Pelgrim zag hemel en aarde elkaar raken

Tentoonstelling: Naar Jeruzalem, de dure reis van een middeleeuwse graaf. T-m 19 jan. 1992 in het Rijeum Leiden, Het Koninklijk Penningkabinet, Rapenburg 28. Di t-m za 10-17u, zo 12-17u. Brochure (f) 14,95.

De Milanees Santi Brasca was een vijftiende-eeuwse pelgrim, die na een tocht naar het Heilige Land in 1480 voorschriften opstelde voor andere vrome reizigers. De pelgrim moest volgens Brasca op reis gaan om de heilige plaatsen in Jeruzalem en Bethlehem te bezoeken en te bewonderen, en te contempleren over sterien die zich daar hadden afgespeeld. Hij moest zoveel tranen storten dat Jezus hem genadig al zijn zonden vergaf. Degene die aangelokt werd tot de pelgrimage uit nieuwsgierigheid naar verre streken, interessant-doenerij of uit ambitie, mocht zich eigenlijk geen pelgrim noemen.

Uit het feit dat de Milanees de nadruk legde op vermaningen hoe een pelgrim zich niet behoorde te gedragen, blijkt dat de christelijke motieven van de reizigers nog weleens door wer ondervleugeld werden.

De meeste pelgrims trokken erop uit met gemengde gevoelens. De gevaarlijke reis doorbrak de monotonie van het dagelijks bestaan en onderweg naar het Heilige Land - pelgrimsoord par excellence - deed men (soms) voordelige zaken. Daarnaast versterkte een bezoek aan de plaatsen waar Jezus en zijn discipelen geleefd en geleden hadden het geloof; het schonk troost en maakte het passieverhaal inzichtelijk. In Palestina kon men ervaren hoe hemel en aarde elkaaakten.

Een goed voorbeeld van een pelgrim die met een mengeling van motieven de reis naar het Zuiden ondernam, was graaf Willem IV van Holland.

Willem was een krijgszuchtig man die volgens een tijdgenoot altijd bereid was de wapens op te nemen. Dit demonstreerde hij door al op jonge leeftijd in de Honderdjarige Oorlog mee te vechten. In februari 1343 kreeg hij tijdens een toernooi in Londen het idee om de Saracenen in Spanje te bevechten, en in april en mei van datzelfde jaar was hij inderdaad in Granada te vinden. Nauwelijks terug van zijn Spaanse trip, vertrok hij op 8 augustus al weer naar het Heilige Land. Willem maakte tussen 1343 en 1344 de pelgrimage naar Jeruzalem. In zijn gevolg reisde een stoet ridders en knechten mee.

REKENINGEN

In het Koninklijk Penningkabinet is momenteel een tentoonstelling te zien over deze pelgrimage en de veldtocht die Willem in aansluiting daarop tegen de 'heidense' Litouwers in Pruisen ondernam. Als b voor de tentoonstelling diende het kasboek dat tresorier Johannes van Nederhem in opdracht van Willem met grote nauwkeurigheid bijhield. Uit de rekeningen die Van Nederhem onderweg uitschreef, de transacties met geldwisselaars in verschillende landen, geschenken die onderweg werden gekocht of aan gastheren gegeven werden, valt niet alleen met grote precisie de reisroute af te lezen, maar wordt ook veel duidelijk over de ewoonten van een middeleeuwse, adellijke pelgrim.

Willems pelgrimage is op de expositie in verschillende geografische trajecten onderverdeeld. Veertiende-eeuwse valuta van iedere landstreek die Willem aandeed, liggen in vitrines uitgestald: we zien gouden Franse paviljoenen, Venetiaanse dukaten, Cypriotische besanten en Arabische dirhems. De munten worden opgeluisterd door geldbuidels, een schatkistje en (niet-oorspronkelijke) afbeeldingen uit het reisverslag van rond 1410 van Jean de Mandeville.

Zoals al gezegd vertrok Willem op 8 augustus 1343 uit de Nederlanden. De kolonne ging te paard via Lotharingen en Zwitserland over de Sint Gotthard naar Milaan. Het gezelschap arriveerde hier juist toen het dochtertje van Lucchino Visconti geboren werd. Willem viel de eer te beurt om peetvader van het kind te worden. Als tegenprestatie moest hij wel met een doopgeschenk van duizend royalen (een zesde van de totale meegebrachte som geld) over de brug komen, wat de post 'onvoorzien' in Van Nederhems kasenorm deed stijgen. Men stalde de paarden in de buurt van Padua en ging in Venetie op zoek naar een gallei die de stoet over zee naar de Syrische kust kon varen. De route over land was in Willems tijd in ongebruik geraakt vanwege het opdringen van de Turken op de Balkan.

Op 31 augustus gingen de ridders en knechten aan boord van een Venetiaans schip. Zonder door piraten overvallen of door zwaar weer uit de koers geslagen te worden, zeilde men langs de Adriatische en Griekse kusr Cyprus. Daar zette Willem zijn lager personeel af, want hij vond het ongepast om in gezelschap van ondergeschikten het Heilige Graf te bezoeken. Met een select groepje edelen ging Willem op 3 oktober bij de Syrische kust aan land.

Jammer genoeg komen wij over Willems activiteiten in Palestina weinig te weten. Het blijft onbekend welke sensatie Willem onderging toen hij aan het graf van Christus in de Heilige Grafkerk in Jeruzalem stond.

Knaagde de gedachte aan de vele tegenstanders die hij om zeep had geholpen e 'onchristelijke' intriges die hij thuis in Holland voerde aan zijn geweten, of versterkte deze hem alleen maar in zijn toekomstplannen? Dacht hij aan de bedienden die hij zo onbarmhartig op Cyprus had achtergelaten of aan de Hollandse gewesten die door zijn escapades zo zwaar belast werden? Deze gedachten waren Willem waarschijnlijk vreemd, want als afsluiting van de pelgrimage had hij al een andere tocht gepland: op de terugreis zou zijn stoet en passanelnemen aan de winterveldtocht in Pruisen tegen de niet-christelijke Litouwers. Deze winterveldtocht was een jaarlijks terugkerend evenement waar veel Westeuropese ridders voor hun vermaak op af kwamen. De campagne werd altijd 's winters gehouden omdat het moerasland in het noorden dan begaanbaar was.

Inkopen Eind oktober aanvaardde Willem met zijn ridders de terugreis vanuit het Heilige Land. De wind was voorspoedig en men kwam op 25 november weer in Venetie aan. Uit de reisrekening blijkt dat Willem hier groinkopen deed. Op 5 december - nog net voor de Alpenpassen onbegaanbaar werden - was het gezelschap uitgekocht. Via Wenen, Brno en Breslau arriveerde Willem op 6 januari 1344 in Thorn. Na enkele weken van feesten en sociale verplichtingen die ook al een aanslag op de schatkist betekenden, begon de eigenlijke campagne tegen de Litouwers. Op 10 maart was de actie alweer voorbij en reisde Willem via de Oostzeekust terug naar Holland.

taal kostten Willems pelgrimstocht en veldexpeditie ongeveer 2400 pond Groten, een bedrag dat omgerekend een waarde van 24.000 gouden tientjes heeft. Uit Van Nederhems kasboek blijkt dat de kosten van de expeditie veel hoger lagen dan men aanvankelijke gedacht had. Al in Italie bleek het meegenomen geld niet voldoende te zijn en moest er geleend worden. Dit werd de verdere reis gewoonte. Voor de souvenirs die Willem kocht, de gages van zijn ondergeschikten, de huur van de Venetiaanse gallei e vertoon van praal binnen het Pruisische kampement: voor alles moest hij bij geldschieters aankloppen. Bij terugkomst in Holland lag het land er uitgemergeld bij. Toch weerhield dat Willem er niet van om nog twee maal naar Pruisen op te marcheren, Keulen en Utrecht te belegeren en in 1345 een vlootexpeditie naar Friesland maken, die hem uiteindelijk fataal werd. De schatkist was toen tot op de bodem leeg.