Geen slachting onder studenten op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking; DE MYTHE VAN EEN BLOEDBAD

In de nacht van zaterdag 3 op zondag 4 juni 1989 vermoordde het Volksbevrijdingsleger op het Tiananmen-plein in Peking een groot aantal vreedzaam demonstrerende studenten. Zo luidt de populaire versie van de gebeurtenissen waarmee de Chinese Lente vandaag precies twee jaar geleden tot een einde kwam.

Het is een lezing die men ook in de kolommen van NRC Handelsblad voortdurend tegenkomt. Of het nu gaat om een column van Martin van Amerongen ('contrarevolutionairen die op het Plein van de Hemelse Vrede onder de salvo's der machinegeweren stierven'), een artikel van buitenland-redacteur Jan Gerritsen ('bloedige apotheose op het plein'), een toneelrecensie van Noor Hellmann ('een slachtpartij op het Plein van de Hemelse Vrede') of een analyse van J.L. Heldring ('het bloedbad op het Pekingse plein'): telkens heet het dat de Chinese militairen tegenover de Grote Hal van het Volk, rondom Mao's mausoleum en in de schaduw van het Monument van de Helden van het Volk honderden, zo niet duizenden rebellerende jongeren hebben omgebracht.

Deze onjuiste voorstelling van zaken is - althans in NRC Handelsblad - te lang onweersproken gebleven. Niet een van de tientallen ooggetuigen (Chinese actievoerders, sinologen, journalisten, inwoners van Peking en andere waarnemers) met wie ik de afgelopen twee jaar in de Volksrepubliek van gedachten heb gewisseld, verdedigt de thrie dat op het Tiananmen-plein talloze doden zijn gevallen. Sterker: van mijn gesprekspartners zegt niemand met zekerheid te kunnen - en willen - beweren dat op die plek Chinezen zijn gesneuveld.

Na een onderzoek in Peking is de Noorse polemoloog Johan Galtung tot de conclusie gekomen dat er “geen massa-slachting op het Tiananmen-plein” heeft plaatsgevonden. Robin Munro, een China-specialist van de Amerikaanse mensenrechtenorganisatie Asia Watch die in de cruciale uren ter plekke was, hee een gedetailleerde reconstructie gepubliceerd (The Nation, 11-6-'90) en meent dat er “wel een massamoord plaatsvond, maar niet op het Plein van de Hemelse Vrede en niet voornamelijk onder studenten.” Foto's en filmbeelden die een bloedbad daar bewijzen, ontbreken dan ook. Volgens Tony Saich, hoogleraar op het gebied van de politiek en het bestuur van het hedendaagse China, bestaat er eveneens geen betrouwbare (internationale) literatuur waarin aannemelijk wordt gemaa dat Tiananmen het toneel was van een grootscheepse moordpartij.

Aanvankelijke verklaringen van studentenleiders over de duizenden 'martelaren' die op de steenvlakte sneuvelden, zijn inmiddels teruggetrokken of incorrect gebleken.

Anders dan het gros van de Nederlandse kranten en omroepen reppen internationale kwaliteitsmedia als de BBC, de Wall Street Journal, CBS, de Far Eastern Economic Review, Le Monde en de South China Morning Post niet over 'het bloedb op het Pekingse plein'. Voor zover ik kan nagaan is de International Herald Tribune een uitzondering.

Redacteuren van die krant gebruiken soms de ongelukkige aanduiding 'Tiananmen-massacre'.

Andere bladen tonen zich behoedzamer en hanteren dezelfde term als NRC Handelsblad-correspondent Willem van Kemenade: 'de moorddadige onderdrukking van het studentenprotest in Peking'. Helaas ontbreekt doorgaans de bijbehorende uitleg. In tegenstelling tot wat de meeste Nederlanders denken, was niete militaire verovering van het Tiananmen-plein het gewelddadige hoogtepunt van de nacht dat de democratiseringsbeweging werd neergeslagen. De doden en gewonden vielen voor het overgrote deel in een eerder stadium: toen legereenheden oprukten door westelijke wijken als Muxidi naar het centrum van Peking. Munro (Asia Watch) noemt die 'the real killing grounds'. Hij wijst erop dat vooral de burgerbevolking slachtoffer werd van het mitrailleurvuur. Geconfrteerd met arbeiders en andere laobaixing (het Chinese equivalent van Jan Modaal) die zich tot het uiterste verzetten, paste het Volksbevrijdingsleger grof geweld toe op de avenues die naar en langs Tiananmen leiden. Vooral de westelijke kant van Changan Boulevard (in de volksmond inmiddels 'Bloed Boulevard' genoemd) veranderde in wat omstanders 'een abattoir'

noemen. “De troepen waren fucked up, de burgers waren fucked up, het was een ingewikkeld escalatieproces”, vat Whington Post-reporter Dan Sutherland de strijd samen. De eigenlijke ontruiming van het plein verliep volgens een ander patroon, melden verslaggevers en fotografen die tot op het laatste moment in de buurt bleven. Terwijl militairen over de hoofden van de resterende bezetters heen schoten en tanks kwamen aanrijden, verlieten de studenten - als sluitstuk van onderhandelingen met militaire commandanten over een vreedzame aftocht - achter de vlaggen van hununiversiteiten het gebied dat zij wekenlang hadden verdedigd. Volgens diverse bronnen kwam het daarop in de nabije omgeving alsnog tot dodelijke botsingen tussen betogers en soldaten.

“Enkele dozijnen mensen stierven in de directe omgeving van het plein en een paar op het plein zelf”, schrijft Munro samenvattend. Dat de massamoord noemen, acht hij een 'vertekening' die ons het zicht op het 'ware drama' ontneemt.

Het zou nog tot daar aan toe zin als de 'mythe van de Tiananmen-massamoord' (UPI-journalist Dave Schweisberg) beperkt bleef tot een verkeerde geografische aanduiding. Maar dikwijls worden in een adem gruwelen opgevoerd waaraan het Volksbevrijdingsleger zich op het Plein van de Hemelse Vrede zou hebben bezondigd. “Hier verpletterden in een Helse Oorlog de tanks de demonstranten” schreef hoogleraar Geert Hofstede, niet gehinderd door gebrek aan bewijs, bijvoorbeeld op deze pagina. Evenmin geschraagde maar vaak opgevoerde geruchten betreffestandrechtelijke executies en de verbranding van ontzielde betogers door soldaten - alsof het in werkelijkheid gebeurde niet macaber genoeg is.

Hoe kon het verhaal over de veldslag op het Tiananmen-plaveisel een eigen leven gaan leiden? Om dat te kunnen begrijpen moeten de betrokken journalisten, ikzelf (ik werkte destijds bij het weekblad De Tijd) niet in het minst, de hand in eigen boezem steken. Dwalend door straten met smeulende barricaden, staand op een viaduct war een legertruck het hoofd van een demonstrerende fietser had verbrijzeld en sluipend door de gangen van een ziekenhuis vol gewonden loste een groot deel van de professionele objectiviteit op in verontwaardiging over het genadeloze optreden van de militairen.

De eerste dagen vond menige woedende reportage, gelardeerd met niet zelden overspannen verslagen van Chinese studenten en hun voorman Wuerkaixi haar weg naar lezers, luisteraars en kijkers. Het morele gelijk van de actievoerdes was groot, zo groot dat veel vertegenwoordigers van de pers niet erg geneigd waren hun verhalen met een kritisch oog te bekijken. Bovendien, zo weet ik uit eigen ervaring, bleken journalisten gevoelig voor de verleiding van het wellicht niet honderd procent kloppende maar spectaculaire citaat.

“In de chaos die Peking na het militaire ingrijpen kenmerkte”, vertrouwde een prominente Amerikaanse collega me toe, “hebben we - uit onzekerheid en gedreven door de zucht naar spannendestukken - teveel vertrouwd op studenten die anders dan wij wel verschrikkelijke dingen hadden zien gebeuren op Tiananmen.”

Gevolg was dat de feiten op de achtergrond raakten. Tel daarbij op dat het Chinese bewind elke medewerking aan het achterhalen van de waarheid over de 'contrarevolutionaire rebellie' weigerde, en het ontstaan van de Tiananmen-mythe (die overigens opmerkelijk gelijkenis vertoont met de legende over de massagraven in het Roemeense Timisoara is grotendeels verklaard.

Kanttekeningen achteraf plegen nauwelijks invloed te hebben op het beeld dat het grote publiek zich heeft gevormd van historische voorvallen. Misschien zijn alleen organisaties als Amnesty International - dat spreekt over ongeveer duizend doden in het Peking van begin juni 1989 - in staat zo'n alom levende visie bij te stellen.

Het ontslaat de pers echter niet van de verplichting expliciet in te gaan op haar eigen missers, verkeerde schattingen en al te boud geformuleerde oordelen. Misschien is de geloofwaardigheid van de journalistiek wel net zo groot (of klein) als haar zelfreinigend vermogen.

Vasthouden aan een onjuiste lezing van het bloedbad is fnuikend. Het geeft Chinese leiders die klagen over “de leugenachtigheid, de beledigingen en het complot van de internationale media” de schijn van gelijk. Munro (Asia Watch) constateert dat “de valse versie van de ontruiming van het Tiananmen-plein de slagers van Peking nodeloze propaganda-overwinningen in de Verenigde Naties heeft bezorgd.”

Alleen al daarom is het zaak zo zorgvuldig en eerlijk mogelijk over de Volksrepubliek te berichten. Desnoods met terugwerkende kracht. Angst dat correcties zullen worden uitgelegd als het bagatelliseren van het bloedbad hoeft journalisten niet in de weg te staan. De werkelijke geschiedenis van de massamoord werpt het juiste licht op de enorme, door het communistische regime zo wreed beantwoorde betrokkeheid van gewone burgers bij het studentenprotest. Bovendien verandert geen enkele nuancering van de wijze waarop in Peking een eind kwam aan de democratische droom van een nieuwe generatie Chinezen, iets aan het politieke oordeel over de 'glorieuze, vaderlandslievende' daden van het Volksbevrijdingsleger, 'China's Stalen Muur'.