Nacompetitie een verhaal van uitgestelde dramatiek

De spanning in de eredivisie tussen de titelkandidaten Ajax en PSV loopt hoog op, maar een afdeling lager strijden zes clubs hun eigen strijd. Inzet: een plaatsje tussen de groten van het Nederlandse voetbal. Het perspectief is echter een of hooguit enkele jaren als schietschijf voor de gerenommeerde clubs te fungeren. Tenminste, als niet tijdig wordt voldaan aan de hogere eisen die Nederlands hoogste voetbalafdeling stelt. Want al te vaak blijkt het verhaal van de nacompetitie er een van de uitgestelde dramatiek.

ROTTERDAM, 1 JUNI. De huisarts A.G. Wit, destijds voorzitter van FC Wageningen, geldt als de geestelijke vader van de nacompetitie, toen nog als promotiecompetitie aangeduid. Wit beoogde met de invoering van een toetje voor de eerste divisie de spanning terug te brengen, aangezien de tweede divisie met ingang vanet seizoen '71-'72 was afgeschaft. “Je had twee factoren in het voetbal die het voor het publiek aantrekkelijk maakten: de kans om te promoveren en de kans om te degraderen. Aangezien die laatste mogelijkheid voor eerste-divisieclubs verviel, leek het me logisch om het andere spanningselement te verlengen. Het sloeg meteen aan, de promotiecompetitie beantwoordde aan de vraag die er bestond”, herinnert Wit zich.

Hoewel het voorstel op weinig weerstand stuitte en door de eerste-divisieclubs (logischerwijs) zelfs juichend werd begroet, zette de KNVB in het jaarverslag over het seizoen '71-'72 toch een vraagteken bij het experiment: “In theorie zou het kunnen voorkomen, dat een club in drie perioden praktisch geen winstpunt heeft behaald en in de laatste periode toch nog kansen heeft periodekampioen te worden, om daardoor mee te doen aan de promotiecompetitie.”

Enige profetie kan de voetbalbond niet worden ontzegd. Bij de verdeling van de peodes speelt de factor geluk een onmiskenbare rol.

En ook de nacompetitie zelf kent doorgaans een al even onvoorspelbaar als spannend verloop. Reputaties tellen niet; iedereen kan van iedereen winnen. Het meest opzienbarende voorbeeld is Heerenveen. De Friese club eindigde vorig seizoen op de zestiende plaats in de eerste divisie maar profiteerde van de nieuwe competitie-opzet, waarin voor het eerst zes periodes vielen te verdelen. In de eindstrijd rende de ploeg af met veel sterker geachte opponenten als NAC en Go Ahead Eagles. Uiteindelijk speelde Heerenveen tegen Emmen, de winnaar van de andere poule, om de directe promotie en won. Wellicht betaalt men dit seizoen echter al de tol voor de onverwachte promotie want degradatie uit de hoogste voetbalklasse dreigt.

In dat opzicht onderscheidt de ploeg van Fritz Korbach zich trouwens niet van een groot deel van zijn voorgangers. De cijfers spreken in dit verband boekdelen. Van de achttienclubs die sinds het seizoen '72-'73 via de nacompetitie promoveerden, daalden er zeven een jaar later meteen weer af naar het tweede niveau. NEC eindigde vorig seizoen als zestiende in de eredivisie maar ontsnapte ternauwernood via beslissingswedstrijden tegen Emmen, dat als verliezend finalist van de nacompetitie een herkansing kreeg op promotie. De overige klasseringen geven eveneens weinig hoop voor toekomstige promovendi.

Slechts vier keer wist de kampioe van de nacompetitie zich in het eerste eredivisiejaar bij de bovenste tien in de eindklassering te scharen. Daarna maakten ze kennis met de ongeschreven voetbalwet dat de volgende jaren eredivisie doorgaans moeizamer verlopen; het gemiddelde verblijf in de eredivisie bedraagt nog geen drie jaar. FC Den Bosch handhaafde zich het langst (zeven jaar) onafgebroken in het voetbalwalhalla.

Die statistische gegevens illustreren de overgangsproblemen die vrijwel jarlijks ontstaan. Een gevolg van onderschatting bij de nieuwbakken ere(:-)ist? “Bij ons in ieder geval zeker niet”, zegt Gerard Bouwer, voormalig voorzitter van DS '79, thans Dordrecht '90.

De Dordtse club wekte in het eredivisieseizoen '87-'88 medelijden op met een totaal van twaalf competitiepunten en honderd tegendoelpunten en werd linea recta naar de tweede garnituur terugverwezen. Volgens Bouwer was die rigoreuze terugval toe te schrijven aan de bewuste keuze om geen financiele escapades te ondernemen. “De nacom(JHpetitie leverde ons een slordige honderdduizend gulden op maar verder beschikten we niet over de middelen om het elftal te versterken. Dan moet je je niet laten verleiden door er krampachtig een half miljoen gulden tegenaan te gooien want daarmee red je het ook niet. Het budget werd opgeschroefd van negen ton naar 1,1 miljoen. Je weet dan dat je niet voor een stunt gaat zorgen in de eredivisie en dat lijfsbehoud moeilijk wordt maar dat spraken we als bestuur natuurlijk nie hardop uit.”

Slechts op het financiele vlak lijkt de nacompetitie derhalve aantrekkelijk voor de clubs die in de marge van het betaalde voetbal vertoeven. Een tijdelijke sprong uit de anonimiteit met als beloning een aardige zakcent toe. “Er wordt wel beweerd dat de nacompetitie een troostprijs is, maar het is de beste prijs die je kunt bemachtigen”, zegt Leen Looyen, de voormalige trainer van NEC. Met de Nijmeegse club nam Looyen in 1985 met succes deel aan et slotstuk.

Voor het laatste thuisduel tegen Excelsior, waarin promotie werd bewerkstelligd, trok NEC 20.000 toeschouwers. In totaal waren de drie thuiswedstrijden goed voor een toeloop van 40.000 voetballiefhebbers.

“Dat was dus kassa voor de club maar NEC heeft vervolgens de fout gemaakt zich niet aan te passen aan de normen van de eredivisie. In de euforie van het succes zijn de kwaliteiten van de spelers overschat en bleef het budget te beperkt.”

In het huidige systeem dreigen meer clubs door de mazen van de portieve selectieprocedure heen te glippen. Aan de twee jaar geleden door Rini van Loon, manager van Helmond Sport, voorgestelde invoering van zes periodes liggen vooral commerciele motieven ten grondslag. De sportieve vervlakking van het betaalde voetbal, waarin de voetbaldreumesen al na een serie van vijf succesvolle wedstrijden aan de eredivisie mogen ruiken, lijkt echter toe te nemen. “Maar je kunt het ook positief bekijken. Als het in een periode slecht gaat, is de pijn a weer snel over en komen er nieuwe kansen. En waarom mag een kleine club eigenlijk niet promoveren? Ik kan genoeg clubs opnoemen die aan het ene jaar eredivisie nog altijd hun bestaansrecht ontlenen”, verdedigt Van Loon zich.

Het is zoals dokter Wit het destijds al voor ogen had. Ironisch genoeg was het Wageningen dat tot twee keer toe (in 1974 en 1979) via zijn geesteskind promoveerde en met de daaropvolgende degradatie weer geconfronteerd werd met de harde realiteit van eredivisievoetbal.

“Maar dat is het mooie van de nacompetitie. Winnaars hebben de keus het succes al dan niet uit te buiten. De eerste keer leverde de promotie Wageningen twee ton op. De tweede maal sloten we het seizoen af met twee ton verlies omdat we ons niet ten koste van alles wilden handhaven. Het mechanisme is eigenlijk doodeenvoudig.” De nacompetitie blijft een grote gok.