TERUG NAAR DE PURE ISLAM

Islamic fundamentalism in Egyptian politics door Barry Rubin 178 blz., Macmillan 1990, f 131,25 ISBN 0 33 54374 2 Le prophete et pharaon door Gilles Kepel 256 blz., La Decouverte 1984, f 51,55 ISBN 2 7071 143 91 *)

Hoeveel hectare bos zou er sinds het uitbreken van de Golfcrisis opgeofferd zijn aan onnodige boeken over het Midden-Oosten? Een Veluwe? Twee Veluwes? Het is bij benadering niet te zeggen.De bomen die de wetenschappelijke poot van het uitgeversbedrijf Macmillan in Barry Rubins Book Islamic Fundamentalism in Egyptian Politics heeft gestopt, hadden in ieder geval kunnen blijven staan.

Dat heeft niets te maken met het belang van het onderwerp. Sinds de Golfoorlog staan het Midden-Oosten en het islamitisch fundamentalisme weer volop in het nieuws. Rubin vraagt zich terech af waarom, ondanks alle voorspellingen, na de overwinning van de islamitische revolutie in Iran en de moord in 1981 op Egyptes president Anwar el-Sadat in geen enkel islamitisch land de islamitische fundamentalistische beweging aan de macht is gekomen. Hij geeft er, wat Egypte betreft, ook een verklaring voor. ''Het revolutionaire islamitische fundamentalisme in Egypte kan onrust stoken en terroristische acties plegen, maar is intern zo verdeeld en verkondigt voor veel Egyptische moslims zulke onverteerbare stellingen, dat het niet in staat is de regering omver te werpen,'' schrijft hij op de eerste bladzijde. ''De radicale groepen voelen zich aangetrokken tot de doctrine dat zowel Egyptes heersers als de Egyptische samenleving tot de 'jahiliyya'

behoren, dat wil zeggen dat ze heidens, ongelovig en niet-islamitisch zijn. Het is voor hen moeilijk veel aanhangers te winnen omdat de gemiddelde Egyptenaar helemaal niet vindt dat hij van zijn geloof is afgedwaald.''

Dat is allemaal misschien waar, en Rubin weet in 155 bladzijden de diverse groepen die in Egypte een islamitische staat nastreven, overzichtelijk op papier te krijgen. Maar wie enigszins in de materie thuis is, krijgt al na drie bladzijden het onheilspellende 'deja lu'

gevoel, de overtuiging het allemaal ergens anders eerder en beter gelezen te hebben. En jawel, daar staat het, in de boekenkast, op de derde plank van onderen. Gilles Kepels Le Prophete et Pharaon. Ruim honderd bladzijden dikker en de helft goedkoper.

Van overschrijven is natuurlijk geen sprake. Rubin heeft, meldt de binnenflap van zijn boek, al vijftien werken over het Midden-Oosten achter de rug, waarvan zes als (mede)redacteur. Dan leer je de kneepjes van het vak wel kennen. Kepel wordt overal keurig als bron opgevoerd.

Hoe formuleer je nu zo'n constatering zonder de rehter achter je broek te krijgen? Laten we vriendelijk blijven, en zeggen dat Rubin zich uitbundig door Kepel heeft laten inspireren. Of, om bij de Veluwe te blijven, dat Kepel de kerstboom heeft geleverd en Barry Rubin die met zijn eigen ballen heeft opgetuigd.

Het islamitisch fundamentalisme is een veelbesproken en slecht begrepen onderwerp. De keuze van de term fundamentalisme draagt daartoe bij. Fundamentalisme is de naam van een Amerikaanse christelijke stroming, die eind vorige eeuw ontstond als reactie op Darwins evolu-tietheorie. Rond de Eerste Wereldoorlog versceen een serie boekjes met als titel The Fundamentals, a History of Truth. Niet lang daarna volgde de oprichting van de Christian Fundamentalist Association, die openstond voor alle christelijke gezindten.

Hoofdstelling van de Association luidt dat God in de geschiedenis, buiten de natuurwetten om, Zijn aanwezigheid laat merken, en dat het Amerikaanse openbaar onderwijs met die opvatting rekening moet houden.

WONDEREN

Met islamitisch fundamentalisme heeft dit niets te maken. Dat God wonderen verricht en, buiten de natuurwetten om, in de geschiedenis ingrijpt, is voor elke moslim een onwrikbaar geloofspunt. Islamitische fundamentalisten verschillen daarin niet van andere moslims. Het islamitisch fundamentalisme is de stroming in de islam die herstel nastreeft van de Goddelijke rechtsorde, zoals die is neergelegd in de koran, Gods eigen woord, en zoals die tot uitdrukking kwam in de ideale, door de profeet Mohammed gestichte samenleving. Alleen in zo'n samenleving kan volgens fundamentalisten de mens moeiteloos de plaats verwerven die God hem in de heilshuishouding heeft toebedacht.

LEKEN Het islamitisch fundamentalisme kan bogen op een respectabele ouderdom. Het opvallende van de huidige fundamentalistische bewegingen is echter dat zij worden geleid door leken, moslims die geen formele theologische opleiding hebben gehad. De leiders van de huidige fundamentalistische bewegen zijn artsen, ingenieurs, landbouwkundigen en advocaten. De schriftgeleerden, de oelama , spelen er, anders dan in het verleden, geen belangrijke rol in. Met als belangrijke uitzondering het shi'itische Iran, dat van een heel andere traditie en van een heel andere 'kerkelijke structuur' uitgaat.

Binnen het huidige fundamentalisme bestaat zelfs de neiging de oelama rechtstreeks verantwoordelijk te stellen voor het verval en de onmacht van islam. Er is een ware wildgroei van fundamentalistische groepen en groepjes die frontaal het traditionele islamitische leergezag aanvallen. Zij propageren niet alleen terugkeer naar de regels van de koran en de sunna, het voorbeeld van de profeet, ze eisen het recht op die twee bronnen zelf te interpreteren. Kortom, zij willen wat Luther en Calvijn wilden, rechtstreeks terug naar Gods woord.

Een goed voorbeeld van dat radicale denken vormen Shukri Mustapha en zijn volgelingen. Zelf noemden zij zich de 'Machappij van (ware) Moslims'. De Egyptische regeringspers noemde de groep al snel 'Takfir wa'l-Hidjra', Banvloek en Uittocht. De naam beschreef precies wat de groep voorstond. Shukri Mustapha geloofde dat de islamitische maatschappij reddeloos in ongeloof was weggezakt. Ware moslims moesten zich van die maatschappij afkeren (Banvloek) en er uit wegtrekken (Uittocht), zoals de profeet Mohammed uit het ongelovige Mekka was weggetrokken om er later aan het hoofd van de zegevierende moslimse legers in terug te keren. Hadden Shukri en de zijnen eenmaal de kracht verzameld, dan moesten zij net als Mohammed in een jihad, de heilige strijd voor de vestiging van Gods rijk, de ongelovige maatschappij omverwerpen.

LUNATICS

Shukri's groep, zoals Rubin dat doet, gelijk te stellen aan allerlei bizarre groepen van de Amerikaanse religieuze 'lunatic fringe', gaat geheel voorbij aan de essentie van Shukri's ideeen. Shukri Mustapha beschouwde zichzelf allermt als een nieuwe profeet, hoewel hij ervan overtuigd was een speciale opdracht van God te hebben. Hij predikte ook geen nieuw geloof, maar herstel van de authentieke islamitische maatschappij, waarin alleen Gods soevereine wil heerst. In theorie is dat precies waar het islamitische geloof om draait. Wat Shukri deed, was die theorie tot in zijn uiterste consequenties doordenken en doorvoeren.

BROCHURE Toen Saddats regime eindelijk do had dat Shukri's groep niet alleen bestond uit wereldvreemde religieuze drammers, maar er gevaarlijke, in islamitische termen verpakte, revolutionaire ideeen op na hield, was het te laat. In de zomer van 1977 ontvoerde en vermoordde de groep sjeik Mohammed al-Dhahabi, een voormalig minister voor religieuze zaken. Die keus was niet toevallig. Als minister had al-Dhahabi het voorwoord geschreven van een brochure waarin de ideeen van Shukri ketters werden genoemd. Voor zijn rechters zette Shukri Mustapha in alle helderheid zijn opvattingen uiteen. De islam, zhij, was geperverteerd door de traditionele schriftgeleerden, die het monopolie voor de uitleg van Gods woord aan zich hadden getrokken. Op die manier hadden zij zich tussen God en de gelovigen geplaatst, en waren zij gaan behoren tot de jahiliyya, de wereld van het ongeloof.

Volgens Shukri hadden generaties van schriftgeleerden fawa's, gezaghebbende rechtsuitspraken, gefabriceerd om de wil en de luimen van de heersers een islamitisch jasje te geven. Zeadden - en dat is een standaardformule in de islamitische politieke retoriek - ''wat God verboden heeft goedgekeurd en wat God goedgekeurd heeft verboden''.

''Er zijn oelama die riba (het in de koran streng verboden incasseren van meerwaarde) en ontucht hebben goedgekeurd. Ze hebben zelfs in de naam van islam hoererij en wijn goedgekeurd.''

Shukri's verdediging was een frontale aanval op het religieuze establishment rond sjeik al-Azhar Mahmoud Shaltut. Deze hadn Nassers tijd riba-opleverende bankrente goedgekeurd. Sjeik Metwalli Sha'arawi, die in Egypte een populair televisiepreker is, had in Saddats tijd als minister voor het religieus domein rente-, dus riba-dragende staatsobligaties goedgekeurd. Een andere sjeik, Su'ad Jalal, had verklaard dat bier niet onder het islamitische verbod op alcohol viel; Sindsdien ging hij door het leven onder de naam sjeik Stella, het Egyptische staatsbiermerk.

'Kanselpapegaaien' noemde Shukri deze eerbiedwaarge uitdragers van de officiele islam. Hij weigerde zelfs een verschil te maken tussen Israel en Egypte. In zijn ogen waren beiden even slecht, twee kanten van dezelfde medaille, die van de ongelovige jahiliyya-maatschappij.

WEGWIJZERS Hoe kwamen Shukri en met hen zoveel hedendaagse fundamentalisten aan dit soort revolutionaire opvattingen? Veel van hun ideeen zijn afkomstig van de in 1966 door Nasser opgehangen Sayyid Qutb, de grondlegger van het huidige radicale isla(JHitische fundamentalisme.

Toen Qutb in september 1906 werd geboren in Musha, in de opper-Egyptische provincie Asyut, hield zijn familie er liberale, nationalistische opvattingen op na. In Kairo werd Qutb toegelaten tot de Dar al-Ulum, het prestigieuze Instituut voor de Wetenschappen, in 1872 opgericht door vooruitstrevende moslims, die de opleidingen van de Azhar te verkalkt vonden. Hij maakte snel carriere, eerst als leraar en na 1940 als onderwijsipecteur. Qutbs sociale en politieke interesses leverden hem de onwelwillende aandacht op van koning Faroek, die dergelijke stokebranden het liefst achter slot en grendel zag. Invloedrijke vrienden zorgden ervoor dat hij tijdig naar Amerika werd 'verbannen', officieel om het onderwijsstelsel te bestuderen.

Voor Qutb was de reis naar Amerika wat voor de apostel Paulus de reis naar Damascus was. Hij haatte het land, hij haatte de cultuur, en hij akte een geestelijke crisis door toen hij merkte dat de Amerikaanse pers met onverholen genoegen reageerde op de moord op de leider van een Egyptische moslimbroederschap, Hassan al-Banna. In Kairo haalde hij zo fel naar de Verenigde Staten uit, dat hij werd gedwongen zijn ontslag in te dienen. Vanaf dat moment begon hij de vergaderingen van de Broeders bij te wonen; eind 1951 trad hij officieel toe.

De Broederschap had toen al een lang en fel bewogen geschiedenis achter de rug. Deze was opgericht in 1928 in Ismailia, de hoofdstad van de door Britse troepen gecontroleerde Suezkanaalzone en hoofdzetels van de almachtige Brits-Franse Suezkanaal-maatschappij. In die koloniale atmosfeer, waarin Egyptenaren alleen met een pasje de Europese wijk in mochten, predikte de onderwijzer Hassan al-Banna de terugkeer naar de rechtvaardige, door God verordonneerde islamitische samenleving. Hij combineerde dat met een formidabel organisatorisch talent. Toen hij in 1928 begon, had hij twintig aanhangers; bij Nassers staatsgreep in 1952 waren het er twee miljoen. De Broederschap maakte serieus werk van de jihad, de heilige oorlog ter vestiging van Gods rijk. Daarom werd ze in 1948 verboden, en in 1949 werd Banna in opdracht van koning Faroek vermoord. In 1951 waren de Broeders echter weer terug. Zij aan zij met de communisten vochten zij in de guerrilla-oorlog tegen de Britten in de Kanaalzone, en toen Nasser met zijn vrije officieren in juni 1952 de macht overnam, meeden zij aanspraak te kunnen maken op een belangrijke plaats in het nieuwe bewind.

Dat was allerminst Nassers bedoeling. De verhoudingen verslechterden snel, zodat Nasser in januari '54 de beweging verbood. Op 26 oktober 1954 volgde een aanslag op Nasser en in de dagen daarna werden meer dan vierduizend Broeders gearresteerd. Een aantal leiders werd na een showproces opgehangen. Terwijl dank zij de Suez-crisis van 1956 Nassers populariteit in de hele Arabische wereld tot ongekende proporties aanzwol, sleten de Broedershun lange jaren in Nassers concentratiekampen, door een groot deel van de wereld vergeten.

BUFFER Banna en Qutb behoorden tot een nieuwe generatie moslims. Geen van beiden had een formele religieuze opleiding achter de rug. Beiden behoorden ze tot de kringen waar traditionele vormen van geloof en islamitische vroomheid als achterlijk en niet meer passend in de moderne tijd werden beschouwd. Vanouds was die vroomheid genvesteerd in de oelama. Meer dan duizend aar lang hadden zij de overgeleverde islamitische geloofswaarden gekoesterd als een kostbare schat, waaraan tittel noch iota veranderd mocht worden. Maatschappelijk en politiek vervulden zij een belangrijke functie. Van oudsher vormden zij de buffer tussen heerser en onderdaan. Aan de ene verschaften zij de noodzakelijke legitimiteit. Voor de ander waren zij de enige waarborg dat de heerser niet te ver de gebaande islamitische paden te buiten zou gaan.

De generatie vn Qutb en Banna vormde echter een nieuw slag moslims. Als eerste in de islamitische geschiedenis had deze generatie massaal leren lezen en schrijven. Zij voelden zich niet meer gedwongen als vanzelfsprekend te accepteren wat schriftgeleerden uit oude ma-nuscripten haalden. De boekdrukkunst, in het vijftiende-en zestiende-eeuwse Europa drager van opstanden en hervorming, had eindelijk de islamitische wereld bereikt. Daarmee was het monopolie van de sjeiks op het lezen en verklaren van de heilige teksten doorbrokn. De oelama hadden het dilemma waarvoor de drukpers en de verspreiding van de Westerse techniek hen stelden, haarfijn aangevoeld. Hoe moest men de ideeen die aan het Europees technisch vernuft ten grondslag lagen, inpassen bij een godsdienstige cultuur, die van volstrekt andere principes uitging? Gevraagd waar God in zijn theorie over het universum thuishoorde, had Laplace tegen Napoleon gezegd: ''sire, ik heb die hypothese niet nodig.'' In de islam is zo'n uitspraak onvoorstelbaar. De maatschappelijke orde, de wetten en normen, het hele leven is in de islamitische cultuur volstrekt afhankelijk van het bestaan van een god. Het probleem voor de oelama was enerzijds de opdracht van de heersers de Europese techniek goed te keuren, maar aan de andere kant de ideeen die erachter lagen, blijvend te verketteren. Het dilemma is onoplosbaar en vormt mede de wortel van dediepe geestelijke crisis waarin de islamitische wereld nu al honderdvijftig jaar lang verkeert.

Naar oplossingen gezocht werd er zeker. In Karachi vroeg Abul Ala Mawdudi zich af waarom de eens zo zegevierende islam het tegen de Europese overmacht aflegde. Aan de koran kon het niet liggen. God had volgens eigen zeggen in het heilige boek in helder Arabisch gesproken.

Blijkbaar hadden generaties godgeleerde grammatici de betekenis van Gods woorden zo ingeperkt dat Gods boodschap onbegrijpelijk was geworden. Mawdudi meende dat de uitleg van de koran opnieuw diende te woden 'opengebroken', en het boek weer in handen moest worden gelegd van de gelovigen zelf.

Die opvatting veroorzaakte een schandaal. Vanaf de kansels in de moskeeen werden Mawdudi's opvattingen verketterd. In diverse islamitische landen werden zijn boeken verboden. Maar het zaad was gezaaid. Op scholen en universiteiten begonnen zich kleine groepjes studenten te vormen die Mawdudi's ideeen bestudeerden en bediscussieerden. Ook in Kairo vonden Mawdudi's ideeen weerklank. De traumatische ervaringen met Nassers regime stelden de broeders voor grote problemen. Hoe viel een dergelijk regime in islamitische termen te verklaren? De strijd tegen een Westerse, christelijke bezetter van de islamitische erflanden was voor moslims een vanzelfsprekende zaak.

Maar de Nasseristische staat, met zijn officiele islamitische faade, onttrok zich aan een islamitische analyse. De islam kent geen sluitende theorie over de staat. Volgens de islam berust et gezag in de staat niet bij de mens, maar bij God zelf. Gods soevereine onwrikbare wil ligt vastgelegd in de shari'a, het islamitische plichtenrecht. De enige taak van een islamitische regeerder is de shari'a te handhaven en de islamitische samenleving tegen aanvallers te beschermen.

PLATO

De islamitische staatkundige theorie spitst zich daarom niet toe op de staatkundige organisatie, maar op de persoon van de heerser. Alle belangrijke sekten in de islam zijn ontstaan uit ruzies over wie tot het leiderchap is gerechtigd, niet over de organisatie van de staat.

De ideale islamitische staat is die van Plato, met zijn wijze en onthechte koning-filosoof. Het is niet toevallig dat Ayatollah Khomeiny's islamitische republiek op papier zoveel op die van Plato lijkt. Voor de islamitische staatkundige opvattingen heeft Plato's staat namelijk model gestaan.

De islam kent ook een symbool van de onrechtmatige heerser, de heerser die niet naar Gods profeten wil luisteren en die zijn eigen wil voor die van God in de plaats stelt. Dat is de farao, die in de koran Gods wil aan zijn laars lapt. Na de islamitische revolutie in Iran hing half Teheran vol met posters waarop een bevende sjah als farao en een rijzige Ayatollah Khomeiny als een wrekende Mozes stonden afgebeeld.

En toen op 6 oktober 1981 Khaled Islambouli in Kairo Saddat neerschoot en juichend riep de farao te hebben gedood, had hij niet de verheven op de tempelmuren voor zich uitstarende oud-Egyptische God-koningen voor ogen. Zijn farao was de farao uit de koran.

Nasser als farao te bestempelen paste keurig in de politieke analyse van de moslim-broederschap. De adoratie waarmee de halve islamitische wereld Nasser bewierookte, paste daar niet in. Had de profeet zelf niet in een onfeilbare uitspraak gezegd dat de islamitische gemeenschap niet kon dwalen? Nasser, immens populair, maakte de rampzalige politieke fout zich de kans te laten ontglippen vor het eerst in de islamitische geschiedenis staat en maatschappij tot een organische eenheid samen te smeden. Zijn poging de staat te socialiseren, mislukte. De nasseristische staat groeide uit tot een alles verstikkende bureaucratische samenleving, geregeerd door alom aanwezige veiligheidsdiensten. De enige buffer die de islam tussen staat en onderdaan kende, de oelama, werden in Nassers Egypte definitief aan de staat onderworpen. Een dergelijke politiek vormde de vanzelfsprekende voedingsbodem waarin islamitisch fundamentalisme kon floreren. Al in 1968 merkten de Egyptische leiders verschrikt hoe het fundamentalisme op scholen en universiteiten had wortel geschoten.

Sindsdien is het daar niet meer verdwenen. In Nassers gevangenis begon Qutb Nassers Egypte met nieuwe ogen te bezien. Hij vond de verklaring door aan te nemen dat de bestaande Egyptische samenleving niet meer islamitisch was. Ze was definitief teruggevallen tot de wereld van het ongeloof waar niet God, maar de farao heerste. Evenals in de tijd van de profeet diende daarom een voorhoede van ware moslims zich aaneen te smeden, zich baserend op de ware betekenis van de koran. Evenals de profeet en diens gezellen dienden zij de farao van zijn troon te stoten. Want pas als de farao en al zijn werken waren verdwenen, kon God weer ongestoord heersen.

Qutb legden zijn opvattingen neer in een boek, Ma'alim fi'l-Tarikh, (Wegwijzers), dat evenals Mawdudi's geschriften voor hem, voeen sensatie zorgde. Binnen de moslim-broederschap zelf leidde het boek tot heftige discussies. Nassers staat als ongelovig te bestempelen, dat was tot daar aan toe. De hele Egyptische maatschappij als jahiliyya te beschouwen echter, dat ging velen veel te ver. Maar voor radicale moslims werd Qutb's boek een nieuwe bijbel. De combinatie van Qutb's en Mawdudi's ideeen: nieuwe interpretatie van de koran en afwijzing van de farao, vormden de grondslag van het nieuwe, revolutionaire en gewelddadige fundamentalisme dat Arabische wereld nu al jaren in zijn greep houdt.

Dat maakt het huidige islamitische fundamentalisme, wat men er ook verder van mag vinden, tot een authentieke islamitische poging om een oplossing te vinden voor de vervreemding van de moslim van zijn als onrechtvaardig beschouwde staat en maatschappij. Het is tevens een uiting van verzet tegen een technische wereld, waarvan het belang wordt ingezien, maar waarvan de wetenschappelijke achtergronden het islamitische werbeeld in elkaar doen storten. In Europa leidde dit soort gevoelens tot fascisme en nationaal-socialisme. Zij leidden ook tot Reformatie en uiteindelijk tot de Verlichting. Welke richting het in de islam uitgaat, is niet te voorzien. Dat maakt het verschijnsel islamitisch fundamentalisme, aan de zuidgrenzen van ons eigen Europa, zo griezelig en uitermate fascinerend tegelijk. Barry Rubin heeft daar, vrees ik, niets van begrepen.

*) De Engelse vertaling van Kepels proefschrift is in 1986 bijgewerkt en ingekort uitgegeven door California University Press onder de titel 'Moslim extremism in Egypt', f 68,90 ISBN 0 520 05687