat, als de niet-verdienende partner gaat werken, de uitkering navenant daalt. Werken levert dus voor hem-haar weinig of niets op. Iets soortgelijks geldt voor de minimumloner zelf: als die meer gaat verdienen gaat dat onmiddellijk ten koste van de partner-uitkering. Op Sociale Zaken werd bovendien geschat dat het aantal huishoudens dat recht zhebben op een partnertoeslag kan oplopen tot 325.000. Opnieuw zette Economische Zaken bij deze schatting grote vraagtekens.