Oude rommel; Op jacht naar antiek in de Chinese provincie

Het mes van Li snijdt aan twee kanten. ''De boeren hier op het platteland weten niets van Chinees antiek, ze en het voor een gering bedrag van de hand. En jullie westerlingen zijn dol op onze oude spullen, jullie leggen er een vermogen voor neer.''

Li is handelaar in antiek, hij oefent zijn beroep clandestien uit. In een wanhopige poging de Chinese kunstschatten binnen de grenzen te houden, heeft het communistische regime aan de antiekhandel strenge eisen gesteld. Niettemin vinden dagelijks vele Chinese oudheden op slinkse wijze een weg naar Hongong.

Er is in China een uitgebreid netwerk van antiekdealers. Zij stropen, in opdracht van kopers uit Hongkong, het Chinese platteland af. De goedkoop verworven voorwerpen worden door anderen de grens over gesmokkeld, en vinden via Hongkong hun bestemming in Europa en de Verenigde Staten. De voorwerpen zijn vaak al generaties lang familiebezit, soms zijn ze opgegraven bij een oude tempel. De handelaren kopen ze voor enkele tientallen yuans (een yuan isongeveer veertig cent), de Europeanen betalen uiteindelijk tienduizenden dollars.

Al in de zestiende eeuw werden in de keizerlijke porseleinfabrieken produkten voor de export vervaardigd. Families handelden generaties lang in antiek. Het door Li beschreven netwerk van antiekhandelaren is echter pas ontstaan na de Culturele Revolutie. Li: ''De Hongkongers die toen begonnen zijn nu rijk. Het bekendste voorbeeld is de zwager van Liu Shaoqi, ooit de rechterhand van Mao. Hij begaf zich i het begin van de jaren zeventig naar het Chinese platteland. Daar zag hij in een dorp een kind dat met een schaal aan het spelen was. Hij gaf het kind tien yuan en nam de schaal mee naar Hongkong. Zijn vondst bracht acht miljoen yuan op.''

Hoezeer de antiekhandel in Hongkong bloeit, bleek toen daar vorig jaar een deel van een collectie van duizend snuifflesjes werd geveild. De oude parfumflesjes, vaak gemaakt van glas en aan de binnenkant beschilderd volgens een traditionele Chnese techniek, waren door een echtpaar in de loop der jaren gekocht in verscheidene antiekwinkels van Hong Kong. Het echtpaar dat per flesje vrijwel nooit meer had betaald dan - omgerekend - dertig gulden, verkocht het eerste deel van de collectie voor ruim een miljoen dollar.

Oude, waardevolle voorwerpen mogen in China slechts op speciale plaatsen worden verkocht. De overdekte markt rond de poort van de Hemelse Tempel in Peking bij voorbeeld. Daar worden verigens ook modernere Chinese curiositeiten verkocht, zoals wekkers uit de tijd van de Culturele Revolutie - met een poppetje dat op de maat van het getik een rood boekje heen en weer zwaait. ''Allemaal rommel om toeristen op te lichten'', meent Li. In de staats-antiekwinkels worden, zo zegt hij, schandalig hoge prijzen gevraagd.

Ook zijn er speciale staatsbureaus die families advies verlenen wanneer die hun antiek willen verkopen. Li: ''Als je daar aankomt met een vaas uit de Ming-dynastie [1368-1644], gaan ze je hele stamboom na om te controleren of je betovergrootouders het voorwerp al in hun bezit hadden. Wij handelaren hoeven bij die bureaus niet aan te kloppen.'' Dus ziet Li zich gedwongen zijn spullen stiekem in dorpjes te zoeken en ze illegaal te verkopen.

Moslimdorpje Op een ochtend neemt hij me uit Peking mee op zo'n zoektocht op het platteland. We gaan naar een moslimdorpje. Li's grootouders, overtuigde moslims,hebben er gewoond, zijn tante woont er nog steeds.

Zelf gelooft Li niet in de islam. ''Dat is niets voor stadsmensen.'' In het dorpje is alles aardebruin. De huizen zijn in verhouding groot, ze hebben twee of drie kamers, gelijkvloers. Voor elk huis een binnenplaats, eromheen een hoge muur. Alleen de bordjes met Arabische opschriften verraden een islamitische achtergrond. Een huisje doet dienst als moskee, de vorige is tijdens de Culturele Revolutie vernietigd. Li's tante blijkt niet thuis te zijn, een pobleem, want zonder het gezelschap van een dorpsbewoner is het moeilijk bij de mensen binnen te komen. Uieindelijk biedt zich een gids aan: een grote kale besnorde man met een tatoeage op zijn arm - een groene draak. Die pijnlijke schildering heeft hij in de gevangenis laten aanbrengen, waar hij zes jaar heeft vertoefd. Waarom hij is veroordeeld wil hij niet zeggen. ''Wat?'' vraagt hij Li. ''Doeje nog steeds in antiek?

Nou, daar heb ik geen verstand van. Ik heb nu goede connecties in het zuiden en ga daar binnenkort hasj verhandelen. Dat levert veel meer op.''

Voordat de zoektocht begint nuttigen we in het kleine houten dorpsrestaurant een overvloedige maaltijd. Als ik na drie uur tafelen en het aanhoren van sterke verhalen het ongeduld voel opkomen, komt de plaatselijke partijleider binnen, een kleine man in een blauw Mao-pak - de kleurrijke grote-stadsmode heeft het dorpje nog onberoerd gelaten. De nieuwe gast wordt aan tafel genood, want onze gids wil hem graag een persoonlijk probleem voorleggen. ''Mijn buurman wil een huis bouwen dat hoger is dan het mijne. Dat kan toch niet, dat is toch vragen om ongeluk'', klaagt hij. De partijleider belooft de zaak te onderzoeken.

BARSTJES

Nu is het tijd voor de antiekjacht. Het is een tijdrovend ritueel: voordat het tot onderhandelen komt is in het huis van de potentiele verkoper een theesessie vereist, waarbij Li moet vertellen wie zijn grootouders zijn. Na zijn uitleg knikken de bewoers tevreden, Li is nu een van hen. Als hem naar de reden van mijn aanwezigheid wordt gevraagd, is zijn uitleg: ''Dit is mijn kleine zusje, ik help haar altijd. Ik zeg maar: buitenlanders zijn ook mensen.''

Het eerste huis dat we aandoen, is dat van Li's tante, die intussen is teruggekeerd. Op een oud dressoir in een zijkamer treft de antiekhandelaar een mooie rode vaas aan. Aan de bovenkant ontbreekt een groot stuk. ''Ching-dynastie'', roept Li errukt uit. ''Wat jammer dan hij kapot is, kijk eens wat een prachtige barstjes in het glazuur.'' De kleur, 'ossebloed-rood', is een Chinese vinding. De kleurstof is gemaakt van kleine deeltjes koper, die met behulp van een bamboestokje op de vaas zijn geblazen.

Tante, een klein vrouwtje, ook al in blauw Mao-pak, heeft nog iets. In een keet aan de andere kant van de binnenplaats staat, naast de kolen en bedolven onder het stof, een zwarthouten stoel. ''Mis(JHschien honderd jaar oud'', fluistert Li me toe. ''Mondje dicht, dan neem ik 'm voor tien yuan mee.'' De gids trekt de stoel ruw omhoog waardoor de leuning loslaat. De interesse van Li is dan plotseling verdwenen. Als we het huis hebben verlaten, vraagt Li de gids beleefd de voorwerpen voortaan te laten staan.

In het volgende huis houdt de gids zich mokkend terzijde. Er woont een ouder boeren-echtpaar met een tweejarige kleinzoon. De ouders van het kind werken in de stad, ze komen een keer per maand op ezoek. Het kind staat in het middelpunt van de belangstelling. Opa en oma volgen tevreden zijn bewegingen, terwijl ze ons wijzen op zes witte vazen, beschilderd met felroze bloemen - die zijn in de verkoop. Twee ervan worden gebruikt als plumeauhouder, een als paraplubak. Li toont belangstelling: ''Voel eens over die beschilderde bloemen, helemaal geen relief. Prachtig.'' Hij schat de ouderdom van de vazen op tweehonderd jaar. ''Vierhonderd jaar'', meent de boer zeker te weten.

Hij komt, zegt hij, vaak in Peking; daar hebben ze hem verteld dat zijn vazen een paar duizend yuan waard zijn. De partijen komen niet tot elkaar. Li drinkt zijn glaasje thee leeg en we nemen beleefd afscheid. Als we buiten staan, zegt Li, klagend: ''Die vent weet te veel''.

Kang Het laatste huis dat we bezoeken is als een plaatje uit een oud Chinees boek. Op een grote kang, een stenen verhoging die met kolen wordt verwarmd en als slaapplaats van het gezin fungeert, staat nu een tafeltje, waar een tevreden kwetterend oud vrouwtje aan zit - het haar strak naar achteren getrokken, de voetjes ingebonden. Haar tachtigjarige man zit voor haar in de kamer, in een prachtige antieke stoel. Naast de kang een smalle, donkere tafel, net iets te lang; het uiteinde verdwijnt in een daartoe in de binnenmuur gehakt gat. Er staan twee porseleinen vazen op, wit met blauwe bloemmotieven. Ze dragen onderop het keizerlijk stempel: Ming-dynastie. Zelfs de periode staat erop: 'Chengde', daterend van 1506 tot 1521. ''Deze vazen werden vervaardigd in de keizerlijke fabrieken'', zegt Li. ''Maar omdat er iets aan mankeerde durfde men ze de keizer niet aan te bieden, dus kregen andere belangrijke mensen ze mee naar huis.'' Dit wit met blauwe porselein is de voorloper van ons Delfts Blauw, dat nu weer in China wordt gemiteerd; in alle Chinese cadeauwinkels kun je Hollandse boertjes en boerinnetjes kopen.

Bewonderend bekijkt Li de vazen. Jammer genoeg zijn de kleuren te licht, bovendien is een van de twee helemaal gebarsten. De oude bewoner van het huis laat terloops weten dat hij vroeger zes van dergelijke exemplaren had. De vier mooiste heeft hij verkocht, dertig yuan per stuk. We moeten allemaal even slikken. ''Ja, misschien had ik er meer voor moeten vragen'', zegt de oude man peinzend. ''Nou goed, deze mogen jullie voor vijftig yuan meenemen.''

Als we toch met lege handen het huis hebben verlaten, klaagt onze ids dat Li de hele dag niets heeft gekocht. ''Hongkongers willen alleen het allerbeste'', legt Li hem uit. ''Diep in de provincie is dat makkelijker te vinden. De voorwerpen hadden te veel mankementen.

Bovendien waren ze te groot, veel te moeilijk om ze de grens over te smokkelen.''

MOOIE RUIL

Na onze vruchteloze zoektocht staan we voor een nieuw probleem: hoe terug te komen in Peking. Het is vijf uur 's middags, er rijden dus geen bussen meer. Onze gids weet echter het dorpsvoertuig op de kop te tikken: een motorfiets, met erachter een overdekte bak op wielen.

Lawaaiig tuffen we naar het dichtstbijzijnde station. Terwijl we daar op de trein wachten, droomt Li alweer van antiek. ''Daar in het oosten ligt het graf van keizerin Cixi, die in het begin van deze eeuw overleed. Dat heeft de plaatselijke bevolking heel wat opgeleverd. Ze hebben de mooiste dingen in huis, allemaal uit dat graf gehaald. En daarginds'' - hij wijst nu de andere kant op- ''stond vroeger een keizerlijke porseleinfabriek. Ook daar hebben de mensen veel antiek.''

Li zou wel op het platteland willen wonen. In de stad is het leven van een antiekhandelaar maar moeilijk. Grote bedragen kan hij er niet uitgeven, dat zou hem verdacht maken. ''Allemaal de schuld van de regering,'' zegt hij. ''Toen mijn grootouders hier woonden waren ze rijk, antiekhandelaren stonden in hoog aanzien. Tijdens de Culturele Revolutie heeft mijn vader alles verloren. Ikeb alleen zijn kennis geerfd.''

Als Li een week later opbelt blijkt ons uitstapje voor hem toch een prettig staartje te hebben gehad. Hij heeft inmiddels van de oude boer de te lange tafel gekocht en die meteen doorverkocht aan een buitenlander. Winst: duizend yuan. ''Mooie ruil'', schettert hij door de telefoon. ''Wij de nieuwste technieken van jullie, jullie de oude rommel van ons.''