Premier en minister

BROEDERLIJK ZATEN premier Lubbers en minister Van den Broek van buitenlandse zaken zaterdag bij de CDA-partijraad naast elkaar.

Er was zelfs sprake van enig verbaal contact. Spraken zij over Suriname? Het moet haast wel, want de minister van buitenlandse zaken had immers kort daarvoor via de radio laten weten met de minister-president te willen “bijpraten” over Suriname. Iets wat hem tot dan toe niet was gelukt, maar desondanks voor Van den Broek geen belemmering vormde voor dezelfde radiomicrofoon uit te spreken dat ingrijpen in Suriname als laatste mogelijkheid niet moest worden uitgesloten, terwijl premier Lubbers daar de avond ervoor op de televisie weer een veel genuanceerder verhaal over had gehouden. Eens zijn Van den Broek en Lubbers het in elk geval niet geworden, want even later maakte de premier ten overstaan van de Partijraad nog eens zijn weerzin kenbaar tegen een militaire interventie in Suriname: wapens van buitenaf zouden een “valse start” zijn van het democratiseringsproces in Suriname.

Strikt genomen hoeven de opvattingen van Lubbers en Van den Broek niet eens zo ver uiteen te liggen. Want waar Van den Broek het heeft over het nooit kunnen uitsluiten van een militair ingrijpen, heeft Lubbers het over een “bijzondere situatie” die kan ontstaan waardoor militaire machtsmiddelen kunnen worden ingezet. Toch laat Van den Broek voor de radio weten “verrast” te zijn door de uitlatingen van de premier en doet Lubbers op zijn beurt geen poging om in zijn toespraak de zaak te sussen.

IN WEZEN gaat het ook niet om Suriname. Aan de orde is de competentiestrijd tussen de minister van buitenlandse zaken en de premier over het buitenlandse beleid. Van den Broek weet nog steeds de indruk te wekken elk woord dat de premier aan het buitenland wijdt er een te veel te vinden. Getuige de gepikeerdheid van Van den Broek, moet elke opmerking van de premier over het buitenland eerst zijn goedkeuringsstempel dragen.

Het gevolg is dat een niet onbelangrijk onderwerp als de verhouding tussen Nederland en Suriname ondergeschikt lijkt te worden gemaakt aan de strijd tussen Lubbers en Van den Broek. Vandaar dat het goed is dat de Tweede Kamer reeds morgen opheldering wil. Het zou passend zijn als de Tweede Kamer zich dan niet beperkt tot de vraag wat de Nederlandse regering met Suriname wil, maar vooral ook de vraag aan de orde stelt wat de premier en de minister van buitenlandse zaken nog met elkaar willen. Een maand voordat Nederland EG-voorzitter wordt mag daar eindelijk wel eens klaarheid over komen.