Strijd over in WO-II verstopte kandelaar

ALPHEN A-D RIJN, 1 JUNI. De tip kwam uit Jeruzalem. Afkomstig van een mevrouw die hoogstwaarschijnlijk als enige van de voormalige joodse gemeente in Alphen aan den Rijn de oorlog heeft overleefd.

Zij maakte in ht najaar van 1989 het Rabbinaat van de joodse gemeente in Amsterdam er op attent dat in de vroegere synagoge, waar sinds jaren de Remonstrantse gemeente kerkt, nog steeds een acht-armige kandelaar staat. Ze vroeg het Rabbinaat contact op te nemen met de Remonstrantse gemeente om te informeren of die bereid was van de kandelaar afstand te doen zodat hij zou kunnen worden overgebracht naar een synagoge in Jeruzalem.

De koperen kandelaar werd aan het begin van de orlog onder de vloer van de synagoge verstopt uit vrees voor inbeslagname door de Duitsers.

Hij kwam in 1980 tevoorschijn bij restauratiewerkzaamheden. Twee jaar na het verzoek vanuit Jeruzalem staan twee partijen lijnrecht tegenover elkaar: de Remonstrantse gemeente die weigert afstand te doen van de gevonden kandelaar en het comite dat onder leiding van de Amsterdamse rabbijn L. van de Kamp ijvert voor teruggave van joodse bezittingen. (P)“Het is allemaal heel ingewikkeld geworden. De zaak ligt zeer gevoelig in onze gemeente.

Meer kan ik er niet over zeggen,'' aldus de secretaresse van de Remonstrantse gemeente in Alphen, mevrouw C. Suttorp.

“Ja, het ligt zo gevoelig. Maar laat ze dan vertellen wat die gevoeligheden zijn,” zegt rabbijn Van de Kamp die er meteen aan toevoegt: “De kandelaar komt terug, daarvan ben ik overtuigd. Hij is joods bezit, hoort thuis in een synagoge en niet in een kerk.”

Uit de briefwisseling tussen het Rabbinaat en de lokle Remonstrantse gemeente blijkt echter dat de laatste de kandelaar beschouwt als 'onvervreemdbaar eigendom' waarvan geen afstand kan worden gedaan.

De voormalige synagoge is sinds 1955 eigendom van de Remonstrantse gemeente, aldus een brief van 10 mei vorig jaar aan het Rabbinaat.

Er werden dierbare spullen verborgen toen het wegvoeren van de Nederlandse joden een aanvang nam, er waren buren en vrienden die zich ontfermden over de spullen van hun joodse landgenoten. Die vertrouwden erop dat mochten ze terugkeren, zij hun bezittingen gewoon weer zouden kunnen ophalen.

“Zij keerden terug in het vaderland. De bevrijden uit de kampen. De overlevenden van dodenmarsen. Langs allerlei wegen, soms rechte, soms omwegen, soms van heel ver (...). Het waren niet veel, enkele duizenden (...). Maar ze zijn terug. En zoeken, zoeken, ja wat? Hun familie, hun vrienden, hun vroegere woning, hun opgeborgen bezittingen,” schrijftPresser in het laatste deel van zijn boek 'Ondergang.'

Het zoeken naar de bezittingen liep voor menig overlevende uit op een teleurstelling. Van 'gewoon teruggeven' was lang niet altijd sprake.

Gelukkig, zegt rabbijn Van de Kamp waren er ook uitzonderingen. Gelukkig, zegt nog altijd een inwoner van Amsterdam die tijdens de hongerwinter op het punt stond de naaimachine te verkopen die een joods echtpaar bij hem had achtergelaten.

“We hadden geld nodig om eten te kopen voor de kinderen, voor de onderduikers. Maar mijn vrouw verbood mij die naaimachine te verkopen.

Die is niet van ons, we passen er alleen op tot ze terugkomen, zei ze. In de zomer van '45 ging de bel. Beneden bij de deur stond een man.

Hij kwam naar boven en liep de kamer in. Daar zag hij zijn naaimachine en begon te huilen. Nog altijd ben ik mijn vrouw dankbaar dat ze mij verboden heeft die te verkopen. Anders hadden we hem nooit kunnen teruggeven.''