Lubbers en v.d. Broek niet ver uit elkaar over Suriname

DEN HAAG, 3 JUNI. Wanneer ervaren politici als premier Lubbers en minister Van den Broek uitspraken doen waarvan ze weten dat de ander die niet zal accepteren, is er meer aan de hand dan slechts een verschil van opvatting. Dan is er sprake van irritatie. Elke politicus van enig niveau weet dat het zeer riskant is om af te gaan op halve citaten in de media. Reageert hij toch dan doet hij dat omdat hij zijn ergernis niet meer voor zich kan houden of omdat hij bewust een conflict wil.

Dat geldt nog sterker als blijkt dat de standpunten minder ver uit elkaar liggen dan naar buiten toe lijkt. Van den Broek heeft weliswaar gezegd, dat hij “niet bij voorbaat” een militair ingrijpen in Suriname uitsluit. Maar hij heeft dat met allerlei mitsen omgeven: Bouterse moet opnieuw ingrijpen en een democratisch tot stand gekomen regering moet om een Nederlands ingrijpen vragen. Anderzijds heeft Lubbers een militair ingrijpen niet volledig uitgesloten, zoals afgelopen vrijdagavond bleek in zijn wekelijkse gesprek op de televisie.

Dat laatste zat verpakt in Lubberiaanse zinswendingen, waar men achteraf wel vaker op moet studeren om de betekenis te doorgronden.

Nadat hij in het gesprek bij herhaling 'nee' had gezegd tegen militair ingrijpen van Nederlandse zijde, constateerde de vraagsteller, dat Nederland natuurlijk wel een verantwoordelijkheid heeft in Suriname.

Lubbers daarop: “Indien daar een wettige regering bijvoorbeeld de Grondwet wijzigt, komt er een verbetering ten goede in het land en is er dan - wie dan ook - een leger of wat dan ook, dat machtsmiddelen tegen die democratie in, in gaat zetten, ja, dan kan er, op verzoek, een bijzondere situatie ontstaan. Dat hebben we meer in de wereld gezien. Maar we moeten goed weten waar we het over hebben.”

In een “bijzondere situatie” eventueel wel dus. Dat wijkt materieel weinig af van wat Van den Broek de hele tijd zegt. Het verschil zit in de taxatie op welk moment je zoiets naar voren moet brengen en ook, op welke toon. Lubbers zegt heel zacht en in wolken verpakt wat Van den Broek vertaalt in “niet bij voorbaat uitsluiten”. De minister-president wil “investeren in vertrouwen” in de Surinaamse politici, zei hij zaterdag in Utrecht. Als die politici nog geen kans hebben gehad hun zaken te regelen, bijvoorbeeld met een poging om Bouterse via een grondwetswijziging voor eeuwig naar de Memre Boekoe kazerne te verwijzen, moet je niet al van buitenaf met militair ingrijpen dreigen.

Van den Broeks analyse is een andere: hij hoopt met dreiggedrag legerleider Bouterse van eventuele nieuwe avonturen af te houden. In een reactie dit weekeinde op de uitspraken van Lubbers zei Van den Broek dan ook het niet verstandig (van Lubbers) te vinden “om nu de indruk te wekken alsof we het licht voor meneer Bouterse maar vast op groen zetten”.

Daarmee geraakt de dicussie in een soort duivelse kring: Lubbers gebruikt eerst (nog voor de Surinaamse verkiezingen) het begrip “surrealistische scenario's” als hem naar de mogelijkheid van een ingrijpen in Suriname wordt gevraagd. Van den Broek reageert na die verkiezingen met zijn 'niet uitsluiten'. Lubbers zegt daarop (hard) 'nee, nooit', omdat dit een verkeerd signaal naar Suriname zou zijn.

Hij voegt er echter (zachtjes) aan toe dat 'in een bijzondere situatie' er wel iets mogelijk is. Van den Broek reageert gerriteerd op het harde 'nee' en suggereert dat de premier op zijn beurt verkeerde signalen zit af te geven.

Als wellicht morgenmiddag beide bewindslieden naast elkaar in de Tweede Kamer zitten om opheldering te verschaffen - het wordt moeilijk, want minister Genscher is op bezoek en die komt al zo weinig - zullen ze in omgekeerde richting die reactie-keten weer moeten afrollen. Of hen dat lukt, zal afhangen van de mate van wederzijdse gerriteerdheid en de bereidheid hun posities iets te versoepelen. Ze zullen echter wel moeten. In een voor de Nederlandse politieke verhoudingen zo explosief thema als Suriname kan de Kamer geen meningsverschil aanvaarden tussen de premier en de minister van buitenlandse zaken. Een van beiden, of beiden, moet toegeven.

In het Haagse politieke wereldje is de suggestie gedaan dat Van den Broek zulke duidelijke taal gebruikt onder invloed van een overwinningsroesje als gevolg van de Golfoorlog en van de door hem van het begin af aan geregisseerde Nederlandse deelname daaraan. Als dat zo is, is hij niet de enige. Ook CDA-fractieleider Brinkman - die Van den Broek steunt - trekt een prallel met Irak. Het bieden van noodhulp, zei Brinkman zaterdag in een interview met Het Binnenhof, kan ook slaan op het uitbannen van onderdrukking. “We mogen als Nederlanders niet terugvallen in onze oude rol van zendeling met alleen een goed woord voor de wereld”, aldus Brinkman. Het lijkt erop dat een harde confrontatie tussen Van den Broek en Lubbers ook wel eens de fractie zou kunnen splijten.

Van den Broek reageerde zaterdag in een deelraad van de CDA-partijraad gepikeerd op suggesties dat zijn blokkades tegn uitbreiding van de bevoegdheden van de Europese Raad iets te maken zouden hebben met zijn meningsverschil met Lubbers over diens bevoegdheid als premier op buitenlands politiek terrein. Vorige zomer kwam daarover een diep liggend meningsverschil tussen hen beiden aan het licht. Formeel zal de minister wel gelijk hebben. Maar er is in elk geval 'meer' aan de hand met hun relatie en dan ligt het voor de hand ook in de kwestie-Suriname aan het geschil over de bevoegdheden te denken.

Juist de afgelopen tijd was, volgens ingewijden uit beider omgeving, hun verhouding een stuk verbeterd, nu ze erin waren geslaagd een grotere consensus te bereiken over de toekomst van Europa en de plaats van de Europese Raad, de NAVO en de Westeuropese Unie daarin. De aard van hun reacties in de Suriname-zaak toont aan dat hun nieuwe consensus tamelijk fragiel is.