TEN OORLOG IN DE PANTSERTREIN

Les Trains Blindes 1826-1989 door Paul Malmassari 382 blz., gell., Editions Heimdal 1989 (BP 124, 14404 Bayeux Cedex, France), f 150,10 ISBN geen

Gepantserde treinen hebben in de geschiedschrijving van het wapentuig altijd een bestaan in de schaduw geleid. Over de zwaar pantserde kolossen van de zee zijn boekenkasten vol geschreven, maar over hun tegenhanger op de vaste wal is eigenlijk bedroevend weinig bekend.

Enigszins verklaarbaar is dat wel: de pantsertrein heeft namelijk nooit die rol kunnen spelen die militaire vernieuwers in het hoofd hadden. Desondanks heeft Paul Malmassari, zelf officier bij de Franse tankstrijdkrachten, oph genomen die leemte in onze historische kennis op te vullen.

Van een 'pantsertrein' is volgens Malmassari's definitie in zijn inleiding alleen sprake als het geschut ook werkelijk vanaf de rails wordt afgevuurd, terwijl de hele trein, inclusief de locomotief, van een zekere bescherming tegen vijandelijk vuur voorzien moet zijn. De eerste plannen voor een gepantserde trein dateren al van het prille begin van de spoorwegen in Europa. Franse militairelden zich voor hoe zware artillerie die op spoorwagons was gemonteerd, snel naar bedreigde punten kon worden gebracht. Geen van de vroege plannen werd uitgevoerd, maar in 1848, bij de revolutie in Oostenrijk-Hongarije, werd er voor het eerst een gemproviseerde gepantserde trein ingezet tegen de opstandelingen in Wenen. Gewone open goederenwagens werden met rails, houten balken en zandzakken zodanig versterkt dat de bemanning redelijk veilig was tegen de uitwerking van lichte wapens, en ze zelf onderd vuur kon geven.

WEINIG WAARDE

Ondanks talrijke plannen zou het nog tot 1869-1870 duren voordat de Fransen echte treinen, compleet met geschut in gepantserde koepels, een beschermde stoomlocomotief en manschappenwagens, uitprobeerden gedurende het beleg van Parijs door de Duitsers. Het effect van deze treinen was echter minimaal, reden waarom gedurende de laatste decennia van de negentiende eeuw aan dit wapen weinig militaire waarde werd toegekend.

De Engelsen deden bij het voeren van hun koloniale gen in Egypte met gemproviseerde pantsertreinen geen slechte ervaringen op zodat ze bij het uitbreken van de tweede Boerenoorlog in 1899 opnieuw naar dit wapen grepen. Eerst weer met haastig in elkaar geflanste spullen, maar later met steeds meer sophisticated materieel, compleet met elektrische zoeklichten, goed uitgeruste manschappenwagens en voorzien van betrekkelijk zwaar, van schepen afkomstig, geschut. De Boeren zelf improviseerden er ook lustig o, geholpen door de Nederlandse ingenieur Martin Middelberg, die de trein waarmee hij de Boerenlegers rond het belegerde Ladysmith (Natal) van voorraden voorzag, met een doeltreffende bescherming van zandzakken en stalen platen uitrustte.

Ondanks het betrekkelijke succes dat de Engelsen met hun treinen hadden, bleek maar al te duidelijk waar de Achilleshiel van de pantsertrein zat: losmaken van een paar rails in een onoverzichtelijke bocht was voldoende om de trein te laten ontsporen, iets waarin de Boerenguerrilla'r bedreven bleken. Vervolgens konden ze dan de bemanning vanuit een hinderlaag op hun gemak onder vuur nemen. Winston Churchill, die als oorlogscorrespondent in Zuid-Afrika werkte, werd bij een dergelijke gelegenheid gevangen genomen. Ook de combinatie van versterkte blokhuizen langs de spoorlijnen en regelmatig patrouillerende treinen bleek in het uitgestrekte terrein niet afdoende om aanslagen orkomen. Wel hadden de treinen materiaal aan boord om kleine beschadigingen aan het spoor te repareren, maar opgeblazen bruggen waren natuurlijk niet zo maar te herstellen.

De lessen uit de Boerenoorlog waren duidelijk voor de Fransen: pantsertreinen hadden voornamelijk nut bij conflicten in landen waar weinig of geen infrastructuur aanwezig was en waar de spoorwegen feitelijk de enige verbinding vormden over grote afstanden. In 1914 werden aan het westelijk front dan ook geen treinen ingezet, behalve voor de aanvoer vanraden achter de loopgraven. Op het oostelijk oorlogstoneel, waar de voorwaarden voor een succesvol gebruik wel aanwezig waren, gebruikten Russen, Duitsers en Oostenrijkers, met wisselend resultaat overigens, de meest ingewikkelde gepantserde treinen, vaak bestaand uit op de vijand buitgemaakt materieel. Ook in de conflicten in Oost-Europa na 1918, in de Baltische landen, in de Russische burgeroorlog tussen de Rode en Witte legers, in de Fins-Russische oorlogen, in de Chinese burgeroorlog en andere botsingenwerden pantsertreinen nog veel ingezet. Nu bleek overigens steeds vaker hun tweede zwakke plek: aanvallen uit de lucht waren meestal dodelijk. Dit probleem zou zich ook bij het slagschip steeds duidelijker voordoen.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gebruikten de Duitsers gepantserde treinen voor verrassingsaanvallen tegen Polen en Nederland, in het laatste geval met zeer weinig succes, omdat de meeste Maasbruggen op tijd door de verdedigers werden lazen. De ene trein die voorbij Gennep wist door te dringen, werd een paar kilometer verderop tot ontsporing gebracht. Meer succes was weggelegd voor de treinen die door de Duitsers werden gebruikt om na de Russische veldtocht het uitgestrekte veroverde gebied tegen partizanen te beveiligen. In combinatie met versterkte stations werden pantsertreinen ingezet om de aanvoerlijnen van de Duitse legers te beschermen. Deze treinen waren uitgerust met alle benodigdheden veen lang verblijf aan boord, met materiaal om snelle reparaties aan het spoor te kunnen uitvoeren, en zelfs met tanks op platte wagens, die konden worden 'gelanceerd' om zo de actieradius van de trein te vergroten. Luchtafweergeschut behoorde nu ook tot de standaardbewapening, en het bovenpantser tegen aanvallen vanuit de lucht was aanzienlijk versterkt.

In 1939 haalden de Engelsen een oud idee van stal: de pantsertrein als beveiliging van het eigen eiland tgen aanvallen vanuit zee. Elf treinen werden gebouwd, die patrouilleerden over spoorlijnen langs de Oost- en Zuidkust. In actie zijn ze nauwelijks geweest, maar het idee was niet slecht, gegeven de gebrekkige verdediging van de Engelse kust. Zelfs de speelgoedspoorlijn van de Romney, Hythe & Dymchurch Railway aan de zuidkust werd van een heuse pantsertrein voorzien, compleet met luchtafweergeschut en beschermd stoomlocomotiefje, en dat alles op een spoorbreedte van 40 cm! De militaire waarde van een dergelijk speeltje ooit erg groot geweest zijn, maar een Duits vliegtuig werd er in ieder geval mee neergehaald!

De enige rol die na 1945 voor de pantsertrein nog was weggelegd, was die van beschermer van spoorlijnen in gebieden waar guerrillero's opereerden. De Fransen gebruikten het wapen in Indo-China en in Algerije. In Malakka zetten de Engelsen gepantserde motorlorries in; nog recenter gebruikte de Rhodesische minderheiering dergelijke voertuigen om guerrilla-aanvallen op de spoorwegen te voorkomen.

LANCEERBASIS De rol van de pantsertrein scheen uitgespeeld, zoals dat ook van het slagschip werd gezegd. Maar de oude zeekastelen blijken nog altijd een functie van drijvende batterij te hebben en - zelfs nog belangrijker - als mobiel lanceerplatform van kruisraketten, zoals in de Golfoorlog is aangetoond. In de Verenigde Staten lijkt ook de pantsertrein een nieuw leven tegemoet te gaan als rijdende, en daardoor moeilijk te lokaliseren lanceerbvoor intercontinentale ballistische raketten. Wel even iets anders dan de 'Hairy Mary' van de Engelsen (Natal, 1899), een locomotief die door middel van stukken zwaar ankertouw van onder tot boven tegen granaatscherven was beschermd, maar toch loten van dezelfde stam.

Malmassari is erin geslaagd een compleet overzicht te geven. Een punt van kritiek kan zijn dat zijn benadering wat erg technisch is, en dat hij daarbij soms de tactische resultaten van de van pantsertreinen verwaarloost. Een ander bezwaar is de wat merkwaardige indeling van het boek. De treinen worden per land beschreven zodat bijvoorbeeld het gebruik van pantsertreinen in Zuid-Afrika, het gebied waar dit wapen voor het eerst op grote schaal werd ingezet, verdeeld is over 'Afrique du Sud', 'Nation Boer' en 'Grande-Bretagne'. Hier is de gedetailleerde inhoudsopgave de lezer gelukkig tot steun. Het boek is rijk gellustreerd en waar nodig voorzien van kaartjes.

Dr. A.J. Veenendaal jr. is als historicus vern aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag