Een oosterse adolescent

Ik gruw een beetje van mannen, vooral van Hollandse mannen. Nu ligt, het eerste aangenomen, dat laatste voor de hand.

Met Hollandse mannen kom ik het meest in aanraking. Ik word erdoor omringd en soms, beangstigd (ik overdrijf een beetje) in een hoek gedrukt. Het neemt niet weg dat ik met enkele van deze mensensoort heel hartelijk ben bevriend, ze geregeld hoewel, goddank, niet dagelijks ontmoet en plezierige of semi-serieuze gesprekken met ze voer. Zij hebben de neiging mij met een omarming of zelfs met kussen te begroeten. Een omarming is tot daaraantoe maar kussen gaat mij te ver. “Niet kussen!” roep ik, en liever doe ik de begroeting met een desnoods stevige handdruk af. Een klapje, vooral niet te hard, op mijn schouder of bovenarm is mij, als alternatief saluut, alleszins voldoende.

Ik heb mijzelf nu al zozeer blootgegeven dat de verdenking van onderdrukte homoseksualiteit niet valt te ontkennen. Goed, misschien is het waar. Ik houd de theorie van Freud op dit punt niet voor ondeugdelijk. Maar als het waar is, dan toch slechts gedeeltelijk. Ik ben mij bewust van althans het bestaan van mijn homoseksuele component en aanvaard die met een gerust geweten. Ik word er niet erg door gekweld, heb er alleen maar amusante en soms opwindende momenten aan te danken. Mijn heterofiele drang is er naangetast door gebleven.

Mijn erotische fantasieen en verlangens mogen dan niet naar Hollandse mannen uitgaan (daarom zijn ze ook onderdrukt, zult u blijven volhouden), maar wel naar, bij voorbeeld, meisjesachtige Oosterse adolescenten, liefst met een niet al te betrouwbaar en enigszins vals karakter, zodat ik zalig aan hun grillen ben overgeleverd en mijn liefdesverdriet niet op kan. Waarschijnlijk moet in die kwalificaties en beperkingen de verklaring worden gezocht voor wat in mij fysieke terughoudendheid tegenover mannen mogelijkerwijs is ontspoord. Maar zo geredeneerd lust je er natuurlijk nog wel eentje.

Adolescenten dus, aanpalende mannen, zij het met voornoemde restricties. Eigenlijk tekent zich daar al de flauwe omtrek van een taboe af, want hoeveel aldus genomineerde jongelingen kom ik tegen in het centrum van Amsterdam dat ik als mijn innigste vaderland beschouw?

Het gebeurt maar hoogst zelden, en wanneer ik een exemplaar z dat aan mijn voorstellingen beantwoordt, dan is het in omstandigheden die ik niet in de hand heb, bij voorbeeld wanneer ik door een vriendin word vergezeld, of in een flits en van een te grote afstand. Na zulke luchtige ontmoetingen en passages sta ik een ogenblik verstomd, innerlijk ontheemd en verwilderd, ook verrast en verbluft omdat een intieme schuilhoek in mij ineens door een verblindend licht wordt overstraald. Ik ben wel eens achter zo'n jongen aangelopen, oals ik het als jongeman achter een meisje deed, hulpeloos en armoedig. Tot rechtstreekse handelingen is het nooit gekomen. Ik droom er wel eens van, hoewel niet erg vaak, omdat de vrouwenwereld het leeuwenaandeel van mijn fantasie opeist. Daar heb ik het al druk genoeg mee.

De jongen die het volmaaktst mijn ideaal belichaamde, zag ik enkele jaren geleden op de opening van een tentoonstelling. Hij stond tegen een muur geleund, onmiskenbaar Aziatisch, onder het glorieuze licht van een lamp die zijn ravenzwarte haren deedglanzen, terwijl de schaduw van zijn lange meisjesachtige wimpers zich onder zijn oogleden aftekende. Hij zag er ongemeen lascief, indolent en, leek mij, behoorlijk vals uit. Hij deed nu en dan, met een vlinderachtige beweging van zijn vingeren, een trekje aan zijn sigaret en liet de rook achteloos van zijn lippen vallen. Een diep in mij verborgen vrouwelijk sentiment maakte zich van mijmeester. Mijn perifere zenuwstelsel begon als razend te werken, mijn lichaam spande van de elektriciteit. God, wat had ik hem graag willen kussen, omhelzen, mij aan zijn voeten willen werpen. Maar ik slaagde er zelfs niet in zijn minste aandacht op mij te vestigen. Ik was lucht voor hem. Gelukkig maar, misschien.