Onkruid

Te benijden zijn zij, die geen kruid en onkruid van elkaar kunnen onderscheiden; nimmer zullen zij begrijpen waarom tuiniers zich zo bitter beklagen over het wieden.

Nog niet zo erg lang geleden behoorde ik zelf tot die gelukkige categorie en nog duidelijk zieik mijn vader voor mij, knielend op een groene rubberen mat over een bloemperk gebogen, om dan moeizaam overeind te komen en zuchtend zijn rug te wrijven. Dat wieden intrigeerde mij als kind; niet dat de noodzaak ervan boven mijn bevatting ging, maar die gaten rauwe aarde waar eerst een sappig groen was geweest, leken mij een povere compensatie voor zoveel inspanJH)ning.

Onder de vele uitmuntende tuinboeken van Gertrude Jekyll is er een dat speciaal voor kinderen is bestemd: Children and Gardens, een enthousiast geschreven boek, verschenen in 1908, met niet alleen ontroerende herinneringen aan haar eigen kinderjaren van zestig jaar eerder, maar ook vol nuttige uitleg over allerlei kwesties die in de volwassen literatuur niet aan de orde komen omdat zij bekend worden verondersteld. Zoals het feit dat sommige soorten onkruid al in februari verschijnen, ''hoewel, als je hoofd in februari nog niet naar tuinieren staat, dan is het niet zo erg als je wacht tot maart voor je begint met jacht op ze te maken''. Dat trof mij als een plezierige benadering en ongetwijfeld zou de maartse campagne een kalme en vrij pijnloze onderneming zijn geweest. Maar helaas bleef ik steken in mijn vroegere tuinloze gewoontes en het was al eind mei voor ik aan dat onkruid toekwam.

Jekyll schrijft met verve over de onaangename gewoonte, die sommige onkruiden hebben, om hun zaad er van de ouderplant af te catapulteren; te oordelen naar de staat van onze tuin moet dat sinds februari hier en daar op aanzienlijke schaal zijn gebeurd. Er is er speciaal een die een serie explosieve hink-stap-sprongen moet hebben gemaakt (zodat je bijna een knal kunt horen als je er naar kijkt) naar de verste uithoeken van de tuin, met inbegrip van baksteenafzettingen en grind.

Het is een plantje dat wat lijkt op een van Gertrude Jekylls tekeningen in dit boek: een plant die zij beJH)schrijft als Hairy Bitter Cress, (kleine veldkers, Cardamine hirsuta); maar er zijn twee kleine complicaties. De eerste is dat onze varieteit volstrekt niet behaard is, tenminste voor zover zichtbaar met het blote oog, en de tweede is dat ik altijd de grootste moeite heb onbekende planten te identificeren met behulp van tekeningen.

Je kunt planten vinden die er precies zo uitzien als iets op een tekening of zelfs foto en dan blijkt het iets totaalanders te zijn. In onze tuin groeide een struik waarvan niemand wist wat het was; afbeeldingen hadden ons overtuigd dat het een soort camelia moest zijn. Toen hebben we een tak meegenomen naar Boskoop; de kweker bekeek hem even en hielp ons beleefd uit de droom; het is waar dat het, als je het eenmaal wist, niets anders kon zijn dan een kardinaalshoed. Dat is het zonderlinge: het identificeren van een plant die ik al ken kost mij geen enkele moeite, zelfs aan de hand van een slechte tekening; 'kennen is herkennnen' - je vraagt je af hoe de mensen ooit iets nieuws ontdekken.

Een ander opmerkelijk geval is gewoon gras: het grasveld, in weerwil van alle bijvoeding en zorg die er aan wordt besteed, ziet er niet half zo tierig uit als de plukken gras in het grind, die zich ook even enthousiast lijken te vermenigvuldigen als Gertrude Jekylls onkruid.

Zo was de begrinte ruimte onder de beuk getapijt met pollen stevig gras dat al in het zaad was geschoten, een opmerkelijk fenomeen op een plek waar je volgens lle experts niet hoeft te proberen een grasveld aan te leggen.

Toen het stadium bereikt was waarop een aantal van die pollen op het punt stonden met elkaar te versmelten tot zo'n onbestaanbaar grasveld, besloot ik dat er eindelijk eens iets aan gedaan moest worden. Gras is overigens een van de gemakkelijkst te verwijderen onkruiden: een vlugge schoffelbeweging onder de pol met het plantschepje, even trekken en het is er uit, tezamen met wat aarde die zich op mysterieuze wijze met het grind heeft vermengd. Ik dacht eerst dat het tuingrond was, afkomstig uit de bloembedden, in een onpartijdige uitwisseling met het grind dat tussen de planten terecht komt; maar in feite moet het vooral humus zijn, compost ontstaan uit organisch materiaal dat zich daar in de loop der jaren heeft verzameld. Deze toedracht was af te leiden uit het feit dat ook het grind op het platte dak van het tuinhuis vermengd bleek met een dikke laag arde, die alleen maar afkomstig kon zijn van de bladeren die vele opeenvolgende herfsten daar hebben gedeponeerd.

En nu zit ik dan zelf geknield op zo'n rubberen mat (sterk aanbevolen voor het wieden van grind tenzij je werkelijk wilt weten hoe het is om een pelgrimstocht te volbrengen op je knieen), bezig alles uit te trekken wat zich aan mijn oog vertoont, als een automaat. Hoe meer onkruid hoe bevredigender het werk, de emmer moet meermalen worden geleegd en het grind begint er zo maagdelijk uit te zien als op de dag dat het werd gestort (nou ja, afgezien van die compost ertussen).

Dan, opeens, keert traag en onwillig een zeker denkvermogen in de hersenen terug en je realiseert je, nog trager en onwilliger, dat zich tussen het onkruid dat je al met de vorige emmer hebt weggegooid iets van dezelfde soort bevond als wat nu bevend voor je staat: een zaailing van Viola labradorica, een prachtige en waardevolle plant die zo goed groeit in onze droge schaduw. Zij heeft fraaie donkerpaarse bladeren en kleine violette bloempjes, heel elegant afstekend tegen de gewone maartse viooltjes ernaast. Die plant heb ik van een vriendin gekregen; nooit ergens te koop gezien en dus dubbel waardevol. En nu heb ik domweg 50 procent van haar zaailingen vernietigd.

De fysieke bezigheid van het wieden gaat bij mij vrijwel altijd vergezeld van triviale gedachten: zinloos gemompel en geneurie in mijn hoofd, alsof monotone activiteiten begeleid moeten worden door monotone gedachten; mentaal onkruid als bijverschijnsel van het wieden. In plaats van interessante filosofische bespiegelingen malen er bijvoorbeeld stompzinnige melodieen door mijn kop, steeds weer opnieuw, van voren af aan, waarin iedere geciviliseerde gedachtengang wordt gesmoord. Op de dag dat ik het gras uit het grind wiedde was dat het onsterfelijke lied: 'Wij zijn Siamezen en een tweeling', afkomstig uit een Disney-film die ik vaker heb uitgezeten dan iemand voor mogelijk zou houden die geen kinderen heeft.

Waarom kan er door die inwendige radio niet voor iets van een ander gehalte worden gezorgd? Superieure geesten zijn vermoedelijk op een betere zender afgestemd - de Dood van Boris bijvoorbeeld, onverkort en in het Russisch. Ik zou zelfs de voorkeur geven aan die repeterende gedachten waar Nicholson Baker in The Mezzanine een overzicht van geeft, compleet met frequentie (oorpluggen, 150 keer per jaar; vrienden, heb er geen, 33 keer; papieren handdoek-automaten, 19 keer; vlekkenwater, geur van, 3 keer per jaar... etc.). Het enige dat bij mij opkwam is iets dat betrekking heeft op dit verschijnsel zelf (een gedachte die ik wel vaker heb: ik schat een keer of zes per jaar): dat Hannah Arendt elke dag na het middageten een uur ging liggen 'om na te denken'.