JUNI '66 - JAN CREMER; Ik hield niet van al dat alternatieve gekeutel

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. De boer Koekkoek won de gemeenteraadsverkiezingen, de minirok leidde tot heftige emoties en op 14 juni ontstond er een klein oproer in Amsterdam dat uiindelijk leidde tot het aftreden van de hoofdcommissaris van politie en de val van burgemeester Van Hall. Wat was de voorgeschiedenis van die gedenkwaardige junimaand van 1966? Als eerste in een serie hierover de supernozem van toen: Jan Cremer.

Amsterdam, 4 JUNI. “Je kunt rustig zeggen dat ik er de veroorzaker van ben dat in de jaren zestig in Nederland alles veranderde.” Jan Cremer (51) zegt het, geheel in stijl, zonder met de ogen te knipperen.

Bescheidenheid mag dan een deugd zijn, eerlijkheid duurt volgens hem het langst. En de waarheid is in zijn ogen dat hij, schilder en schrijver Jan Cremer, de koning der nozems, het duffe Nederland destijds wreed wakker schudde. Als twintigjarige zorgde hij al voor opschudding door een schilderij voor een miljoen gulden te koop aan te bieden. Voor de televisie veinsde hij Rembrandt niet te kennen omdat hij nu eenmaal “geen verstand van sport” heeft. De definitieve, oorverdovende doorbraak kwam in 1964 toen zijn moderne schelmenroman Ik Jan Cremer verscheen, het meest gelezen en verguisde boek waarvan wereldwijd 12 miljoen exemplaren zijn verkocht. Cremer werd zo populair en tegelijkertijd zo gehaat - postbodes bezorgden wekelijks pakjes met maandverband en drollen - dat hij in 1964 tussen Kerstmis en de jaarwisseling het “verschrikkelijk bekrompen” vaderland gedag zei.

“Nederland is een ons kont in een pond broek”, luidde zijn slogan in die dagen. Hij vestigde zich in hotel Chelsea in New York, waar hij in juni 1966 op veilige afstand, met een krat bier naast zich, op het televisienieuws de rellen in Amsterdam zag. “Toen ik naar Amerika vertrok warer in Amsterdam zegge en schrijve negen restaurants en die gingen om negen uur dicht. 's Avonds was het donker. Een uitgaansleven was er niet. Je zat thuis met vrienden stratego te spelen en te kaarten.

Canasta, hartenjagen en klaverjassen, voor geld natuurlijk want waarom zou je anders kaarten. De vrouwen zaten achter in de kamer te praten over handwerken.” Als jonge verslaggever beschreef hij voor het blad Het Toneel “de eerste Happening” in Amsterdam die schrijver Simon Vinkenoog op zondagavond 9 december 1962 organiseerde. “Het Gebeuren”

groeide volgens journalist Cremer uit “tot een kermis; men mag met vlees gooien, action paintings maken met runderbloed en arabische gom, papierslingers en muurdecoraties van de wanden trekken en zelf iets voordragen of bekendmaken op het podium.” Cremer trekt nu nog een grimas als hij aan de manifestatie wordt herinnerd. Hij vond het verschrikkelijk. “Ik voelde me er absoluut niet thuis maar ik moest het netjes opschrijven want anders werd het afgekeurd en ik kreeg er 25 gulden voor. Het ging toen nogal bergafwaarts met me, ik ging de intellectuele kant op. Maar ja, ik zat er wel de hele avond lekker warm.” Jan Cremer had het doorgaans niet zo begrepen op die halve gare intellectuelen met hun ludieke gedrag. Hij was een nozem. “Hardwerkende jongelui die zich op zaterdagavond verzamelden bij het badhuis, 's avonds achter de wijven aangingen en zondags uitslie)pen of met hun motor (Cremers' Zilvermonster, mh) tochtjes maakten. 's Maandags werd er weer gewerkt.” “Provo's waren een slap aftreksel van ons arbeiders, een zielig groepje kabouters. Verwende jongetjes die op kosten van Pa dagenlang agentje gingen pesten. Ik heb nooit iets in die beweging gezien. Ik hou niet van dat alternatieve gekeutel. Provo zou ook nooit wat zijn geworden als de po)litie zo verstandig was geweest die acties gewoon te negeren.” Terwijl Cremer de blits maakte in New York en als hoofdlijfwacht en verloofde van sexbom Jayne Mansfield door Zuid-Amerika trok, hielden zijn leeftijdgenoten zich in Nederland onledig met het uitdelen van krenten. “Ik kwam in die tijd wel eens hier op bezoek bij vrienden. Die droegen dan van die rare kleren en luisterden naar Indiaas gejengel. Het rook er naar wierook en je ging over je nek van de hasjlucht.” Het gebruik van soft drugs was een van die dingen die Cremer verafschuwde. “Begin jaren zestig heb ik tijdens mijeizen door Noord-Afrika wel eens aan een hasjpijp gelurkt, maar in die landen was het gewoon een genotmiddel dat onderdeel uitmaakte van de cultuur. Van hasj raak je dizzy en ik ben al high van mezelf. Daar hoef ik geen oude matrasvulling voor te roken.” “Er is mij een keer bij een bezoek koffie met koek aangeboden. Dat bleek later hasjcake te zijn. Ik heb er de hele boel in puin geslagen. Ik wil helder blijven. Van een aspirientje sla ik al dubbel.” Ook de popmuziek uit die tijdas niet aan Jan Cremer besteed. In Amerika werkte hij een jaar als hoofdredacteur van het muziekblad Hullabaloo. Hij leerde de Stones kennen, ontmoette Bob Dylan en leden van de Velvet Underground als Lou Reed en John Cale.

Slappe hap vond hij het. “Alleen de muziek van enkele wilde gasten als Van Morrison en de Pretty Things vond ik mooi”, zegt Cremer. “Wild Thing”, zingt hij en lacht. Er is nog een “misverstand” dat Cremer uit de wereld wil helpen. Zijn eerste opzienbarende boek zette helemaal niet aatot zedenverwildering, zoals hem wel werd verweten. “Er staat geen onvertogen woord in mijn boek. Ik heb alleen voor het eerst de taal geschreven die in kazernes en fabriekskantines wordt gesproken. Dat was mijn grote verdienste. De dingen worden gewoon bij de naam genoemd en dat kon niet in die tijd.” “In Calvinistisch Nederland naaide men nog via een gat tussen de lakens. Mijn boek schokte omdat er een paar seksuele belevenissen in worden beschreven. Dat was een openbaring.

Mensen ontdekten dat er ook een leven tijdens het leven is. Dat je grenzen kunt overschrijden en dat mannen een spier tussen hun benen hebben die je goed kunt gebruiken.” Jan Cremer vertoeft nog steeds meer in het buitenland dan in Nederland. Al verblijft hij gemiddeld enkele maanden per jaar in Amsterdam, de enige Nederlandse stad waar hij nu zeer over te spreken is. “Dank zij de komst van veel gekleurde mensen leeft Amsterdam echt. Mensen hebbeelfs ananas op hun bord liggen en een schijfje kiwi! Maar deze stad blijft natuurlijk een heerlijk dorp in vergelijking met New York.” Hoewel, op sommige gebieden is men in de hoofdstad volgens hem inmiddels te tolerant geworden. “Je komt hier om in de hondedrollen en niemand die de rommel opruimt. Men moet vaker met de vuist op tafel slaan maar dat durven Nederlanders niet.” “Nu zegt Justitie bijvoorbeeld eindelijk dat mensen die vijftig kilometer te hard rijden potenle moordenaars zijn van wie je de auto verbeurd moet verklaren en dan lees ik in de krant dat dit weer niet mag van de kantonrechters... Ze moeten mij een jaar minister van cultuur maken met de afdelingen Justitie en Binnenlandse zaken erbij. Dan wordt dit een schoon land. Weten de burgers ten minste waar ze aan toe zijn.”