Luchtig boek over populatie 'wilde' Amsterdamse dieren; Haringen, garnalen, horsmakreel en zalm achter het station

AMSTERDAM, 3 JUNI. Iedere zondag reden ze naar de afvalverwerking achter het Amsterdamse Centraal Station. Tot aan hun liezen stonden ze dan in de vieze prut en plozen de zeven uit. Hun vangst was uitermate gevarieerd: condooms, injectienaalden, zeenaalden. En om die laatste categorie ging het nu net. Een zoutwatervis die met het IJ-water, door de fabriek gebruikt als koelwater, in de installatie terecht kwam.

Het bleef niet bij de zeenaalden. Achter het station vonden ze haringen, garnalen, horsmakreel en zalm. In een brak slootje voor het Amstelstation redden ze maar liefst 323 salamanders van een wisse dood aan de voet van een stel heipalen. Onder een landingsbaan op Schiphol ontdekten ze een vossehol. En in Amsterdam-Oost grepen ze ringslangen.

Daar waren hun vriendinnen overigens niet zo blij mee, omdat ze nog dagen daarna naar ringslang stonken.

Martin Melchers en Geert Timmermans zijn al vanaf jonge leeftijd bezeten door de natuur. De afgelopen jaren stoorden ze zich er danig aan dat Amsterdam op natuurkaarten altijdzo'n witte vlek bleef. Alsof het een soort niemandsland betrof waar geen enkel dier meer leefde.

Toen ze in 1985 een doodgereden boommarter bij de RAI vonden, was de maat vol. Niemand heeft ooit begrepen hoe het dier daar terecht kwam, maar voor Timmermans en Melchers stond het nu onomstotelijk vast dat er zich wel degelijk dieren in de hoofdstad ophielden. In 1987 besloten ze definitief Amsterdam in kaart te brengen en op 19 juni verschijnt hun boekje 'Haring in 't IJ'. Stadsuitgeverij Amsterdam geeft het luchtige boekwerk uit, dat naast populatiecijfers ook recepten bevat. “Want van die brasem hebben we er toch genoeg.”

Het onderzoek is niet altijd even vlot verlopen. De universiteit bij voorbeeld keek eerst de kat uit de boom. “Die mensen dachten: ,Daar heb je weer van die pupeltjes.' Maar tegenwoordig bellen ze ons op omdat wij het wel weten”, lacht Melchers. Beroepsvissers, die de amateurs met argusogen bekeken, onden het ook niet nodig om de onderzoekers te helpen. De introductie van het 'babbelwater' - een halve fles jenever - verrichtte evenwel wonderen.

Timmermans en Melchers, in het dagelijks leven respectievelijk landschapsarchitect en fysiotherapeut, hebben zich beperkt tot vijf diersoorten: kreeftachtigen, vissen, amfibieen, reptielen en zoogdieren. Ze zochten en vonden de dieren op de meest vreemdsoortige plaasen. In het wereldje van de Amsterdamse grachtengordel blijken zich ook krabben en kreeften op te houden, boven de hoofdjes van spelende kinderen in het Vondelpark hangen dwergvleermuizen en op de gifstortplaatsen Diemenzeedijk en Vogelmeerpolder bevinden zich naast dioxine ook bunzings, hermelijnen en wezels.

Veel van die woonoorden zijn logisch. Op de gifstortplaatsen waagt zich geen mens, er heerst slechts stilte. Met het openen van de sluizen bij IJmuiden stroomt nog altijd een onderlaag van zout water het IJ binnen, dat zich als een lange tong tot achter het Centraal Station uitstrekt. Reigers zijn altijd in de buurt van Artis blijven hangen, waar ze in moeilijke tijden een visje bij de pinguns meepikten. In het Vondelpark bivakkeert al jaren een zwerm verwilderde parkieten, ontsnapt uit de woningen van Amsterdam-Zuid. Maar minder duidelijk is wat die paar vossen willen, die soms tussen drie en vijf uur 's nachts het Westerpark naderen.

Sommige dieren hebben de onderzoekers slechts eenmaal gezien of gehoord. Zoals een havikennest in het centrum van Amsterdam en een grootoorvleermuis in Waterland, die met speciale bat-koptelefoons werd opgespoord. Toch hebben ze deze vondsten in hun boekje vermeld. Gezien is nu eenmaal gezien.

Timmermans en Melchers zijn ervan overtuigd dat de rand van de stad geschikter voor dieren is dan de polder. Martin Melchers: “Riolering, overbemesting en opgespoten gif hebben het platteland vervuild. In de stad is de grootste vijand van de dieren bekend; verstedelijking. De stadsvernieuwing betekent een enorme klap voor veel vleermuizen. Denk maar aan al die spouwmuren die vanwege de isolatie worden dichtgespoten.”

Vervuiling valt niet altijd slecht uit. Het aantal fosfaten, dat de afgelopen jaren in de Amsterdamse grachten schrikbarend toenam, zorgde voor een stijging van de kleine visjes, die zich aan de overblijfselen van de wasmiddelen tegoed deden. De futen, op hun beurt weer dol op kleine visjes, ontdekten in de grachten zo een mini-paradijs.

Datzelfde geldt voor de meerkoeten en waterhoentjes die sinds enkele jaren in toenemende mate in de Amsterdamse binnenstad rondzwemmen.

Toch laat een effectief milieu-beleid te lang op zich wachten. “Natuur blijft borrelpraat”, meent Geert Timmermans. “Ze praten en praten en ondertussen voorzien ze het Amsterdam-Rijnkanaal van een stalen wand. Dieren die in het kanaal vallen, komen er niet meer levend uit.”

Als laatste verhaalt hij nog van de lotgevallen van de Amsterdamse mol. Die werd eerst uit het Vondelpark verdreven en houdt zich nu in het Rembrandtspark op. Een terugkeer naar de oude stek is onmogelijk, omdat rijbanen en huizen de doorgang versperren. Of, om met het boekje te spreken: Een blinde mol werd ziende,- kreeg eindelijk wat hij verdiende,- de ontdekking van een zeer groot hol,- zou hij bestaan, de reuze-mol?- Hier was iemand hem voorgeweest,- daar kwam de metro aangeraced.