Wayuu willen niet gemarginaliseerd worden in Colombia; Indianen staan op hun rechten; 'Onze moerassen waren zo rijk aan vis dat blinden er als visser hun brood konden verdienen'

MANAURE, 1 JUNI. De Wayuu-vrouw heeft haar gezicht zwart gemaakt, de traditionele make-up van Wayuu-vrouwen die ook dient als een bescherming tegen de zon. Ze lacht voorzichtig, verlegen en angstig tegelijk.

Aan de rand van het Colombiaanse stadje Manaure graaft ze met haar twee zoons een eigen charca, een vijver voor de winning van zout. Twee vijvertjes zijn al klaar. Het hoge zoutgehalte geeft het water een paarse kleur. Aan de randen van de charca's hebben zich dikke zoutkristallen gevormd. “Deze charca's zijn ondiep, je kunt al na een week oogsten”, zegt de vrouw. Door de geringe diepte komt er echter ook veel zand tussen het zout. Een zak van vijftien kilo brengt 200 peso op, zeventig cent.

Achter de gemproviseerde charca's van de Wayuu-vrouw strekken zich kilometers lang de vijvers uit van Salinas, de Colombiaanse staatsmaatschappij die officieel het monopolie op de zoutwinning heeft. In drooggepompte crca's vegen bulldozers het zout bijeen tot witte bergen die schitteren in de zon.

Hier op het schiereiland Guajira wordt zeventig procent van het zout in Colombia geproduceerd. Een klein deel daarvan komt voor rekening van de Wayuu-indianen, die naast de meren van Salinas hun eigen charca's hebben aangelegd. Zo pikken ze een graantje mee van de rijkdom die de grond van hun voorouders oplevert.

De rechten van indianen zijn in Latijns-Amerika waarschijnlijk nergens zo goed beschermd als in Colombia, maar op een punt hebben de indianen bakzeil moeten halen: ze zijn geen eigenaar van de grondstoffen die op hun grondgebied worden ontdekt. De overheid heeft de indianengemeenschappen tot nu toe 25 miljoen hectare land, verdeeld over meer dan tweehonderd zogenoemde resguardo's, in eigendom gegeven.

De indianen beheren hun resguardo's volgens hun eigen traditionele bestuursstructuren.

aar, stelt de 25-jarige secretaris Julio Cesar Estrada van de Nationale Organisatie voor Indianen in Colombia (ONIC), “we zijn alleen eigenaar van de grond, niet van datgene wat er onder zit”.

“De ontginning van onze rijkdommen is in handen van niet-indianen, die geen oog hebben voor milieubehoud”, aldus Estrada.

Volgens de indianenorganisaties zijn de gevolgen nergens zo duidelijk zichtbaar als in Guajira, waar de Wayuu op zeven verschillende plaatsen een deel van hun resguardo hebben moeten afstaan voor het hogere belang van de Colombiaanse economi: de winning van zout en kolen en de belastingvrije handel in de stad Maicao. Voor de winning van aardgas zijn al concessies uitgegeven. “Het zijn allemaal centra van deculturisatie”, zegt Rosario 'Chayo' Epieyu, een leidster van de Wayuu in Manaure. “De Wayuu worden verdreven en verliezen hun middelen van bestaan. Ze gaan naar de stad waar ze hun cultuur verliezen en hun dagen in armoede slijten.”

Het verzet van de Wayuu tegen hun marginalisering kreeg vorig jaar een impuls na de ontdekkng dat de zoutonderneming Salinas de grond in Manaure illegaal bezet houdt. “De Wayuu-clans dachten dat ze hun land hadden verkocht, maar toen onafhankelijke advocaten de papieren bekeken bleek dat Salinas hen twintig jaar geleden alleen een tegemoetkoming voor geleden schade heeft betaald”, aldus Chayo.

De grond die Salinas heeft ingenomen bestond uit twee moerasgebieden waar 350 Wayuu-families leefden van de visvangst. Met weemoed denken de Wayuu teru aan de rijkdom die de moerassen opleverden. “Ze waren zo rijk aan vis dat vier blinden er als visser hun brood konden verdienen”, herinnert een Wayuu-lieder zich.

Tot twee keer toe gingen in Manaure vierduizend Wayuu de straat op uit protest tegen de bezetting van hun grondgebied. De Wayuu eisen een aandeel in Salinas, “zodat we delen in de opbrengst van onze grond en zodat we kunnen voorkomen dat het bedrijf nog meer schade aanricht”, aldus Chayo. Deze aand begonnen in Bogota onderhandelingen tussen de Wayuu en de regering.

Coronel Pushaina maakt zich nog dagelijks kwaad op het staatsbedrijf Salinas. Hij is het hoofd van een van de families die voorheen in de moerassen visten. Nu leeft hij van de opbrengst van zijn charca, die hij jaren geleden op Salinas heroverde. Pushaina: “Salinas heeft ons de rug toegedraaid. Ze hebben veel vernield, van de moerassen tot de begraafplaatsen en de cactussen”. Dat laatste isbelangrijk, voegt hij eraan toe, omdat de geiten cactussen gebruiken als voedsel. “Ik kan nu nog maar enkele tientallen geiten houden, net genoeg om zonodig te kunnen voldoen aan de verplichting alle bezoekers van een begrafenis een stuk vee cadeau te geven.”

Vier van Pushaina's vijf vrouwen kijken toe terwijl hij uitvaart tegen de zoutonderneming. Dat hij vijf vrouwen heeft wil niet zeggen dat rijk is, verzekert Pushaina. “De vrouwen mogen me omdat ik het beetje dat ik heb eerlijk verdeel.” De ruim 100.000 Wayuu, georganiseerd in tientallen clans, vormen een van de grootste indianenvolken van Colombia. In het afgelegen en kurkdroge Guajira wisten ze hun onafhankelijkheid en hun gewoonten lange tijd goed te bewaren.

Zo worden in Guajira misdaden nog steeds bestraft doordat de clan van de dader een schadevergoeding betaalt aan de clan van het slachtoffer.

Volgens Wayuu-leidster Chayo gaan dergelijke gebruiken echter langzaam maar zeker verloren door de toenemende invloed van de 'arijuna's', het woord dat de indianen gebruiken voor niet-Wayuu.

De arijuna's hebben de meeste invloed in het zuiden van het schiereiland, waar zes jaar geleden El Cerrejon, de grootste kolenmijn ter wereld, in gebruik werd genomen. Curide Ipuana, het zeventigjarige hoofd van de Ipuana-clan, kijkt vanuit zijn hut uit op de mijn. De omgeving biedt een troosteloze aanblik. Over de bomen en cactussen hangt een grijs waas. Op de achtergrond is het geraas hoorbaar van af en aan rijdende vrachtwagens.

Ipuana: “Je merkt de vervuiling aan alles. Sinds de mijn is geopend hebben we pijn aan onze ogen en hebben we moeite met ademhalen. Water, fruit en wild zijn verdwenen. De geiten krijgen nu miskramen, net als onze eigen vrouwen.”

De vervuiling is zo ernstig dat het ministerie van gezondheidszorg begin dit jaar de directe omgeving van de mijn onbewoonbaar verklaarde. Nog steeds wonen er 67 Wayuu-families. De mijnbouwmaatschappij heeft de Wayuu voor hun grond 200.000 peso (700 gulden) per hectare geboden, maar volgens de Wayuu is het land wel het vijfvoudige waard.

Ondanks hun klachten menen veel indianen dat ze in Colombia altijd nog beter af zijn dan in andere Latijns-Amerikaanse landen. Wayuu die door de industriele winning van zout en kolen van hun land werden verdreven en naar Venezuela gingen - waar ook Wayuu-gemeenschappen zijn - keerden weer snel terug. “Het beled van de Venezolaanse overheid is gericht op integratie. Daar zijn voor de Wayuu weinig mogelijkheden hun zelfstandigheid te behouden”, aldus een Wayuu-leider.

In Colombia werkt het overheidsdepartement Indiaanse Aangelegenheden met het begrip 'etno-ontwikkeling': ontwikkeling van de indianengemeenschappen op basis van hun eigen cultuur en gewoonten. De overheid streeft bijvoorbeeld naar behoud van de indiaanse geneeskunst, naar de invoering van tweetalig onderwijs en naar verwijdering van boeren die in de resguardo's grond hebben bezet.

Secretaris Julio Cesar Estrada van de ONIC erkent dat “er vooruitgang is geboekt”. De vooruitstrevende wetten maken het mogelijk dat de indianen hun recht halen. “Daar waar de indianen goed zijn georganiseerd moet de regering zich wel aan haar beloften houden”, zegt Estrada.