Bruckner is intiem en groots bij Cedache

Concert: Munchener Philharmoniker onder leiding van Sergiu Celibidache. Laatste concert in de serie zes wereldberoemde symfonieorkesten. Programma: Bruckner achtste symfonie. Gehoord: 3-6, Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam.

Nog voor er een noot Bruckner had geklonken werd de bijna tachtigjarige dirigent Sergiu Celibidache gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw toegejuicht: een hommage aan een beroemde man die zijn leven lang juist alle persojke roem uit de weg is gegaan. Hoewel hij in zijn lange leven maar twee keer eerder hier is opgetreden, geen plaatopnamen maakt en vrijwel nooit een interview toestaat is zijn naam ook in Nederland een begrip en wordt er ijverig jacht gemaakt op illegale registraties. Vorig jaar besloot hij plotseling het taboe te doorbreken en vanuit Boekarest via Eurovisie op het beeldscherm te verschijnen, samen met de eveneens publiciteit schuwende pianist ArtBenedetti Michelangeli. Dit optreden gold dan ook niet zijn eigen persoon maar het bevrijde Roemenie, zijn geboorteland. Uitgebreid hebben wij toen op de buis kunnen zien hoe Celibidache dirigeert: hij doet het met zijn ogen, zijn wenkbrauwen, zijn mond, kortom, met elke millimeter van zijn expressieve gezicht.

Vanuit de zaal was gisteren slechts een reusachtige zittende torso te zien en de summiere bewegingen waarmee hij een inzet aangaf of met een tremolo van zijn hand om een nog zachter pJH)nissimo verzocht.

Celibidache maakt van het dirigeren geen show en de maat slaan is al helemaal niet nodig bij zijn eigen orkest, de Munchener Philharmoniker.

Hij onderhoudt een nauwe band met de orkestleden die veel weg heeft van een liefdesrelatie. Dat is dan ook de reden waarom hij weigert plaatopnamen te maken. “Een grammofoonplaat is als een foto van een liefdesscene,” schijnt hij eens gezegd te hebben. Van deze intimiteit mochten wij ruim anderhalf uur lang getuige zijn. Zelden klonk Bruckner op deze plek zo groots en intiem tegelijk. Op monumentale schaal werd hier kamermuziek bedreven en terwijl Bruckners reusachtige architectuur verrees bleef zijn muziek toch steeds mensenwerk. Met brede spanningsbogen, Steve Reich-achtige herhalingen en contrasterende klankblokken verwijst Bruckner naar degeen die boven ons schijnt te tronen, maar in een broze hobosolo of het moeizame beklimmen van een top blijft hij ons heel nabij. Terwijl bij Bruckner vaak de monumentaliteit wordt uitgelicht dooe contrasten scherp te omlijnen werden door Celibidache en zijn orkest subtiele overgangen gemaakt waarbij men al luisterend een motief van elkaar overnam. Alles overheersend was de diepe sonoriteit, een zingende klank in passages waar alle registers werden open getrokken in een driedubbel forte maar ook in het zachtste tremolo van de strijkers. Gezongen werd er en de zinsbouw kreeg een menselijke adem, ook al waren de len soms van reusachtige omvang.

Applaus kan soms storend werken en op het slotakkoord van Bruckners achtste hadden wat mij betreft wel een paar seconden stilte mogen volgen. De onmiddellijk losbarstende bijval liet Celibidache geheel aan het orkest toekomen. Met een buiging het publiek voor de ovatie bedanken is wel het laatste wat deze oude reus zal doen: excentriek gedrag van een van de laatsten uit een generatie van excentrieke en grote persoonlijkheden.