Zeeuwse tradities

Waarom is een belastingaffaire in het openbaar bestuur van Zeeland zo bijzonder? Niet omdat de zaak zelf zo heel bijzonder is (gedeputeerden lieten naheffingen op hun reiskostenvergoedingen uit de provinciekas betalen), maar omdat ze uit Zeeland komt waar sinds de Satisfactie van Goes nog maar weinig politieke ambtsdragers in opspraak zijn geweest of verdenking vanbestuur hebben verdiend. Zeeland is van de Schepping af God's own country geweest waar de justitie nooit veel naar heeft hoeven omkijken. Zelfs de godvrezende regionale advocatuur heeft zich daar altijd op het standpunt gesteld dat de overheid niet onnodig mag worden lastig gevallen, getuige het relatief geringe aantal Zeeuwse cassatieberoepen dat bij de Hoge Raad wordt ingesteld.

Het bijzondere van de zaak zit vooral in de omstandigheid dat het karakter van een Zeeuw niet voorziet in afwijkend moreel gedrag)In de Provinciale Zeeuwse Courant van de afgelopen weken is vooral de psychologische dimensie van de affaire uit de doeken gedaan: de belastingaffaire op het provinciehuis heeft zoveel schrik in het openbaar bestuur van Zeeland teweeggebracht dat vrijwel alle gemeenten die met hun burgemeester of een wethouder in de Raad van Commissarissen van de Delta Nutsbedrijven zijn vertegenwoordigd oekazes hebben uitgevaardigd de renumeratie voor die fies in de gemeentekas te storten. De commissarissen die de provincie in het bedrijf vertegenwoordigen, hadden al eerder van die vergoeding (tienduizend gulden per jaar) afgezien, hetzij op eigen initiatief hetzij tot die demonstratie van civic spirit aangespoord.

In de ogen van de buitenstaander heeft het heenzenden van de Zeeuwse gedeputeerden iets weg gehad van een Oudewaters heksenproces: de ambtsdragers die in het water waren gegooid en niet bleven drijven bewezen dat ze moreel niet zuiver op de graat wageweest en op de lange duur dus nooit het vertrouwen van de omstanders hadden kunnen verwerven. Maar voor de Zeeuwen zelf stonden hogere waarden op het spel. In die hele, op een duiveluitbanning lijkende vertoning van politieke zuiverheid zit meer oorspronkelijk Zeeuws karakter dan een Hollander beseft. Als het onderzoek naar de rechtmatigheid van de declaratievergoedingen van de gedeputeerden iets heeft gedemonstreerd dan is het vooral dat de geest van de laatste raadpensiona(JHvan de Republiek, de zuinige Van de Spiegel (pensionaris van Zeeland en burgemeester van Goes voordat hij tot Eerste Minister in Holland werd benoemd) in Zeeland nog springlevend is.

Vraag een Zeeuw wie Van de Spiegel was en hij weet onmiddellijk zonder zijn encyclopedie te hoeven raadplegen wie dat was: de machtigste man van Zeeland in de oude Republiek die ook de eerlijkste man van zijn tijd was. L.P. van de Spiegel was de vleesgeworden staatkundige integriteit - in een eeuw die schuimde van de omkoopbaarheid en het politieke eigenbelang. Aan het einde van zijn politieke leven (toen de patriotten hem drie jaar in zijn Woerdense gevangenis voor zijn trouw aan Oranje lieten zuchten) legde hij een verantwoording van zijn staatkundige bestuur af die ook nu nog dienst zou kunnen doen als handleiding voor politieke onkreukbaarheid.

“Iemand, die zijn eigen belang had willen zoeken (schreef hij in zijn befaamde Nadenking* ) zoude ongetwijffeld uit de toeaats hebbende omstandigheden vrij meer voordeel hebben kunnen bedingen; te meer daar de Regeering van Zeeland mij aanbiedingen had laaten zien, die, naar het vermogen der Provintie, en naar mijnen gewoonen leeftrant ruim zoo aanzienlijk waren”. Van de Spiegel was voor die verlokkingen nooit bezweken. Hij had zich zoveel laten betalen als hij in zijn eigen ogen waard was (dat wil zeggen, nooit te veel, onder de erkenning dat hij nieerbetaald was) en hij kon naar waarheid getuigen dat zijn bezittingen aan het einde van zijn loopbaan niet groter waren dan aan het begin ervan. “Dit kan ik althans verzeekeren en bewijzen, dat mijne bezittingen geen stuiver vermeerderd zijn door de voordeelen in Holland genooten, dewijl ik in het begrip stond, dat het tractement, door de Provintie mij toegevoegd, moest besteed worden in eene leefwijze betaamlijk voor een' eersten Minister van het Land, die dagelijksch in het geval is van met de eerste Personagin dit, en vreemde Landen omtegaan”.

De raadpensionaris van Holland vergat weliswaar nooit zich op zijn braafheid te laten voorstaan, maar hij kon zich wel enig vertoon van een holier than thou-houding veroorloven, want na Johan de Witt was hij de enige staatsman in de Republiek (een paar oppassende griffiers niet te na gesproken) die met zijn handen van provincie- of gemenebestkas was afgebleven. Hij was zelfs sterker geweest dan de grote Oldenbarnevelt, die tegenover zijn rechters de verrassende bekentenis afleat hij eenentwintig jaar eerder een geschenk (smeergeld) van de Franse koning had aangenomen, ten bedrage van twintigduizend gulden. De financiele staten van Van de Spiegels ambtsuitgaven waren toonbeelden van administratieve integriteit. Ook de kleinste posten vermeldde hij met de hem eigen nauwkeurigheid: zoveel voor mevrouw X die hem dagelijks Franse kranten bezorgde, zoveel voor Y die boodschappen voor hem deed en zoveel voor de verblijten van iemand die in zijn opdracht op reis was geweest, alles tot op de laatste cent verantwoord.

Hoewel het niet in strijd met de zeden van die dagen zou zijn geweest was Van de Spiegel nooit voor een omkopinkje door de knieen gegaan, hoe vaak ze het ook erop hadden aangelegd. Kaarsrecht kon hij in het Woerdense Kasteel (waar hij was opgesloten) op zijn inderdaad onberispelijke leven terugzien zonder eenmaal krimp te hebben gegeven.

Zij (de geschenken, die Van de Spiegel en de griffier Fagel bij het sluiten van verdragen naar omatiek gebruik van buitenlandse mogendheden werden aangeboden) “waren zeer aanzienlijk, en die van Engeland buiten gemeen, doch wij hebben beiden, volgens mondelinge afspraak, dezelve beleefdelijk geweigerd, zoo om rede, dat wij door onze aanneeming den Staat zouden verplicht hebben, tot wedergeschenken aan de Engelsche en Pruisische Ministers, als omdat wij schandelijk reekenden voor ons zelven eenige voordeelen te genieten, ter gelegenheid van een Tractaat,uit het Land geen voordeel trok”.

Uit het rumoer over de zichzelf schadeloosstellende gedeputeerden in Middelburg blijkt dat de Zeeuwen Van de Spiegel nog steeds in ere houden. Ze hebben hem in Zeeland dan ook terecht geeerd met vele Van de Spiegelstraten. Alleen die armzalige straat in Vlissingen die zijn naam draagt heeft hij niet verdiend.

* L.P. van de Spiegel, Nadenking van eenen Staatsman weegens zijn Ministerie in Holland, geschreven in de Maand Julij 1795, zijnde in de Zes Maanjner gevangenis (Leiden en Rotterdam, 1800).