'Onjuist oordeel in Ira-proces'

DEN BOSCH, 3 JUNI. De Roermondse rechtbank heeft 'volstrekt onjuist' geoordeeld toen zij een deel van de dagvaarding tegen de vier verdachten van de IRA-aanslag nietig verklaarde. De tenlastelegging van deelneming aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft (art. 140 van het Wetboek van Strafrecht), was door de Roermondse officier van justitie voldoende feitelijk omschreven.

Dat stelde vanmorgen de advocaat-generaal bij het gerechtshof in Den Bosch mr. A. Verstraelen aan het begin van de behandeling in hoger beroep van de zaak tegen de vier Ierse verdachten van de aanslag op 27 mei vorig jaar in Roermond. De vier werden niet vervolgd voor het lidmaatschap van de IRA, omdat de rechtbank de tenlastelegging op dat onderdeel te vaag omschreven achtte, zodat de verdachten zich onvoldoende konden verweren.

Het hof begon met de behandeling van de vraag of de deelneming en de misdadige organisatie correct omschreven is, omdat het antwoord verregaande consequenties kan hebben voor het verdere verloop van de zaak. Als het hof de tenlastelegging geldig verklaart, moet de behandeling alsnog plaatsvinden. Dat kan door het hof gebeuren, maar waarschijnlijker is dat de zaak voordat onderdeel wordt terugverwezen naar de Roermondse rechtbank. De verdediging heeft al laten weten dat zij de terugverwijzing naar Roermond zal vragen.

Pag. 3:

Proces duurt twee weken

Het Hof in Den Bosch heeft in beginsel twee weken uitgetrokken voor de behandeling van het hoger beroep. Er wordt echter rekening mee gehouden dat het proces nog een week langer zal duren. Rond het gerechtsgebouw zijn met het oog op de veiligheid dranghekken geplaatst, een straat er achter is afgesloten voor alle verkeer. De zittingzaal is voorzien van kogelvrij glas.

Drie van de vier verdachten, Paul H., Sean H. en Donna M., zijn op 2 april door de rechtbank in Roermond vrijgesproken van het primair te laste gelegde, de moord op twee Australische toeristen op 27 mei vorig jaar in Roermond. Het Openbaar Ministerie is zowel tegen de vrijspraak als tegen de nietigverklaring van het tweede onderdeel in beroep gegaan.

De vierde verdachte, Gerard H. werd voor zijn aandeel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar. Zijn advocaat, mr. M.J. Hegeman, is tegen dat vonnis in beroep gegaan omdat zij de getuigeverklarng van een Roermonds echtpaar, dat H. vlak na de aanslag zegt te hebben herkend, in twijfel trekt. Tegen alle vier verdachten was eerder dit jaar door de Roermondse officier van justitie een gevangenisstraf geeist van 20 jaar. Hij achtte de betrokkenheid bij de moord en het lidmaatschap van de verboden organisatie IRA wel bewezen.