Daverende, zinderende 'oorlogs-opera'

Concert: Oorlog en Vrede van S. Prokovjef door Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Edo de Waart, met o.a. Tatjana Novikova, Vladimir Chernov, Aage Haugland, Valery Alexeijev. Gehoord: 1-6 Concertgebouw, Amsterdam.

De buisklokken rammelden nog geruime tijd door, nadat het slotakkoord van het symfonie-orkest, het koor en de met het koor meezingende solisten al was verklonken. Vijf uur in het Concertgebouw zat er op, toen zaerdag Edo de Waart, die op deze dag zijn vijftigste verjaardag vierde, het dirigeerstokje neerlegde. En dan waren er nog coupures aangebracht in de luidkeels toegejuichte, zinderend uitgevoerde opera Oorlog en Vrede van Prokovjef op een eigengemaakt libretto naar de gelijknamige roman van Tolstoj. Het was de eerste uitvoering in Nederland, door de Vara aangeboden aan het Holland Festival.

Een monstrueuze affaire: een opera met liefst 72 rollen. Tollend van het helse lawaai verliet het publiek het Concertgebouw en als ik had kunnen kiezen tussen nog zo'n uitvoering of de werkelijke belegering van Moskou (het hoofdonderwerp van de opera), dan had ik zeker voor het laatste gekozen.

In elke muziekliefhebber schuilt wel ergens een Stalin, want wie kan er niet, al dan niet verholen, genieten van een machtig koor of een daverende mars? Maar het socialistisch-realisme van met name de twee grote koorscenes uit Oorlog en Vrede - in het eerste wordt Napoleon's nederlaag voorspeld en in het tweede bejubeld - zijn minder triomferend dan wel alles verwoestend, te beginnen met de goede smaak.

In 1937 definieerde de componist: “De massa wil een grootse muziek: grootse gebeurtenissen, grootse liefde en levendige dansen”. Maar groots betekende bij Prokovjef zowel in de opera als in bovengenoemde cantate verpletterend, zoals energiek ontaardde in tomeloos. Sergej Sergejevitsj kende geen maat.

Oorlog en Vrede ontstond kort na het uitbreken van de oorlog, de componist verhuisde uit Moskou naar de Kaukasus, Centraal-Azie en Perm alvorens er in 1943 terug te keren. Naar Moskou stuurde hij twee lijvige pianopartituren, die door Muzfond werden uitgegeven.

Sjostakowitsj was in die tijd de centrale figuur en hij leerde Prokovjef's piano-uittreksel goed kennen, waarbij zijn voorkeur uitging naar twee scenes: Andrej's sterfbed en de Slag bij Borodino.

Beiden geven de kernen van de opera weer: het hoogtepunt van de complexe liefdesaffaire enerzijds en het hoogtepunt van het gigantische oorlogsgebeuren anderzijds.

Helaas, van een integratie was geen sprake. De sterfscene doorklieft als het ware in het twaalfde tafereel de 'oorlogs-opera' zonder een enkel raakvlak ermee: het blijven twee soorten muziek die niets met elkaar te hebben.

Prokovjef wilde het liefdesdrama centraal stellen, maar de Russische leiders eisten vaderlandslievend Sovjet-realisme. Oorspronkelijk dacht de componist aan een splitsing in twee avonden en toen hij zich liet overhalen voor toch maar een doorlopend verhaal, voegde hij er nog twee scenes aan toe. Allereerst een meeslepend bal met polonaise, mazurka, wals en ecossaise - conform zijn definitie van een grote muziek die levendige dansen behoeft -, daarnaast nog de scene voor maarschalk Koetoezov, de heldhaftige verdediger van de witte muren van moedertje Moskou, teneinde Stalin te behagen: de parallel met de strijd tegen de Duitse indringer liet aan duidelijkheid niets te wensen over.

Om met de rol van Koetoezov te beginnen, Aage Haugland's klankrijke bas had alles mee. Edo de Waart hoefde het machtig instrumentaal-vocale apparaat nauwelijks af te dempen maar toch bleef niet onverhuld, dat deze Deense bas zich soms zwabberend een weg zocht en niet werkelijk met de noten bleek vertrouwd.

Tatjana Novikova was de ideale Natasja, een prachtig ronde, mooi geegaliseerde sopraan, en van Vladimir Chernov in de rol van Andrej (een nogal metalige heldenbariton) was ik aanvankelijk minder gecharmeerd, maar in de sterfscene bleek hij wel degelijk over kleuringsmogelijkheden te beschikken. Ook de bariton Valerij Alexeijev als Napoleon (met zelfs zijn gestalte) had tijd nodig om zichzelf te vinden, maar bleek toen zeer te kunnen overtuigen.

De meest plastische bijdrage leverde nog de tenor Gegam Grigorian, maar Prokovjef heeft aan de figuur van Pierre Bezoechov ook meer diepte kunnen meegeven, waar deze heen en weer geslingerd wordt tussen vaderlijke en erotische gevoelens voor Natasja.

Voor mij vormt het zevende tafereel in de confrontatie tussen Pierre en de losbol Anatol een van de hoogtepunten van de opera. Pierre: “Zoek je pleziertjes maar bij vrouwen zoals mijn echtgenote of je eigen zuster. Maar om een jong meisje een trouwbelofte te doen, haar te bedriegen en te schaken...” Prachtige muziek met flitsende dialogen in de stijl van Moessorgski: Prokovjef op zijn best, grillig en sarcastisch, in de uitbeelding van snel wisselende scenetjes toonde hij zich een meester in de beste Russische traditie, een verademing ten opzichte van de brute klankexplosies.

Aan het eind van het negende tafereel trapt Napoleon een niet ontplofte kanonskogel weg, had Prokovjef maar gedurfd op soortgelijke wijze de Sovjet-autoriteiten de deur te wijzen, dan waren we tenminste verlost geweest van dat zouteloze Sovjet-realisme. Maar Prokovjef was geen held, hij protesteerde zelfs niet toen zijn eerste vrouw naar Siberie werd verbannen.