In Atjeh is de oorlog nog altijd niet voorbij

BANDA ATJEH, 1 JUNI. “Weet u dat het hier oorlog is”, vraagt de student. Hij gaat van gebroken Engels over op Indonesisch en herhaalt het woord: perang - oorlog. Zijn ogen fonkelen alsof hij groot en vooral goed nieuws brengt. Ik ontmoet hem 's avonds op een pleintje in de oude stad van Banda Atjeh, een trefpunt van de jonge intelligentia. Een enkeling praat op gedempte toon over “de toestand”. Zonder het studentikoze glas bier, maar achter een glaasje kokosmelk. Want dit is Atjeh, waar het woord van de islamitische schriftgeleerden wet is.

Van die oorlog is in de provinciehoofdstad Banda Atjeh weinig te merken. Uit de luidsprekers van de Baturrahman-moskee, de mooiste van Indonesie, klinkt de oproep tot het avondgebed. Op het plein voor het gebedshuis herinnert een plaquette aan een andere oorlog. Op deze plaats sneuvelde op 14 april 1873 generaal Kohler, toen hij de Nederlandse troepen voorging in de aanval op Atjehers die zich hadden verschanst in de moskee. Die werd door Kohlers artillerie in de as gelegd. Tien jaar later gaf de Nederlandse gouverneur opdracht tot de bouw van een nieuwe moskee, een handreiking naar de intens gelovige Atjehers, die op dat moment waren gewikkeld in een perang sabil, een heilige oorlog, tegen de goddelozeHollanders.

De Nederlandse soldaten en marechaussees die in de veertig jaar durende Atjeh-oorlog zijn gesneuveld, liggen op Kher Khof. Dank zij een jaarlijkse bijdrage van de Stichting Oorlogsgraven zijn de zerken smetteloos wit en zijn de gazons keurig bijgehouden. “Voor onze kameraden, gevallen op het veld van eer”, staat er boven de toegangspoort, maar de Atjehers beschouwen de Nederlandse graven in Banda als hun eigen monument; het stille bewijs van hun taaie verzet.

Dieper in Atjeh is het nog steds oorlog. Langs de bochtige bergweg van de kustplaats Bireuen naar Takengon (Centraal-Atjeh) staat bij kilometerpaal 28 een monument voor de Atjehse vrijheidsheld Panglima, dat uitkijkt over een diep ravijn. Op 12 september vorig jaar stopte hier een vrachtwagen met in de bak 56 gedetineerden uit de militaire Rancong-gevangenis in Lhokseumawe, Noord-Atjeh. Ze werden uit de truck gehaald, met M-16 machinegeweren neergemaaid en in het ravijn gegooid, waar zi drie dagen later door dorpelingen werden gevonden.

De 56 zaten in Rancong op verdenking van deelneming aan de strijd van Atjeh Merdeka, een guerrillagroep die ijvert voor een onafhankelijk en islamitisch Atjeh. Wie er schoten? “Javaanse soldaten”, zegt menige Atjeher, “de slachtoffers kwamen rechtstreeks uit Rancong.” “De GPK”, zeggen de militaire autoriteiten in Banda Atjeh en Jakarta.

Pag. 5:

In Atjeh is het altijd oorlog

GPK is een Indonesische afkorting voor 'Bende van Onruststokers', de officiele aanduiding voor separatistische rebellen van Atjeh tot Irian Jaya.

De kortste weg van Takengon naar de kust is de 'KKA', zo genoemd naar de papierfariek Kertas Kraft Atjeh in Lhokseumawe, de hoofdstad van het district Noord-Atjeh. De 'KKA' is een logging road, een brede, half verharde weg door het tropisch regenwoud, waarlangs naaldbomen uit Centraal-Atjeh op lange opleggers naar de kust worden gereden om tot cementzakken te worden verwerkt. Onder de chauffeurs zijn Javaanse transmigranten, die hun dichtbevolkte eiland hebben verlaten om in Atjeh een nieuw bestaan op te bouwen.

Eind vorig jaar dook een groepje Atjeh-Merdeastrijders op uit het bos en schoot een Javaanse chauffeur dood. Begin april stopte zo'n 30 kilometer van Takengon een vrachtwagen langs de KKA. Eenenveertig mannen en vrouwen werden door hun gewapende bewakers uit de truck gehaald en doodgeschoten. Hun lijken werden gevonden in een kloof; een Atjeher wijst me de plek. Hoewel de leden van het executiepeloton geen uniformen droegen, weten dorpelingen uit de buurt zeker dat het om soldaten ging. Wie is wie? De GPK'ers dragen gestolen legeruniformen en de militaire commando's die vorig jaar werden ingevlogen uit Java, opereren nogal eens in burger. Dit is een vuile oorlog.

Sinds de langdurige strijd tegen Nederland (1873-1912), die in maart 1942, kort voor de Japanse inval, werd hervat, is het geweld niet meer weggeweest uit deze noordwestelijke uithoek van Sumatra. De Atjehers, door de Hollanders nooit helemaal verslagen, kozen in 1945 de kant van de Indonesische nationalisten. Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) was Atjeh het enige stuk van de Republiek dat de Nederlanders ongemoeid lieten. De regering in Kotaraja (nu Banda Atjeh) gaf obligaties uit in ruil voor goud en kocht daarvan een Dakota, het eerste vliegtuig van de Indonesische luchtmacht.

Ulama's In de tussentijd rekenden de Atjehers af met de leden van de eigen ambtsadel, die in de Nederlandse tijd alle bestuursposten hadden bezet. Aan het begin van de eeuw had de Leidse arabist Snouck Hurgronje het militaire bestuur over Atjeh aanbevolen om de islam ter plaatse te depolitiseren en de vanouds zeer invloedrijke ulama's (schriftgeleerden) te weren uit het bestuur. Na het vertrek van de Japanners heroverden de ulama's, met steun van de Atjehse bevolking, hun oude machtspositie. De adellijke Hulubalang werden uitgemoord. De religieuze notabelen kozen in 1949 echter niet voor een onafhankelijk Atjeh, maar voor aansluiting bij Indonesie.

Aan het begin van de jaren vijftig, toen Atjeh werd samengevoegd met de provincie Noord-Sumatra - het woongebied van de overwegend christelijke Batakkers - namen de Atjehers de wapens weer op, ditmaal tegen Indonesie. In die tijd braken er in de archipel overal opstanden uit, maar de Atjehers hielden het langst vol. Tot 1961, toen Atjeh de status kreeg van daerah istimewa, een bijzondere provincie met bepaalde vrijheden op het gebied van religie, onderwijs en adat (gewoonterecht), binnen het kader van de Indonesische wetten. Die bijzondere status houdt in dat de ulama's nauw worden betrokken bij de rechtsspraak, dat godsdienstonderricht ook op openbare scholen extra aandacht krijgt en dat de provinciale sterke arm zich bij de afhandeling van alledaagse vergrijpen laat leiden door de fatwa (voor islamieten bindende uitspraken) van de schriftgeleerden. Wie in Atjeh in het openbaar wordt betrapt op het gebruik van alcohol kan er op rekenen dat een politieman zijn glas kapot gooit.

In drie districten langs de Straat van Malacca - Pidie, Noord- en Oost-Atjeh - bleven echter haarden van onrust bestaan. Dit is het stamland van vooraanstaande families die tijdens de Atjeh-oorlog een groot aantal vrijheidshelden voortbrachten, martelaren in de strijd voor het geloof. Zij namen nooit genoegen met de bijzondere positie van Atjeh binnen Indonesie en bleven dromen van onafhankelijkheid. De meest onverzoenlijke notabelen behoren tot het geslacht Di Tiro, dat stamt uit de streek rond Tangse en Tiro, kampongs in het bergachtige achterland van het district Pidie. Tijdens de 'heilige oorlog' werden alle mannelijke leden van de familie uitgemoord door de Hollandse marechaussee.

Hassan Di Tiro, een telg uit de vrouwelijke lijn, beschouwde de Republiek Indonesie als een Javaanse voortzetting van de Nederlandse overheersing en proclameerde op 4 december 1976 de onafhankelijkheid van de imitische staat Atjeh. De gewapende arm van zijn 'regering', het Bevrijdingsfront van Atjeh-Sumatra, maakte de provincie jarenlang onveilig tot het Indonesische leger de guerrilla in 1980 neutraliseerde en Di Tiro uitweek naar Zweden.

De Atjeh-Merdeka-strijders vluchtten naar het buitenland, doken onder of trokken zich terug in de bergen. Daar werden hun rijen aangevuld met gedeserteerde soldaten en lieden van allerlei slag die om verschillende redenen op de vlucht waren voor de autoriteiten, varierend van marihuana-verbouwers tot ulama's die hetdonesische wereldlijke gezag niet erkenden. Maar de bevlogen harde kern bestaat uit Di Tiro's verwanten. Van de desa-bewoners in de omgeving krijgen zij hoofdzakelijk passieve steun; familieleden zorgen voor voedsel.

Het gaat om een soort ideologisch genspireerd banditisme. Een kleine groep fanatici en andere buiten de wet gestelden houdt zich schuil in de bergen. De passieve steun van de naburige dorpsbewoners wordt pas actieve steun als hun ein lot verslechtert en het toekomstperspectief van de fanatici aantrekkelijker lijkt dan de bestaande verhoudingen.

Zo is de strijd van Atjeh-Merdeka niet alleen een koppig restant van een voorbije oorlog, maar ook een barometer van het hedendaagse Atjeh.

In 1989 stak de guerrilla opnieuw de kop op, ditmaal op veel kleinere schaal dan voorheen. Groepjes verzetsstrijders overvielen politieposten en wapendepots van het leger en vermoordden Javaanse transmigranten. Voor de bestuurders in Banda Atjeh,e hun provincie willen ontwikkelen binnen Indonesisch staatsverband, en voor de machthebbers in Jakarta met hun obsessie voor nationale eenheid, zijn zij onruststokers, waarmee men geen pardon kent. Maar voor de student in Banda Atjeh, die een toekomst als werkloze tegemoet ziet, is 'de oorlog' gelukkig weer uitgebroken.