OOST-EUROPA ANDERHALF JAAR LATER; Wie kan er aandelen of een bedrijf kopen als de boter al onbetaalbaar is?

Anderhalf jaar geleden begonnen de Oosteuropeanen aan hun hervormingen. Dat het een moeilijk, pijnlijk en langdurig proces zou worden, wist iedereen, maar niemand wist precies hoe moeilijk, hoe pijnlijk en hoe langdurig. Een overzicht van de stand van zaken op dit moment bij het kernpunt van de hervormingen: de privatisering.

POLEN

De theorie van Leszek Balcerowicz, de Poolse vice-premier en chef-hervormer, klonk begin vorig jaar zo makkelijk, zo overtuignd en zo logisch: als staatsbedrijven niet langer worden gesubsidieerd en als hun verliezen niet worden aangevuld gaan ze bankroet en kunnen ze ofwel verdwijnen of worden geprivatiseerd.

De werkelijkheid, zo is na anderhalf jaar wel duidelijk, is ingewikkelder. De kleine privatisering viel mee: alleen vorig jaar werden er in Polen een half miljoen privebedrijven geregistreerd, en bepaald niet in alle gevallen ging het om kleine bedrijven. Het warenhuis BAS, gevestigd in het aartslelijke Cultuurpaleis in Warschau, telt 130 werknemers, tot en met een pianist die de klanten met vertrouwde deuntjes als My Way het winkelen veraangenaamt.

Maar in de grote privatisering dreigen de Polen zich te verslikken: iedereen heeft het uithoudingsvermogen van de staatskolossen onderschat. Niemand heeft geweten met hoeveel inventiviteit de managers van die staatsbedrijven - achtduizend in getal, waarvan vijfhonderd zeer grote - het leven hebben kunnen rekken door onderdelen van de bedrijven te verkopen, het personeel in te krimpen, de produktie te stroomlijnen en allerlei reserves aan te spreken. Het lijkt duidelijk: de staatsindustrie gaat niet zomaar vanzelf dood, in elk geval niet zo snel als de hervormers hadden gehoopt en verwacht.

Het is een reden waarom het met de grote privatisering in Polen hapert. Een andere is geldgebrek. De Polen beschikken door de diverse prijsexplosies van de laatste jaren net meer over het geld om zich aandelen te kunnen veroorloven. Toen in januari vijf goedlopende staatsbedrijven werden geprivatiseerd was weliswaar de belangstelling groot, maar bleek de gemiddelde investeerder maar omgerekend 185 gulden in de nieuwe geprivatiseerde bedrijven te hebben gestoken: meer zat er niet in. En dat is slecht nieuws voor Balcerowicz, die nog achtduizend staatsbedrijven in de aanbieding heeft. Bovendien zijn de Polen, misschien nog meer dan elders, allergisch voor de mogelijkheid dat hun “nationaal bezit” in handen raakt van buitenlanders. De vrees voor een “uitverkoop” van Polen staat massale investeringen in staatsbedrijven vanuit het buitenland niet toe.

De problemen met de grote privatisering, gecombineerd met andere moeilijkheden als de daling van de produktie in de staatssector als gevolg van prijsstijgingen en het inzakken van de Sovjet-markt, heeft de regering van premier Jan Krzysztof Bielecki er inmiddels toe gebracht het parlement een ultimatum te stellen: als nieuwe, belangrijke hervormingswetten niet uiterlijk op 15 juni zijn aangenomen, treedt hij af, met zijn hele kabinet. Die wetten hebben betrekking op de snelle privatisering van duizend staatsbedrijven voor het eind van dit jaar. De eerste vierhonderd bedrijven, die al deze zomer moeten worden geprivatiseerd, nemen een kwart van de produktie van de staatsindustrievoor hun rekening en bieden twaalf procent van de Poolse beroepsbevolking werk. Een ander voorstel beoogt banken te verbieden bedrijven die niet levensvatbaar zijn nog krediet te geven.

Begin mei is alvast een begin gemaakt met de uitvoering van de plannen: 243 middelgrote staatsbedrijven zijn geleased aan prive-ondernemers. Het is kapitalisme zonder kapitaal: de ondernemers nemen de bedrijven geleidelijk over.

Een ander obstakel voor de snelle privatisering is het geldgebrek van de regering. Dat heeft haar gedwongen, grenzen te stellen aan de compensatie waarop Polen wier bezittingen door de communisten zijn onteigend, aanspraak kunnen maken. Zo is bepaald dat alleen schadeloosstelling wordt betaald waar nationalisatie in strijd was met het toen geldende recht. Talrijke Polen, die hun bezittingen zijn kwijtgeraakt op grond van onrechtvaardige, maar geldende stalinistische wetten, krijgen als gevolg daarvan niets. Bovendien wil de regering geen compensatie betalen in geld of in natura, maar in bonnen waarmee straks aandelen van geprivatiseerde staatsbedrijven kunnen worden aangeschaft. En van die bonnen moeten de voormalige bezitters niets hebben: ze eisen geld, of hun vroegere bezittingen.

TSJECHOSLOWAKIJE

Ook de Tsjechoslowaakse regering schippert moeizaam tussen de principes van de rechtvaardigheid en de imperatieven van de economie.

Bedrijven, zo is bepaald, kunnen pas worden geprivatiseerd als vaststaat dat er geen oude eigenaars meer rndlopen die aanspraak op hun vroegere bezittingen kunnen maken. Onlangs zijn alle Tsjechoslowaken uitgenodigd hun eventuele aanspraken te melden. Tot de afwikkeling van al die zaken - men houdt rekening met maximaal 750.000 verzoeken om teruggave - ligt de privatisering voor een belangrijk deel stil: een vertraging die de hervormers maar moeilijk kunnen accepteren. De economische situatie verslechtert snel en de problemen die de bedrijven ondervinden nu het privatiseringsproces stokt (en de Sovjet-markt is ingestort) komen tot uitdrukking in de koele cijfers: de produktie daalt snel en nog sneller stijgen de schulden tussen bedrijven onderling; in oktober waren die noodlijdende bedrijven elkaar 35,9 miljard kroon schuldig, vier maanden later al 80 miljard kroon.

De Tsjechoslowaakse Balcerowicz, Vaclav Klaus, had al in de herfst van vorig jaar willen beginnen met de privatisering van kleine staatsbedrijven, vooral in de sectoren handel en dienstverlening. Maar verzet in eigen kring - Burgerforum - leverde vertraging op: pas in januari werd een privatiseringswet aangenomen en sindsdien is de kleine privatisering snel op gang gekomen: tot mei werden rond duizend winkels en restaurants geveild. Dat lijkt veel, maar Tsjechoslowakije telt 100.000 van zulke bedrijven en zelfs als men het huidige tempo zou aanhouden (en dat doet men niet gezien die 750.000 mogelijke claims), zou de staat pas over jaren van zijn kleine bedrijven af zijn.

De privatisering van de 4.500 grote staatsbedrijven is onvergelijkbaar veel moeilijker. Het is de bedoeling ze op te delen in kleinere eenheden, die vervolgens aandelen uitgeven. Inmiddels is een aantal ministeries in Praag opgedragen binnen een maand lijsten op te stellen van meer dan drieduizend bedrijven die voor privatisering in aanmerking komen. Buitenlandse en Tsjechoslowaakse investeerders concurreren op voet van gelijkheid (in tegenstelling tot de kleine privatisering, waar buitenlanders pas in aanmerking komen als er geen Tsjechoslowaakse belangstellenden zijn). Dat de kapitaalkrachtige buitenlanders in het voordeel zijn en nu al de krenten uit de pap halen heeft veel kwaad bloed gezet. Volkswagen heeft zich al meester gemaakt van de Skoda fabrieken en het grote glasbedrijf Sklo Unie is al opgekocht door het Belgische bedrijf Glaverbel. De regering vindt dat niet erg, omdat buitenlandse deel- of overname de aansluiting op de wereldmarkt vergemakkelijkt. Maar veel Tsjechen en Slowaken denken daar anders over.

Aan de andere kant: zij hebben zelf te weinig geld om 's lands staatsbezit op te kopen, ook niet als ze dat staatsbezit met vouchers tegen fors gereduceerde prijs krijgen. Elke Tsjechoslowaak kan, wanneer de grote privatisering eindelijk van start gaat (deze herfst, zo wordt gehoopt), voor 2.000 kroon (125 gulden) bonnen kopen die kunnen worden omgeruild voor aandelen. Hoeveel aandelen die bonnen opleveren staat nog niet vast. Maar ook dan zijn die Tsjechoslowaken niet in staat die 4.500 staatsbedrijven over te nemen: buitenlandse deelname is onvermijdelijk.

BULGARIJE

In vergelijking met Polen en Tsjechoslowakije staat Bulgarije nog maar aan het begin van de privatisering, ook de kleine: de vertraging, in 1990 opgelopen door late verkiezingen en de vorming van een controversiele regering van ex-communisten, speelt de Bulgaren parten.

En die vertraging is nog niet voorbij, wantin september gaan de Bulgaren weer ter stembus en het huidige kabinet van premier Popov heeft dus ook weinig speelruimte en geen tijd. Daarbij komt dat de economische problemen in Bulgarije nog veel groter zijn dan in het noorden, niet in het minst door de afhankelijkheid van Bulgarije van de inmiddels ingestorte Sovjet-markt.

In de eerste fase van de hervormingen is getracht, de financiele stabiliteit te herstellen. Daartoe zijn de prijzen hervormd, flexibele wisselkoersen vastgesteld, de monopolies aan banden gelegd en buitenlandse kredieten opgehaald. De tweede fase, die van de privatisering, moet nog beginnen. In februari is beslist staatsbedrijven alleen via veilingen te verkopen, te beginnen met restaurants, winkels, ateliers, pompstations en kantoren. Het besluit tot verkoop kan alleen door de bedrijven zelf worden genomen, niet door de regering - een maatregel die gezien de Poolse ervaringen wel eens sterk vertragend zou kunnen werken. De opbrengst gaat voor dertig procent naar staats- en gemeentelijke investeringskantoren, voor dertig procent naar het investeringsfonds van het bedrijf zelf en dient voor de rest voor de aflossing van de schuld van de bedrijven aan de staat. Nieuwe privebedrijven hoeven verder niet te rekenen op tegemoetkomingen: ze worden geacht gewoon omzetbelasting, huur, douanetarieven en winstbelasting te betalen.

Daarnaast is er de belangrijke wet op het eigendom van grond - een heftig omstreden onderwerp in het agrarische Bulgarije. Ook hier bestond het dilemma tussen rechtvaardigheid en de wetten van de praktijk: moest de grond de voormalige eigenaren gegeven worden of de huidige bewerkers? Uiteindelijk heeft het eerste principe gewonnen. En dat is rechtvaardig, maar brengt nieuwe vertragingen met zich mee, omdat claims moeten worden ingediend, toegelicht, bestudeerd en toegewezen, tegen het verzet van de nog zeer machtige plattelands-nomenklatoera in. Sommigenverwachten liefst zes miljoen claims. Geen wonder dat de vroegere eigenaren hun grond in elk geval niet terugzien voor de volgende oogst en de kritiek op de wet nog niet is verflauwd. Volgens de critici is de wet niet uit te voeren en komt ze neer op een flirt met de kiezers. Een compromis, zo betogen ze, tussen wat rechtvaardig en wat economisch zinvol is gaat uiteindelijk ten koste van beide.

ROEMENIE

Anderhalf jaar na de revolutie van december 1989 moet de privatisering in Roemenie nog zo goed als beginnen. Er zijn weliswaar tienduizenden kleine privebedrijven, in driekwart van de gevallen winkels en restaurants, en er is ook een Unie van Particuliere Ondernemers, ondernemers worden ook aangemoedigd en genieten juridische erkenning, maar van werkelijk massale privatisering is nog geen sprake en het klimaat voor de particuliere ondernemer is in Roemenie uitgesproken moeilijk: er wordt veel geklaagd over hun banden met de zwarte markt (waarop ze vaak zijn aangewezen voor het kopen van spullen) en ze zouden gigantische winstmarges aanhouden en dus op kosten van de geplaagde consumenten rijk worden. Het zijn vooroordelen die sterk met het verleden samenhangen en nog lang een rol zullen spelen.

Daarnaast wordt de privatisering bemoeilijkt door structurele stoornissen in de economie, door het bestaan van een ondergrondse economie en door het geldgebrek bij de burger, die zich in de nieuwe particuliere winkels geconfronteerd ziet met fantasieprijzen. Het blad Romania Libera klaagde onlangs dat een jaar lang plastic flessen voor het voeden van baby's onvindbaar zijn geweest en dat ze, nu ze er weer zijn, duizend lei (16 dollar) per stuk kosten. “Een Duitser verdient 2.500 mark per maand en kan daar acht kleurentv's voor kopen. Een Roemeen verdient 6.000 lei per maand en kan zich zes zuigflessen veroorloven.” Als gevolg van de prijsexplosie is de consumptie van melk, vlees, boter scherp gedaald, die van vlees met dertig, die van boter met meer dan vijftig procent: de Roemenen kunnen zich geen boter meer veroorloven - wie zou in die omstandigheden aandelen of een bedrijf kunnen kopen?

Er is inmiddels sinds april een eerste particuliere commerciele bank met een kapitaal van drie miljard lei en vijftig miljoen dollar. De Tiriac Bank is voor een kwart eigenaar van naamgever en oprichter Ion Tiriac, de voormalige tennisster, de rest is eigendom van negenduizend aandeelhouders. Doel van de bank is het aantrekken van buitenlands kapitaal voor investeringen in de landbouw en de kleinschalige industrie.

Het enige gebied waarop wel druk is en wordt geprivatiseerd is de landbouw. En hoe: sinds in februari de nieuwe landverdelingswet van kracht werd, zijn in het kader van de grondverdeling al tien moorden, vijftien moordaanslagen en talloze andere misdrijven gepleegd. De wet voorziet in teruggave van grond aan de vroegere eigenaren. Maar vaak is dat niet mogelijk omdat de grond een nieuwe bestemming heeft gekregen, omdat de kavels zijn gewijzigd, omdat bewijs van vroeger eigendom niet te leveren is en omdat er meer belangstellenden dan hectaren zijn. Bovendien is er tot woede van de oude eigenaren een maximum aan de teruggave gesteld - tien hectaren - en verloopt de teruggave met veel bureaucratische rompslomp. Menigeen neemt dan liever het recht in eigen hand en pakt wat hij denkt dat hem toekomt.

In Maramures in het uiterste noorden is het zelfs tot lokale opstandjes gekomen: honderden boeren - etnische Oekraeners - zijn opgestaan tegen de lokale overheid, omdat “hun” land bij anderen is terechtgekomen, zijn naar de grens getrokken en hebben hun volksgenoten aan de overkant van de grens gevraagd een handje te komen helpen. De toestand liep dermate uit de hand dat president Iliescu een adviseur moest sturen in de boze boeren te sussen.

HONGARIJE

Privatisering zou in Hongarije pijlsnel kunnen verlopen. Nergens in het voormalige blok heeft de particuliere sector zoveel ruimte gekregen als in Hongarije: de winkeltjes, de bedrijfjes, de marktkramen, ze hebben goede tijden gekend naast de kwijnende monopolisten.

Ervaring in vrij ondernemerschap is er in ruime mate. Maar ook in Hongarije is de staatssector te groot om zich snel te laten ontmantelen. Op dit moment is de Hongaarse staat nog eigenaar van 90 procent van de bedrijven in het land. Over drie a vijf jaar moet het staatseigendom tot 50 procent zijn teruggebracht, aldus het economische programma dat de centrum-rechtse regering van premier Jozsef Antall afgelopen maart heeft aangenomen na tien maanden van wennen aan de macht en interne strijd.

Sinds maart vorig jaar opereert in Hongarije een Staatseigendomsbureau, vergelijkbaar met de Duitse Treuhand, dat is belast met de privatisering van de voormalige Oostduitse staatsbedrijven die nu bezit zijn van de Duitse overheid. In de eerste maanden van zijn bestaan haalde het bureau zich al meteen enkele stevige schandalen op de hals door delen van ondernemingen als Tungsram (het Hongaarse Philips) en HungaHotels tegen afbraakprijzen van de hand te doen. Inmiddels opereert het bureau veel omzichtiger, met de nodige stagnatie tot gevolg.

Die stagnatie wordt ook in de hand gewerkt door de aarzelende wijze waaropde regering-Antall wetten maakt om nieuwe eigendomsverhoudingen tot stand te brengen. Een daarvan, een zogenoemde Compensatiewet, leek eind april eindelijk te zijn aangenomen, na maandenlang getouwtrek en meer dan 400 amendementen. Op grond van de wet zouden ex-eigenaren van geconfisqueerde onroerende goederen schadeloos worden gesteld, waarna zij in een later stadium weer eigenaar zouden kunnen worden van land en bedrijven. Deze week vernietigde het Constitutionele Hof de wet op juridische gronden, zodat het weer maanden zal duen voordat een nieuw voorstel door het parlement is geloodst.

Als het aan de regering ligt, zal een niet nader vastgesteld deel van de Hongaarse economie rechtstreeks in handen komen van arbeiders. Een wet voor 'werknemers-aandelenbezit' ligt op dit moment bij het parlement. Volgens het wetsvoorstel, dat herinnert aan het verbleekte gedachtengoed over de 'derde weg' tussen kapitalisme en socialisme, moeten werknemers hun aandelen aanschaffen met ten minste 50 procent eigen geld, terwijl zij de andere helft zouden kunnen lenen. Niet bekend is tegen welke koers deze aandelen zullen worden uitgegeven. De verwachting is dat het werknemers-aandelenbezit geen hoge vlucht zal nemen: arbeiders beschikken doorgaans niet over grote sommen eigen geld en slechts weinigen zullen leningen met een rente van omstreeks 20 procent, de huidige koers, afsluiten om deel te nemen in doorgaans slecht renderende bedrijven.

Tot nu toe heeft het Staatseigendomsbureau twintig staatsbedrijven laten overgaan in particuliere handen. Aan de privatisering van 23 bedrijven wordt gewerkt. Samen vormen zij nog maar enkele procenten van het hele staatsbezit dat binnen enkele jaren voor de helft moet zijn geprivatiseerd.

Maar naast die enorme staatsklont van bedrijven ontwikkelt zich in Hongarije in een hoog tempo een privesector van nieuwe ondernemingen.

In het afgelopen jaar is hun aantal bijna verdubbeld, van 16.000 nar 30.000. In omvang zijn ze nog klein: 60 procent heeft minder dan twintig werknemers en nog eens 15 procent heeft tussen 20 en 55 mensen in dienst. Belangrijk is echter dat zij een nieuwe structuur ontwikkelen voor de Hongaarse economie. En, ten minste zo belangrijk, als proeftuin fungeren voor aarzelende buitenlandse investeerders.

Want hoewel Hongarije inmiddels het meeste Westerse kapitaal heeft aangetrokken van alle ex-bloklanden, inclusief de Sovjet-Unie, is het aandeel va de harde valuta in absolute cijfers nog altijd gering. In de nieuwe bedrijven is vorig jaar voor 1 miljard gulden aan buitenlands geld genvesteerd. En de verwachting voor 1993: 2 miljard.