Veiling

Jarenlang was de Calhoun Country Store het enige winkeltje in de verre omtrek geweest. Maar toen het bejaarde echtpaar dat deze plattelandsnering dreef, was overleden, besloot hun enigedochter de boel te verkopen. Ze contracteerde een veilingmeester en op een zondag in mei ging de boedel onder de hamer.

Veilingen zijn vaste gebeurtenissen op het Amerikaanse platteland. Als boeren hun schulden aan de bank niet kunnen aflossen, gaat de bank over tot verkoop bij opbod van have en goed. Heeft de vrijwillige brandweer geld nodig, dan organiseren de buurtgen een veiling. En als de erfgename de levenslang verzamelde spullen van haar overleden ouders te gelde wil maken, kan ze die het beste in het openbaar verkopen.

Uit de verre omtrek waren belangstellenden afgekomen op de aankondiging in de plaatselijke media dat de boedel van een ouderwetse 'country store' geveild zou worden op het terrein achter het voormalige winkeltje aan Route 220, tussen Petersburg en Franklin in West-Virginia. Dit is een gebied van boeren, afstammelingen Duitse en Schotse kolonisten die in de eerste helft van de vorige eeuw over het Appalachegebergte waren getrokken om het land te ontginnen en God te dienen. Ooit speelde de bosbouw hier een rol, maar die tijd is voorbij en de echte welvaart is met een boog om dit deel van West-Virginia heengetrokken.

In hoefijzervorm zaten de potentiele kopers op kampeerstoelen om de pick-up truck, waarop de veilingmeesters de goederen aanprezen en het verloop van de biedingen orkestreerden. Dat was plattelandsvolk, de vrouwe de mannen in spijkerbroeken en T-shirts. De meeste mannen hadden een honkbalpet op, waar ze het kartonnetje met hun veilingnummer op hadden gestoken. Een caravan zorgde voor hot dogs met ketchup, voor bier en cola in blik.

De veilingmeesters waren een modieuze jonge vrouw met zonnebril en een man met een cowboyhoed, beiden hadden ze cowboylaarzen aan. Terwijl de man rondkeek naar bieders, ratelde de vrouw de prijzen af. De verjaarde geluidsinstallatie gaf haar stem schrille klank. Vol grappen dreef ze de prijzen professioneel steeds hoger op.

De aangeboden spullen waren de grootste verzameling rotzooi die ooit op een zondagmiddag geveild moet zijn. Op platte wagens stonden kartonnen dozen met de inboedel van een mensenleven waarin nooit iets was weggegooid. Knikkers, plastic vazen, mayonaisepotjes, kartonnen verpakkingen voor bierflesjes uit de jaren vijftig, missiekalenders met heiligenbeelden en kalenders van garages met meisjes in badpakken, schoolboeken, borden die gratis bij de punten van een wasmiddel werden verstrekt, zakken met Pepsi-doppen, een reclamebord van Pepsi met een thermometer, Pepsi-dienbladen en nog heel veel meer.

Amerikanen zijn dol op antiques en iets wordt al gauw als een oudheidkundig voorwerp beschouwd. Bij het huis Monticello van Thomas Jefferson trof ik ooit een bordje aan met het opschrift: archeologische opgraving. Het betrof de fundamenten van een werkplaats uit 1804.

De spullen van de cou store hadden verzamelaarswaarde en het meisje dat de veiling leidde, maakte daar handig gebruik van. Een stapel lokale kranten uit de jaren dertig prees ze aan met de opmerking dat je er alles in kon lezen over de depressie. Kranten uit de jaren zestig: 'Vietnam en zo'. Oude kranten hebben zelden zoveel opgebracht.

Echt wild werden de bieders over de Pepsi-spullen. Een zakje oude Pepsi-doppen, waar de kurk was afgekrabt om te kijken of er een een prijs mee te winnen v bracht vijfentwintig dollar op. Twee Pepsi-serveerbladen gingen samen weg voor vijfentachtig dollar.

Volgens een antiekkenner kunnen dergelijke bladen in de stad gemakkelijk het dubbele opbrengen.

De prijzen waarvoor de spullen van de hand gingen, verbijsterden de aanwezige nieuwsgierigen. Als waardeloze dingen zoveel opbrengen, had ik mijn troep ook moeten bewaren, zei een vrouw met een mengeling van verbazing en veraardiging. De opbrengst van de veiling illustreerde de Amerikaanse hang naar het verleden. Ook al is dat verleden niet meer dan enkele tientallen jaren oud.