Waaierrijden biedt geen ruimte voor hoffelijkheid

GOES, 3 JUNI. Vroeg in de ochtend zitten een paar wielrenners gebogen over het routeboek. Het is voor coureurs dagelijkse routine. Ze nemen de natuurlijke moeilijkheden van een parcours door: heuvels, bergen, kasseistroken en de aankomststraat. Zaterdagmorgen in Goes wordt een moeilijkheidsfactor doorgenomen die niet op papier staat. De wind. “Daar”, stellen Jelle Nijdam, Jac. Hanegraaf en Wiebren Veenstra vast, “krijgen we de wind schuin in de rug” en ze wijzen op de Stormvloedkering in de Oosterschelde, “daar moet worden aangevallen.” Twee uur na de start van de Ronde van Midden-Zeeland brengt inderdaad dat punt de ommekeer in de wedstrijd, die gewonnen wordt door Veenstra.

Op de persconferentie anderhalve week voor de Ronde van Midden-Zeeland, na de Amstel Gold Race in belangrijkheid de tweede wielerwedstrijd van Nederland, verloochende Hein Verbruggen zijn afkomst. De voorzitter van de Internationale Profwielerfederatie FICP liet weten dat grote wedstrijden in zijn vaderland geen schijn van kans maken op internationaal aanzien, behalve dan wanneer ze in Limburg worden verreden waar de jeugdpuistjes van de aardkorst de illusie wekken dat er klimkwaliteiten nodig zijn om te kunnen winnen.

“In Nederland zijn de parcoursen vlak, waardoor er te weinig garantie op spanning is”, betoogde Verbruggen. Met de eivolle wedstrijdkalender, bol van overzeese fratsen die de mondialisering van de sport moeten bewerkstelligen, is hij er bij gebaat dat ingesleten vooroordeel te polijsten tot een constante. Zijn ongelijk werd zaterdag echter bewezen. Zodra er een zuchtje wind staat eist het fietsen op smalle polderwegen en over zeedijken ook een speciale vaardigheid. Een waarin vooral Nederlanders uitblinken: waaierrijden.

Op het punt dat de typische produkten van de Hollandse wielerschool 's morgens al hadden vastgesteld, werd het sein tot aanval gegeven. Vlak voor het oprijden van het waterbouwkundige meesterwerk, dat in een laag tempo en soms ploeterend tegen de wind is bereikt, breekt het peloton in twee stukken om vervolgens door de specialisten nogmaals uiteen te worden gespleten in vier waaiervormige groepen. Er wordt dan 'in formatie' gereden, waarbij de eerste renner steeds met zijn neus in de wind zit en de anderen zich schuin achter hem in de luwte schuil houden. Door voortdurend af te wisselen wordt de krachtsinspanning van het in de wind rijden gelijkelijk over alle renners in een waaier verdeeld. De breedte van de weg is bepalend voor het aantal renners in de waaier en het is een gedrang om zich als laatste aan te sluiten.

Wie niet in de formatie past komt “op de kant” en “in de wind” te zitten.

Het vormen van waaiers is een fascinerend gevecht, evenals de strijd van elkaar achtervolgende waaiers. Nederlanders en Belgen, die in hun amateurperiode vertrouwd zijn geraakt met die techniek, zijn er grootmeesters in. In zuidelijke landen, waar meer natuurlijke hindernissen in parcoursen kunnen worden opgenomen, is de noodzaak voor dat zenuwslopende dringen nauwelijks aanwezig. De enkele Italiaan die zaterdag probeerde een plaatsje in de eerste waaier te veroveren kwam vloekend en tierend tot ontdekking dat in deze vorm van wielrennen geen plaats is voor hoffelijkheid.

Zowel nationaal als internationaal is er weinig waardering voor de waaier. Verbruggen deelt in die algemene minachting met zijn opvatting dat vlakke Nederlandse wedstrijden zich niet lenen om op te stomen in de rangschikking van wedstrijden, die zijn ingedeeld in derde, tweede, eerste en buiten categorie.

Onbegrijpelijk vindt Gerrie van Gerwen, ex-profrenner en lid van de sectie beroepsrennen van de KNWU, dat standpunt. “Bij de start van een Alpenrit in de Tour de France zijn er hooguit tien renners die kunnen winnen, in een Nederlandse wedstrijd zijn er wel honderd die denken dat ze een kans hebben. Dat kan eigenlijk alleen maar tot een boeiender verloop leiden. Je zou eens aan een tennisser moeten vragen hoe het is om zes uur lang onafgebroken geconcentreerd op de baan te staan. In een Nederlandse wielerwedstrijd wordt dat wel van een renner verlangd, want elk moment kan er een ontsnapping zijn die het sein betekent voor de vorming van waaiers, waarin je ook weer voortdurend oplettend moet zijn.”

Mogelijk ligt aan die onderwaardering het geringe aantal grote(re) eendaagse wedstrijden in Nederland ten grondslag. Naast de voor de wereldbeker meetellende Amstel Gold Race zijn er in ons land nog vijf: de Grote Prijs Wielerrevue, de Ronde van Midden-Zeeland, Forbo Tour (Noord-Holland), Veenendaal-Veenendaal en de GP de la Liberation in Eindhoven (een ploegentijdrit).

In het streven naar meer aanzien moet een wedstrijd als Midden-Zeeland ploegen met grote namen contracteren. Hoe valabel dat streven ook is, feit blijft dat met renners als Moreno Argentin en Claude Criquielion die in de Waalse klassiekers zo'n dominante rol speelden, de wedstrijd wordt opgetuigd met deelnemers die geen constructieve bijdrage kunnen (of willen) leveren aan het koersverloop. Nederlands tweede wielerwedstrijd zag de 200.000 gulden startgeld voor bijna alle beschikbare belangrijke profformaties als een diepte-investering. De organisatie kocht daarmee voor 13.800 FICP punten aan renners in, bijna vierduizend punten meer dan nodig om in een hogere klasse terecht te komen. Die - eventuele - promotie betekent weer dat er in de toekomst meer punten te verdienen zullen zijn en er mogelijk nog meer strijd geleverd zal worden.

Status is in de moderne wielersport dus kennelijk een beetje te koop. Maar een winnaar van naam niet. De organisatoren van de grotere wedstrijden lijden zonder uitzondering aan anti-chauvinisme. Herman Krott, de man achter de Amstel Gold Race, was ronduit teleurgesteld toen dit voorjaar Frans Maassen en niet een befaamde buitenlander zijn wedstrijd won en in Goes stelde organisator Piet Louwerse vast dat in de uiteindelijke kopgroep van zeven renners alleen Nederlanders en Belgen figureerden. Zelfs de hoop dat wereldkampioen Rudy Dhaenens na een anoniem voorseizoen een rol van betekenis zou kunnen spelen, werd de grond in geboord toen hij op een van de vele smalle dijkjes in de slotfase “uit de waaier” werd gereden.

De echte specialisten bleven over. De regie van de slotfase was in handen van Gerrit Solleveld, tweevoudig winnaar van deze wedstrijd.

Hij hield het tempo hoog om de beste sprinter van zijn Buckler-formatie - Wiebren Veenstra, die Midden-Zeeland in 1987 bij de amateurs op zijn naam schreef - in ideale positie naar de eindstreep te dirigeren. Peter Pieters (winnaar van de wedstrijd in 1988) was in gezelschap van zijn ploeggenoot Ronny van Holen de grootste concurrent. Veenstra won de sprint voor Pieters en de talentvolle Belg Neskens.