Suriname in vicieuze cirkels

Terwijl hier drukte wordt gemaakt over de zogenaamde 'militaire optie' of de zogenaamde 'militaire bijstand' aan Suriname (wat zijn wij toch vaardig in het vinden van eufemismen - zie ook: politionele actie, zelfbeschikkingsrecht voor onze neokoloniale avonturen! -, draait daar in de luwte de bankbiljettenpers door. Dat is de monetaire optie, die de bewindhebbers te Paramaribo al lang geleden verkozen hebben en die de verloedering markeert.

Het is achteraf navrant: toen wij ons in de jaren zeventig bezorgd toonden over de economische ellende annex stagnatie van Suriname en het 'pinaren' van zijn bewoners, bevond het land zich in een relatief riante uitgangspositie. Vanuit een calvinistisch schuldbesef dat wij hen een 'kapotte plantage' hadden nagelaten beklaagden wij de Surinamers, maar hun inkomen-per-hoofd was voor de Derde Wereld hoog, hun betalingsbalans was (tengevolge van inkomsten uit bauxiet en Nederlandse hulp) positief en ze hadden geen buitenlandse schulden (die had Den Haag hen als premie op de onafhankelijkheid kwijtgescholden). ''Ik verdiende als jong academicus op de Centrale Bank van Suriname negenhonderd gulden en ik had alles,'' zegt dr Anthony Caram en hij doelt op: een huis, een auto, een goed leven.

Caram studeerde in Tilburg, werkt nu op de Nederlandse Bank en is deskundige in de economie van kleine landen. Toen men verleden week zaterdag in zijn geboorteland ter stembus ging, bevond hij zich op Malta om de deelnemers aan een congres een beeld te geven van de Surinaamse 'enclave-economie'. Het komt hierop neer: Suriname is het land van de vicieuze cirkels.

In die jaren van betrekkelijke welstand had de produktie en daarmee de export op gang moeten komen, maar dat gebeurde niet. De regering legde wegen en industrieterreinen aan en stelde premies en belastingvrijdom in het vooruitzicht, maar de investeerders bleven weg. ''Het land lag geografisch in een dode hoek'', zegt Caram, ''en het achterland is ondoordringbaarerwoud.'' Binnenslands was er 'gebrek aan ondernemingsgeest', men verdiende liever aan de handel. De 'jaren-zestig-strategie' van importvervanging liep spaak op de te kleine markt en de te grote concurrentie van buitenaf. En het benodigde middenkader had de wijk genomen naar de vleespotten van Nederland. Dat is Carams eerste vicieuze cirkel: ''Suriname bleef onderontwikkeld, eenvoudig omdat het onderontwikkeld was.''

Maar echt erg werd het pas na 1982, toen de beide pijlers van de urinaamse rijkdom tegelijk instortten. De aluminiumprijs kelderde en Nederland staakte zijn hulp, als straf voor de decembermoorden. Maar in plaats van een herosche poging te doen de oud-vaderlandse zegswijze omtrent tering en nering in praktijk te brengen, kozen de regeringen te Paramaribo voor de vlucht naar voren en gingen steeds meer uitgeven. Het aantal ambtenaren steeg met 20 procent, zodat nu de helft van de arbeidskrachten in overheidsdienst is. Slechts een vijftigste deelan het budget was nog beschikbaar voor economische ontwikkeling en het financieringstekort naderde met 25 procent een wereldrecord. De remedie werd gevonden door de Centrale Bank, voorheen een betrouwbare instelling, 'in een duizelingwekkend tempo' nieuw geld te laten maken. De geldvoorraad vervijfvoudigde en er stond niks meer tegenover. ''Vroeger was elke Surinaamse gulden gedekt door een dollar,'' zegt Caram, ''nu niet eens meer door twee dollarcent.'' De nationale munt is leeggeroofd.

Een land dat zichzelf zo berooid heeft kan zijn crediteuren niet meer betalen en de importen daalden dan ook van 65 procent van het nationaal produkt tot 20 procent (die gefinancierd worden met in het buitenland aangehouden valuta-reserves). En omdat daar geen hogere binnenlandse produktie tegenover staat, is er steeds minder te koop.

Ach, een bordje eten was altijd nog wel te vinden en dat heeft Suriname totnogtoe behoed voor de 'hyperinflatie' n duizenden procenten, maar globaal is alles in tien jaar zes keer zo duur geworden. ''Zo'n jonge academicus als ik toen was, kan nu met zijn vierduizend gulden niet eens rondkomen,'' zegt Caram; waardoor nog minder middenkader dan voorheen remigreert.

Bovendien zijn uiteraard ook de investeringen teruggelopen: van 20 tot 5 procent van het binnenlands product. Wie wil investeren in een failliete boedel? Liever verrijkt men zich in de handel en het speculantendom. Bij de bauxiewinning zijn moderniseringen al jaren achterwege gebleven en als de toestand zo belabberd blijft als ze is, dreigen de aluminium-multinationals zich helemaal op Australie terug te trekken.

Dit alles heeft volgens Caram geleid tot 'een atmosfeer van sociale onvrede'. Begrijpelijkerwijs stelt de bevolking geen vertrouwen meer in de politici - of het nu burgers waren dan wel militairen - die verantwoordelijk waren voor hun 'fysieke verarming' en de snelle val van hun reele inkomen, en voor de 'ondermijning' van de internationale positie van hun land. Hier stuit men op zijn tweede vicieuze cirkel: ''De politieke en economische crisis heeft geleid tot een onvrede die het moeilijk maakt om de nodige maatregelen ter bestrijding van de crisis te treffen.'' Want die maatregelen zullen kras moeten zijn, hard en pijnlijk, en politici dienen over gezag en vertrouwen bij de bevolking te beschikken om ze te kunnen doorvoeren; zoals Drees en Lieftinck die hadden, toen ze Nederland in het najaar van '45 van oorlogswinst zuiverden. De recente verkiezingsuitslag doet Caram op dit punt het ergste vrezen voor Suriname. ''Een coalitie met partijen die elk weer coalities van partijen zijn'', verzucht hij, ''zal de centrale economische problemen weer voor zich uit schuiven. En een gemenebest is niet de panacee voor alle kwalen. Suriname moet eerst zelf uitmaken wat het wil.'' Het uitbezemen van de Au(Jgiasstal is een algemeen belang, maar er zijn teveel individuele belangen bij het instandhouden ervan.

''Niettemin,'' besloot hij op Malta verrassend genoeg, ''is de situatie waarin Suriname zich bevindt niet hopeloos. Het land heeft per hoofd van de bevolking een aanzienlijk niveau van natuurlijke hulpbronnen, terwijl het recht heeft op hulp van Nederland bij het financieren van zijn ontwikkeling. Bovendien is de Surinaamse economie klein en beheersbaar, zodat ze - gegeven de werkelijke wil daartoe - snel op een gezonde leest geschoeid kan worden.'' Ze kan gericht worden op een aantal profijtelijke 'groeikernen' als bauxiet, aardolie, natuursteen en een paar landbouwprodukten, maar voor alles moet die hoog opgetaste stapel Monopoly-geld opgeruimd worden.

Kan men zich daarbij een nuttige rol van Nederlandse soldaten voorstellen? Anthony Caram spreekt vooral van 'technische hulp' door 'deskundigen' - bij de monetaire sanering, het opstellen van ontwikkelingsplannen, he op poten zetten van het Planbureau; liefst ook deskundigen van Surinaamse origine. Hijzelf bijvoorbeeld? Hij lacht een beetje verlegen. ''Mijn kinderen zitten hier op de middelbare school, ze zijn hier opgegroeid en vergroeid met Nederland.

Voor mij zou dat niet gaan.'' Dat is ook het probleem van Suriname, dat nu - anderhalf decennium nadat het onafhankelijk werd - eerst recht een kapotte plantage is.