De wirwar van de weerbaren

Het is een rare plek waar we wonen: achterstand en voorspoed huizen op een steenworp van elkaar. Als ik in mijn werkkamer sta en me uitrek kan ik met mijn ene hand de huizen van de Govert Flink straat aanraken en met mijn andere de glazen toren van de Nederlandsche Bank. Het huis waarin ik woon is van de verbazing een beetje scheefgezakt. Daar aan de rand van de Amsterdamse Pijp hebben we ons genesteld zolang de paalkoppen het niet begeven. Mij zult u niet horen klagen.

Vanaf het balkon kan ik aan het einde van elke dag het kleine legertje daklozen de resten van de markt zien afgrazen. De rottende mango's worden met zorg in plastic gestopt, een groezelige hand verdwijnt in een vuilnisbak en komt terug met een restant frites en van de achtergebleven vissekoppen lijkt een kromme bejaarde nog wel een soepje te kunnen trekken. Daarna komen de vuilnismannen van de gemeente en ruimen alles op, zodat rond negen uur de Albert Cuyp er glanzend natbespoten bijligt. De geur van vis blijft nog uren hangen.

Naar verluidt stond enkele jaren geleden op de plaats waar nu mijn bureau staat een hartvormige whirlpool waar men via een rond fluwelen opstapje in terecht kon. Een nacht op mijn kamer kostte destijds wel duizend gulden. Lange tijd koesterden we in de kelder een verzameling van twaalf bidets - van hard groen tot zacht roze. De reacties op een advertentie bleven uit zodat ze roemloos op een container met puin aan hun zondige einde zijn gekomen. Het schijnt een goed bordeel te zijn geweest, althans dat verzekerde laatst iemand me.

Toen we hier introkken leek het wel of de Tweede Wereldoorlog net was afgelopen. Het rijkelijk gestucte plafond leek op een hangmat, de marmeren lambrizering langs de trappen lag aan gruzelementen en de trap zelf was half verkoold. Voor alle ramen waren spiraalmatrassen geschroefd - een laatste herinnering aan krakers die hier ooit gehuisd hebben en die op een vroege zondagochtend met whirlpool en al zijn verdwenen. De vorige eigenaar was erg bang dat ze terug zouden komen, maar nog verder uitgewoond kon het karkas niet worden.

Een enkele maal per jaar wordt in de buurt een straat afgezet en zie je op het trottoir een met krijt uitgetekend lichaam; gebruiker of verkoper, het maakt niet uit. Aan de broodmagere, vla slurpende junks die met een wakker oog de auto's taxeren, raak je nooit gewend. Ze wonen in je ooghoek. Voor het overige moet je soms een verhitte crack-roker vragen of hij wil opschuiven zodat je naar binnen kan.

Verder gaat het wel, als je geen pech hebt tenminste. De Pijp is een werelddorp in een grote stad. Dat wisten we al, ook zonder deelraad. De uiteinden zijn rafelig, maar de harde kern is onomstreden. Dat is de Govert Flink, die zich als Sunset Boulevard kilometers lang strekt van de oever van de Amstel tot aan het water van de Ruysdaelkade. Sinds een jaar worden we door een andere coalitie in de deelraad geregeerd, je merkt er niets van. Het is nog steeds een vrolijke chaos en de kans dat iemand orde in dit zooitje ongeregeld weet te brengen is gelukkig niet erg groot.

Een op de vier in de Pijp komt van ver. Surinaamse vrouwen met schommelende billen fleuren de markt op en her en der wordt schaafijs verkocht en stukjes kip voor in de Pom. Op en rondom diezelfde markt is het zieke gekanker over 'apen' en 'roetmoppen' niet van de lucht.

Daar wordt de keerzijde van jovialiteit voelbaar. Achteraf weet je altijd heel precies wat je voor dodelijks wilde zeggen, maar op het moment zelf kijk je naar je tenen en verlies je op slag je geloof in de mensheid. Trouwens, veel verder dan gemompelde vuiligheden gaat het meestal niet. Een enkele keer laait een echte ruzie op, iedereen bemoeit zich ermee, een golf slaat door de massa en lost als vanzelf weer op in de onafzienbare stoet die over de markt trekt.

Het nachtcafe De Boekanier is na tussenkomst van de buurt en de deelraad niet meer zo lang open. Dat is jammer, want in het halfdonker was het daar goed toeven, als je tenminste je plaats wist. Wie geduldig doordronk, kon 's ochtends tussen zes en zeven door een binnendeur naar het dagcafe Het Veulen en zag dan met toegeknepen ogen iedereen naar z'n werk gaan. Over de Pijp is een dicht netwerk van dranklokalen gespannen en het lijkt wel of er elke dag een bijkomt en een andere wordt dichtgespijkerd wegens faillissement of drugshandel.

Met de boekhandels is het in ieder geval een stuk slechter gesteld in deze buurt. Veel verder dan de AKO-keten komen we niet, even de antiquariaten waar vooral halfpornografische stripverhalen worden verkocht niet meegerekend.

Mijn skyline is geheel van deze tijd: de glazen torens van de Nederlandsche Bank weerkaatsen vooral en nodigen niet uit. Van welke windrichting je ook de Pijp benadert altijd torent daar het bankgebouw bovenuit. Als een vergoelijkend gebaar heeft men nu een beeld van de fameuze Zadkine naast het gebouw neergezet. Het staat er nogal verloren bij vlak naast de halte van lijn 4. 's Nachts is de bovenste ring van de toren soms blauwig verlicht en dan lijkt het alsof er een reusachtige UFO boven de Stadhouderskade hangt.

Tien keer per dag hoor je dat het vroeger allemaal beter was. Ik weet het niet zo zeker. Zoals het leven zich hier breed maakt, doet het bijna nergens. Dag en nacht is het een komen en gaan. Ja, vaak ligt vuilnis over de straat uitgesmeerd en is het hier minder zorgzaam dan velen zouden willen, maar tegelijk zijn er meer kieren waarin je kunt schuilen. Aan de oppervlakte levert de botsing van al deze culturen een fantastisch schouwspel op. Of er daaronder veel gist en broeit is nauwelijks te zeggen.

In deze buurt wordt de anonieme samenleving stap voor stap verwerkelijkt. Niet zo lang geleden heeft iets verderop achter ons een vrouw enkele dagen lang dood in haar tuin gelegen voordat iemand het merkte. Hoe ze daar terecht was gekomen wist niemand precies na te vertellen. Dat is ook heel erg van deze tijd. Het kan zijn dat deze wirwar voor velen onleefbaar is en enkel ruimte aan de weerbaren biedt. Mij hoort u niet klagen.