ZOEKEN NAAR DE OORSPRONG VAN 'SCHORRIEMORRIE'

Etymologisch woordenboek door J. de Vries en F. de Tollenaere 452 blz., Het Spectrum 1991, f 37,50 ISBN 90 274 2677 5

Het is niet zijn levenswerk. Zijn levenswerk is de bestudering en beschrijving van de Nederlandse taal. Maar daarbij heeft de etymologie, de herkomst van woorden, hem altijd het meest geboeid en met de bewerking van het Etymologisch woordenboek van Jan de Vries, waarvan volgende week de geheel herziene en sterk vermeerderde druk verschijnt, is hij in totaal bijna tien jaar bezig geweest.

F. de Tollenaere (78) is een uiterst precieze man. Hij zou de enigszins ingewikkelde drukgeschiedenis van het etymologisch woordenboek van De Vries het liefst uitleggen aan de hand van een exemplaar alle veertien drukken. Maar tot zijn spijt heeft hij slechts zes verschillende edities klaar liggen. Op zijn bureau is er maar net plaats voor. Het huis in Warmond doet het aan de buitenkant niet vermoeden, maar een van de kamers op de bovenverdieping bewaart een schat aan woordenboeken en tijdschriften. Alle wanden zijn van onder tot boven bedekt, er staan torens op de grond en stapels op en rond het bureau.

De Tlenaere, afkomstig uit Ronse in Oost-Vlaanderen, heeft zijn leven in dienst gesteld van de taal. Hij was van 1937 tot 1977 als medewerker namens Belgie verbonden aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) en bewerkte samen met Kruyskamp de zevende druk (1950) van de dikke Van Dale. Hij stond aan de wieg van het in 1967 in Leiden opgerichte Instituut voor Nederlandse Lexicologie, en hij verrichtte pionierswerk op het gebied van de automatisering van lexicografisch onderzoek. Volgens de bibliografie in de feestbundel die hij bij zijn afscheid vanet WNT kreeg aangeboden, schreef hij tussen 1938 en 1977 niet minder dan 215 publikaties, een lijst die de afgelopen vijftien jaar nog flink is uitgedijd. De nadruk lag dikwijls op etymologie, en het kwam dan ook niet uit de lucht vallen dat uitgeverij Het Spectrum hem begin jaren tachtig vroeg de bewerking op zich te nemen van het Etymologisch woordenboek van de bekende Leidse germanist Jan de Vries.

De eerste druk van deze pocket was in 1958 verschenen. De Vries stierf kort voordat hij zijn ote etymologische woordenboek kon voltooien. Het verscheen in 1971 bij Brill; op verzoek van de uitgever voorzag De Tollenaere het van een inleiding, aanvullingen en registers. Toch is de beknopte pocket van De Vries nog altijd het best verkochte woordenboek in dit genre. Van de edities die De Tollenaere sinds 1983 bezorgde, zijn er in totaal zevenendertigduizend verkocht. Goede tweede, qua oplage, is het etymologisch woordenboek van Van Dale, in 1989 samengesteldoor P.A.F. van Veen. Hoewel dit veel duurder is, werden er tot nu toe ruim twintigduizend van verkocht. Wat betreft niveau staat het Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal van Franck-Van Wijk overigens nog steeds aan kop - daar zijn alle deskundigen het over eens - en hoewel dit in 1936 voor het laatst werd herzien, wordt het nog steeds herdrukt.

TREFWOORDEN

Ook De Tollenaere spreekt vol ontzag over de etymologische prestaties van de Nederlandse slavist Nicolaas van Wijk (1880-1941), bj wie hij ooit nog college volgde. ''Wat mij in de etymologie interesseert, is: kan ik een stukje verder komen dan Van Wijk? Zou ik nog een klein steentje kunnen bijdragen?''

Zeker is dat De Tollenaere er alles aan doet om die bijdrage te leveren. Sinds 1985 is hij vrijwel continu bezig geweest met de nu te verschijnen editie van de pocket van De Vries. Kwart voor zeven op, vanaf acht uur achter het bureau en soms de avonden nog vrij voor een van de meest tijdrovende kluen, het dateren van de trefwoorden.

Dit laatste beschouwt De Tollenaere als een zeer belangrijke bijdrage aan het woordenboek van De Vries. Of eigenlijk aan het etymologisch onderzoek in het algemeen, want als eerste heeft hij geprobeerd te achterhalen vanaf wanneer een trefwoord in het Nederlands voorkomt.

Dat is natuurlijk uiterst belangrijk voor de bestudering van oorsprong, vorm- en betekenisontwikkeling van een woord, maar De Tollenaere is de eerste om zijn inspanningen te relativeren. ''Onze 'exacte' teringen hebben trouwens slechts een relatieve waarde, namelijk die van een richtsnoer voor verder onderzoek,'' schreef hij al in de inleiding bij de voorlaatste druk. ''Het zijn niet meer dan bakens, die er dringend om vragen verder naar achteren in de tijd te worden verplaatst.''

Hij kijkt een beetje sip als hij vertelt hoeveel reacties deze 'oproep' opleverde: zegge en schrijve een, van een student wiskunde in Amsterdam. Toch heeft dit hem niet ontmoedigd. ''Als itien jaar jonger was, zou ik meteen na voltooiing van dit woordenboek met de nieuwe druk beginnen, vooral om de dateringen te preciseren. Je zou in oude woordenboeken kunnen nagaan wanneer een woord voor het eerst opduikt, maar dat is een heidens karwei.''

Met nog tien jaar te gaan zou De Tollenaere natuurlijk ook het aantal nieuwe trefwoorden verder uitbreiden. ''De enige artikelen waar ik nu echt helemaal achter sta,'' zegt hij nadrukkelijk, ''zijn die van de woorden waar ik me volledig in heb verdiept. Woorden waar ik een aparte studie van heb gemaakt, zoals bijvoorbeeld schorriemorrie, speculaas, pril, hunkeren of sas.''

Het woord schorriemorrie is in verband gebracht met het Hebreeuws en het Turks maar blijkt al in 1342 in het Vlaams voor te komen in de uitdrukking scurre ende murre voor 'deugniet'. Het woord 'speculaas'

is een verkorting van 'speculatie' (plat gebak) dat al in 1749 is opgtekend, en De Tollenaere ontdekte dat 'pril' vanaf zeventiende eeuw in het Noorden in de literaire taal voorkomt, hoewel het nooit in de Hollandse volkstaal heeft geleefd. Het Vlaamse 'hunkeren' is via de bijbel in de Nederlandse schrijftaal terecht gekomen. Op verzoek laat De Tollenaere het materiaal zien dat hij over het woord sas (sluis) verzamelde. Discussiepunt tot nu toe was of dit woord nu eerst in het Nederlands of in het Frans voorkwam. Vier dikke mappen kunnen de correspondentie maar nauwelijks omvatten die De Tollnaere hierover voerde met onder meer een hoogleraar Frans, archivarissen en een historisch geograaf. Eerst in het Frans, luidt de definitieve conclusie, die in het woordenboek te lezen is in een artikel van twintig regels. ''Inderdaad, daar zit maanden werk in,'' zegt De Tollenaere met een verlegen lachje, ''maar hier kan ik dan ook helemaal achter staan.'' Met glimmende ogen voegt hij er aan toe: ''Maar ja, het gaat hier natuurlijk om harstocht.''

FICHES

Het werk dat met die hartstocht wordt gedaan, is overigens niet geautomatiseerd . De Tollenaere verrichte pionierswerk op het gebied van de automatisering van lexicografisch onderzoek, maar toen hij met pensioen ging, werkte men nog met ponskaarten. Op de vraag of hij nu alles met de hand doet, zoals de stapels fiches doen vermoeden, reageert hij dan ook verbaasd: ''Natuurlijk, hoe kan het anders. Op Word Perfect? Dat is een programma, geloof ik. Alle artikelen zijn indertijd van d oude datadragers op zo'n tekstverwerkingsprogramma overgezet, maar daarbij zijn alle accenttekens verdwenen. Dat is een enorm correctiewerk geweest.''

De Tollenaere verrijkte de nieuwe druk met ruim zevenhonderd nieuwe trefwoorden terwijl hij zo'n tweehonderd artikelen grondig omwerkte.

Is het nu nog wel het woordenboek van De Vries? ''Zeker, er staat nog steeds heel veel in van De Vries. Ik zou de laatste zijn om te beweren dat het nu mijn woordenboek is. Dat zou het woren als ik het steeds zou kunnen blijven bewerken. Overigens ben ik dat niet van plan. Op mijn leeftijd nog aan een volgende druk beginnen, dat is de goden verzoeken.'')