Of huidige omroepen moeten blijven is niet interessant; Het gaat niet om de zuilen

Men kan zich nu al bijna niet meer voorstellen, dat men nog geen halve eeuw geleden nauwelijks wist wat men aan moest met dat nieuwe verschijnsel omroep, toen nog radio.

Bepaalde stromingen in de samenleving, vooral geestelijke en politieke, ontdekteneen nieuwe mogelijkheid om hun ideeen en boodschappen bij andersdenkenden het huis binnen te krijgen en om op eenvoudige wijze een binding tussen gelijkgestemden tot stand te brengen. De overheid wist niet goed wat ermee te doen. Was hier een nieuwe vorm (van vrijheid) van meningsuiting ontstaan? Had de overheid de plicht regelend op te treden? Dat laatste gebeurde later pas, toen de overheid wel moest, omdat er een tekort ontstond aan golflengten en er intenationaal iets moest worden geregeld.

Die regelingen werden aangehangen aan de toen bestaande Telegraaf- en Telefoonwet. Dat omroep - later dus ook televisie - een geheel eigen benadering vereiste en een toegesneden wetgeving, werd pas in de jaren zestig erkend. De eerste Echte omroepwet kwam in 1965 tot stand. Toen werd voor het eerst vastgelegd, wat de omroep moest zijn: een activiteit voor groepen op een zodanige wijze, dat gesproken kon worden an het dienen van het algemeen belang. De emancipatie van bijvoorbeeld de katholieken, waaraan de omroep veel had bijgedragen, was al wel voltooid. Daarvoor hoefde de omroep niet meer te dienen.

Intussen had men andere waarden ontdekt. Hier was een nieuwe en goed werkende mogelijkheid ontstaan om mensen en instellingen over elkaar te informeren. Zo kon een echte discussie tot stand komen, niet meer op grond van veronderstellingen, maar met kennis van en over lkaar. De idealisten zagen weidse perspectieven voor de opbouw van een evenwichtige samenleving, kansen voor een echte democratie in de precieze zin van het woord.

Begrijpelijk, dat tal van organisaties die zich bezighielden met verspreiding van cultuur, versterking van politiek bewustzijn en omroepen van godsdienstige inspiratie, probeerden een omroep te winnen voor hun idealen en te interesseren voor hun activiteiten.

Al snel erkenden politiek, vakbeweging en maatschappelijke organisaties dat de omrop een onmisbare schakel was geworden tussen mensen, om te communiceren en om te zoeken naar de contouren van een nieuwe wereld. In de verdere ontwikkeling van de meeste omroepen hebben zij in de loop der jaren intensief meegewerkt en er menige bestuurder voor geleverd. Intussen werd ook duidelijk, dat radio en televisie de plaats gingen innemen, die vroeger was voorbehouden aan het dorpsplein, het congres, het bezinningsweekend, de samenzang, het amateurtoneel enzovoorts. Bij belangrijke gebeurtenissen en ook voor verkiezingsuitslagen gingen de mensen niet meer de straat op, maar zaten ze aan de televisie of de radio gekluisterd.

Bij de ontwikkeling van uitvindingen kijken mensen meestal wantrouwend toe. Ook bij de omroep. Want alles kun je goed en slecht gebruiken.

Wat te doen, als radio en televisie zich zouden bepalen tot plat vermaak en zich van de ontwikkeling van een hecht gemenschapsleven en -denken niets meer zouden aantrekken?

Zo'n ontwikkeling kon worden voorkomen, als de omroepen zouden worden verplicht te voldoen aan bepaalde criteria. Zij zouden, zoals in de toelichting op de eerste Omroepwet staat “op een zodanige wijze moeten voorzien in de geestelijke, culturele en maatschappelijke behoeften van de gemeenschap, dat men dit werk kan achten van algemeen belang te zijn.” En hier ontstaat eigenlijk voor het eerst een omschrijving van wat men nu publieke omroep noemt. En tevens kan de overheid hier een grnd vinden om zich met de ontwikkeling van het medium bezig te houden. Minister d'Ancona herhaalt in haar Pinksternotitie dit uitgangspunt ook, al voegt zij toch ook het in praktijk nog steeds bestaande tekort aan golflengten eraan toe.

In het geheel van de discussie, die nu al jaren om de media woedt, is het van belang vast te stellen, dat dit uitgangspunt voor een publieke omroep niet tot doel heeft een of meer van de nu bestaande omroepen in het zadel te houden. Wie nu weer ankomt met veronderstellingen dat de achterhaalde zuilen kennelijk weer moeten worden gered, is zelf achterhaald. Erger is, dat de draad van de discussie wordt losgelaten en men over iets anders spreekt dan over de publieke omroep. Wij moeten blijven doorpraten over de vraag, of we een publieke omroep werkelijk willen en of we daaronder blijven verstaan het functioneren van organisaties die op legale wijze uit de samenleving voortkomen en die voorJH)noemde maatschappelijke en democratische taken ook willen vervullen.

Het is begrijpelijk, dat een medium dat zo veel mensen op eenvoudige wijze vrijwel dag en nacht kan bereiken, een aantrekkelijke mogelijkheid biedt voor het maken van reclame. Daarover is lang gediscussieerd, omdat destijds maar een verschijningsvorm van reclame in de omroep bekend was: de commerciele televisie in de Verenigde Staten.

Vermenging van reclame en programma leidt onherroepelijk tot verarming van het programma-aanbod of anders gezegdhet beperken van het programma-aanbod tot wat heel veel mensen trekt. Veel mensen is veel reclame is veel geld in het laatje. In 1963 staakte het radio-netwerk van de NBC in de VS het uitzenden van concerten van het New York Philharmonic Orchestra. Toen ik de betrokken directeur daar vroeg waarom, zei hij: “It was not economicaly sound”. Er kwam geen noot klassieke muziek meer over die zenders.

Om dat soort narigheid te voorkomen, hebben wij in Nederland de STER-constructie uitgevnden. Reclame en programma hebben niets met elkaar te maken en kunnen elkaar niet benvloeden. De inkomsten van de omroep komen voor het grootste deel uit omroepbijdragen om die onafhankelijkheid van de STER te accentueren. Blijft uiteraard wel de vraag, in welke situatie men terecht komt, als de STER-opbrengst minder wordt. De keus is even duidelijk als moeilijk: programmapeil verlagen of de inkomsten verhogen. Minster d'Ancona kiest voor het laatste. Ze heeft daar een leuke uitvinding voor gedaan: laat de leden van de omroepen maar meer gaan betalen, bijvoorbeeld vijfentwintig gulden per jaar meer. Zou het departement de minister nu echt niet hebben gewezen op de gevolgen? Want dan gaat de situatie ontstaan dat omroepen met veel leden hun taak beter kunnen uitvoeren dan omroepen met minder leden. En hoe de VPRO en de EO het dan moeten rooien is helemaal de vraag. Maar verhoging van de omroepbijdrage schijnt een spookbeeld voor Den Haag te zijn. Men verwerpt die daar met evenveel gemak als men de duurdere postzegel en de duurdere openbaar-vervoerkaart aanvaardt.

Hoe zeer commerciele televisie ook in strijd is met culturele uitgangspunten, hoe verwerpelijk politici die ook vinden, die is er toch gekomen. Als je vraagt waarom, is het antwoord vaak: dat is toch niet tegen te houden. Een voor ons allemaal bedreigend argument. Pas het maar eens toe op andere sectoren in de samenleving en de rillingen lopen ovr je rug. Heeft men dat dan niet zien aankomen? Jazeker, maar er kwam ook een nieuw Europa aan en daar werd omroep beschouwd als een dienstverlening. Die valt dan weer onder de werking van het EEG-verdrag. Daarom mag de overheid deze activiteit niet beletten.

Tal van organisaties en ook de omroep hebben al jaren geleden de politiek gewezen op de gevaren die toen in zicht kwamen. De Franse minister van cultuur, Lang, heeft ooit een een poging gewaagd omroep te bestempelen als een louter culturele bezigheid, die niet mag en kan vallen onder de werking van het EEG-verdrag. Hij heeft geprobeerd te komen tot een Europese cultuurgemeenschap om de omroep en nog een aantal ander heel belangrijke culturele zaken die onder het Europese stof dreigen onder te waaien, te kunnen behouden en ontwikkelen. In Nederland is de regering keer op keer gewezen op dit perspectief. Maar de kleintjes van de Benelux konden het al niet eens worden, omdat Luxemburg vrijwel geheel leeft uit de opbrengst van commerciele televisie en de Italianen hadden hun omroep al uitverkocht aan de commercie. Toen ze daar later spijt van kregen, was het natuurlijk te laat.

Gezien het voorgaande en ook gezien de commerciele televisie in Nederland, is het de vraag of men zich bij de ontwikkeling wil neerleggen. Dat zou betekenen het op termijn geheel verdwijnen van de publieke omroep. Als men kijkt naar ervaringen in het buitenland, is de schatting van 10 jaar niet onterecht. Eest gaat de publieke omroep steeds meer concurreren met commerciele, hij gaat er zelfs op lijken en tenslotte is er geen politicus meer te vinden, die nog een cent over heeft voor zo'n duur apparaat naast hetzelfde programma 'voor niks'. Daar hoeven we helemaal niet meewarig over te doen. Dat is nu eenmaal de ijzersterke wet van het marktmechanisme. En we hebben het zelf allemaal zo laten gebeuren, dus niet getreurd.

Plannen voor 'concurrerende programma's, betere coordinatie, hechte samenwerking van zeldgemachtigden (die nu juist mogen bestaan omdat ze van elkaar (moeten) verschillen' leiden eerder tot afbraak van het omroep-maatschappelijk stelsel dan tot versterking. Niet nu meteen, maar wel straks. Als grote goeroe wordt het organisatiebureau McKinsey opgevoerd, waarvan men weet, dat het redeneert uit economisch gezichtspunten. En de voorgestelde maatregelen leiden dan ook tot een commercieel gezicht van de omroep op den duur. Ook heeft McKinsey gewezen op de noodzaak voor kwaliteitsverbetering. Daarover hoort men verder weinig, want dat kost geld en mankracht. Vooral dat laatste. En dus moeten er nu vijfhonderd mensen weg en alles moet ook goedkoper.

Om de verwarring helemaal compleet te maken is het uit de politiek bekende Zwarte Pietenspel weer in gang gezet. Den Haag roept dat Hilversum alleen nikserigheid produceert, Hilversum verwijt Den Haag daadkracht en zo verder. Wie weet nog, waar het eigenlijk over gaat?

Wilden we niet een goede, dienstbare, kwalitatief hoogstaande publieke omroep houden of krijgen? Als dat zo is zijn enige maatregelen onontkoombaar.

In de eerste plaats moeten omroepen worden gedwongen ook in werkelijkheid de representant te zijn van de groepen, die ze vertegenwoordigen. Niet interessant voor een heldere discussie is, of de huidige omroepen zullen of moeten blijven. Wel interessant is te zoeken naar middelen om die representatie te meten, ook bij de nu opererende omroepen.

Binnen de omroepen zal meer dan ooit moeten worden gewerkt aan een eigentijdse vormgeving van de idealen die men wil uitdragen. Dat zit niet alleen in nieuws- en achtergrondrubrieken, maar zeker ook in programma's, waarin opvattingen over goed of slecht, hoop en liefde, mooi en lelijk, vreugde en verdriet aan de orde komen. En dat is bijvoorbeeld in ontspanningsprogramma's en drama het geval. De katholieken van Nederland hebben geen KRO nodig voor het uitzenden van een mis, maar wel voor vormgeving van de nieuwe gestalten van gelovig bezig zijn met je medemens en de wereld, inclusief de problemen van alledag, van geboorte tot sterven. En zo is zo'n omroep dan ook van groot belang voor de gehele samenleving.

Als we dat allemaal willen, betekent dat ook, dat we de mogelijkheden ervoor moeten scheppen. Spiegelen we ons aan wat wel eens de Alma Mater van de omroep wordt genoemd, de BBC, dan moeten we niet vijfhonderd man ontslaan, maar er tweeduizend bij nemen en moeten de inkomsten enkele honderden miljoenen hoger worden. Dan kun je van de publieke omroep kwaliteit gaan verlangen. Dan kan ook hier eindelijk eens de mogelijkheid worden geschapen om nieuw talent te zoeken en te stuwen.

Minder kan natuurlijk ook, maar dan niet meer praten over die mooie BBC.

Het mag verbazing wekken, dat de toch eigenlijk niet zo moeilijke problematiek, door allerlei gekruimel zo wordt vertroebeld.

Merkwaardig is ook, dat de omroepen, die een grote historie achter zich hebben en die nu de afgang van de publieke omroep binnen tien jaar voor zich zien, zo kalm blijven, althans voor de buitenwereld.

Misschien is het oproepen van die miljoenen leden (die dat echt niet alleen maar zijn om het omroepblad) voor een daverende protestbijeenkomst in de Jaarbeurshallen in Utrecht wat rigoreus. Maar een grote campagne om leden en niet-leden de eenvoudige aftelsom van 4 - 4= 0 uit te leggen, zou niet misplaatst zijn.

Trouwens: men heeft zelf de beste communicatiemiddelen ter beschikking om het publiek te vertellen, wat er gaande is en wat de duvel en zijn oude moeder allemaal uithalen met een voor onze samenleving zo kostbaar instrument.