Hollands Dagboek: Max Arian

Max Arian werd geboren in 1940, in de Amsterdamse Jodenbuurt. Als jongetje moest hij onderduiken. Na enige omzwervingen in Zuid-Limburg kwam hij terecht bij de familie Micheels op de Molenberg in Heerlen. Hij was er heel gelukkig. Na de bevrijding haalde zijn moeder hem op en keerde hij terug naar Amsterdam. Hij studeerde politicologie, was tien jaar redacteur cultuur en is nu redacteur buitenland van het weekblad De Groene Amsterdammer. Hij is getrouwd met Maartje Schonfeld Wichers en heeft twee zoons, Jeroen (25 jaar) en Jasja (23), en een dochter, Adinda (17). Afgelopen week was hij in New York voor The First International Gathering of Children Hidden During World War II.

WOENSDAG 22 MEI

Riverdale is heuvelachtig, groen, er zingen vogels en er springen eekhoorntjes. Toch ligt het vlak ten noorden van Manhattan en het is echt een stukje New York. Sinds kort stopt de trein er weer. Twee buurvrouwen die ook naar de stad gaan, vragen wat ik in New York kom doen. Nee, ik ben niet op vakantie, ik ben hier voor een congres van ondergedoken kinderen. ''Ja'', zegt de jongste van de twee, ''ik ben ook een kind van Holocaust-survivors. Zo'n typische Holocaust-story; mijn vader had voor de oorlog al een gezin, iemand waarschuwde zijn eerste vrouw dat zij bij de selectie haar kindje aan een ander moest geven om haar eigen leven te redden, maar dat wilde zij niet. Zoiets als Sophie's Choice.''

Voor het eerst snap ik dat het misschien toch niet zo gek is dat hier, helemaal in Amerika, waar zoveel joden na de oorlog heen zijn gegaan, over onderduiken wordt gecongresseerd.

Voorlopig hoef ik nog alleen maar wat rond te lopen in New York. Daar geniet ik schaamteloos van. Op Broadway lees ik dat over een uur de matinee van de musical Miss Saigon begint. Helemaal uitverkocht, maar een plaats is er nog wel. Net als bij Les Miserables, van dezelfde makers, klinkt de muziek alsof je elk wijsje al ergens anders hebt gehoord, maar ze vertellen een ingewikkeld verhaal heel effectief en het heeft zelfs een zeer actuele moraal: de Amerikanen hebben die arme Vietnamezen, voor wie de American Dream het hoogste op aarde is, aardig in de steek gelaten en in de armen van de Chinezen (!) gedreven. Van dat schuldgevoel hebben de Koeweiti's dan aardig kunnen profiteren. Ik bel Adinda vanaf een telefoon op Broadway, zij vindt het wel 'te gek' om die geluiden van New York te horen.

s Avonds ben ik terug in Riverdale bij Zach en Del. Zach is architect en heeft het prachtige huis zelf ontworpen. Del is druk met concerten organiseren. Ik mocht meteen bij ze logeren, hoewel ze me helemaal niet kennen, maar hun gastvrijheid dreigt geloof ik wat uit de hand te lopen. Er logeren ook nog een Nederlandse professor en een Japanse componist en soms weten ze niet meer precies hoe hun gasten heten en door wie ze ook alweer zijn gestuurd.

DONDERDAG

Ik hol 's ochtends vroeg door dat mooRiverdale en kom per ongeluk in het park van een joodse school terecht; een brede veiligheidsagent met een keppeltje op wijst me keurig de uitgang. Manhattan vanaf het Empire State Building bekeken. Daarna op bezoek bij Rob van Schaik, de zoon van Jeanne van Schaik-Willing (Groene-medewerkster van 1918 tot 1984), maar ook ambassadeur bij de VN. Hij vertelt me over de plannen tot hervorming van de Verenigde Naties en de kanshebbers om seetaris-generaal te worden. 's Avonds weer naar een uitverkochte voorstelling: States of Shock, het nieuwe stuk van Sam Shepard. Een familiehotel. George en Barbara Bush zitten in smetteloos wit op hun eten te wachten. Een kolonel wil van een invalide ex-soldaat weten hoe zijn zoon is gesneuveld. Maar die jongen kan ook zijn zoon zijn, die hij heeft doodverklaard omdat hij niet wou vechten. ''Leve de vijand, die heeft ons weer bij elkaar gebracht!'' roepen ze om de beurt.

VRIJDAG

Vandaag naar Ellis Island om het uitzicht ope zuidpunt van Manhatten te zien en de nieuwe tentoonstelling over de immigranten die hier van 1892 tot 1954 aankwamen. 's Avonds laat Rhea me Greenwich Village zien, heel mooi, maar de yuppies hebben nu de kunstenaars verdrongen.

We praten over de Verenigde Staten waar wel geld is om een oorlog te voeren, maar niet om iets te doen aan het onderwijs, de gezondheidszorg of de huisvesting. Iedereen die ik spreek, rechts of links, iseel erg negatief over de VS. De overwinningsroes is al weer voorbij.

ZATERDAG

Del brengt me in haar auto over de George Washington Bridge naar New Jersey, naar m'n nieuwe logeeradres, dat door de organisatie van het congres is verzorgd. Arno woont in een kleine, ook al zo landelijke buitenwijk. Zijn huis is vol herinneringen en kunstvoorwerpen. Hij is zeventien jaar ouder dan ik, maar net zo goed een 'hidden child': hij werd in 1938 door zijn vader uit Berlijn naar Nederland gestuurd en moest daar onderduiken, hoewel n vader nog in 1942 via Portugal naar Amerika kon komen.

We gaan 's avonds veel te vroeg naar het Marriot Hotel, om ons in te schrijven voor het congres. Het is nogal een chaos doordat er in plaats van de verwachte paar honderd nu 1600 mensen komen. Er zijn meisjes van de organisatie die ons almaar in twee rijen willen zetten en hysterisch worden als dat niet lukt. Maar de deelnemers aan het congres hebben helemaal geen haast en vertellen elkaar alva over hun onderduik.

Een man vertelt over z'n oom uit Oldenzaal, die in oude metalen handelde: ''Hij verkocht ook aan de Duitsers en zoals alles wat hij verkocht was het rommel, zodat aan het oostfront de bunkers in elkaar stortten. Daarvoor werd hij door de Gestapo gezocht en dus was hij voor de illegaliteit een held. En dat heeft mij nou het leven gered.''

Bertjan Flim die bezig is aan een promotie-onderzoek over de in Nederland ondergedoken kinderen stelt me voor aan Hetty Voute van het Utrechtse Kindercomite, dat ide oorlog honderden kinderen heeft gered.

Zij roept meteen: ''O ja, Maxje Arian, die hebben we ook nog weggebracht. Weet je wel, Gisela?'' Gisela Sohnlein weet het niet precies meer, maar ze beloven er in Nederland verder naar te informeren. Het congres is nog niet eens begonnen.

ZONDAG

New York is volkomen leeg vandaag, de Amerikanen hebben een lang weekend. We zijn al om acht uur in het Marriot Hotel. Ik heb tassen vol spullen uit Nederland bij me. De folders v het ICODO (dat zich in Nederland over de oorlogsslachtoffers ontfermt), de brochures van de Walter Suskind Stichting (die deze mensenredder wil eren door kinderen in contact te brengen met kunst), kopieTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT en van m'n stukken uit De Groene en de nummers van het Auschwitz Bulletin raak ik kwijt. Maar het lukt me niet iets te doen met het jeugdboek van Bert Kok, 'Aan het Goede Adres', over het werk van de 'NV'-groep tijdens de oorlog, waar ik zo graag een Engelstaligeitgever voor had gevonden of de ontroerende film te draaien die Fons de Poel voor de Schooltelevisie heeft gemaakt. Ik kan alleen maar de Engelse vertaling van de tekst uitdelen, die we de laatste dag nog hebben gemaakt.

Er zijn wel prikborden met herinneringen, een boekentafel en een bulletinbord met hartverscheurende oproepen, mensen die vrienden of familieleden, zelfs hun kind of hun ouders zoeken. Voor Arno prik ik een briefje op: heeft er iemand tussen 1938 en 1942 n het Dommelhuis in Eindhoven gezeten? Ik word aan m'n arm getrokken: ''Komt u uit Holland? Rosalie hier wilde eigenlijk niet komen, maar ik wilde dat zij meeging, zij is in het oosten van het land ondergedoken geweest.''

''In Nijverdal?'' raad ik. Rosalie kijkt me verbijsterd aan: hoe kan ik dat weten. Maar ik heb net gehoord dat in dat dorp drie onderduikorganisaties actief waren en ik breng haar naar Bertjan Flim die in Nijverdal is geboren en wiens vader del uitmaakte van de NV-groep.

De zaal waar de plenaire vergaderingen worden gehouden is enorm groot en met 1600 mensen volkomen vol. Maar de Amerikanen zijn goede sprekers en kunnen zo'n zaal makkelijk aan. De eerste spreekster vraagt ons goed om ons heen te kijken, naar wie er naast ons zit.

Naast mij zit Nicole Blumenstein, in de pauze hoor ik haar ongelofelijke verhaal. Zij was als vijftienjarig joods meisje in Grenoble toen de oorlog uitbrak; met zeventien zat zij al in het verzet en hielp nderen te verbergen: ''Wij jongeren durfden veel meer dan de ouderen, wij hadden minder te verliezen en we begrepen de gevaren nog niet zo goed.''

Ook de sprekers achter de tafel zijn allemaal ooit ondergedoken kinderen geweest en ze beginnen met hun eigen, concrete verhalen. De hele zaal zit af en toe te sniffelen en te snikken. Ze vinden dat de 'hidden children' zich veel te lang verborgen hebben gehouden, dat ze in zekere zin nog altijd ondergedoken zijn. Ze kregen altijd te horen dat zij het niet zo erg hebben gehad als de mensen in de kampen.

''Maar de ondergedoken kinderen leerden te wantrouwen voor ze ooit konden leren vertrouwen, ze waren oud voor ze ooit jong hadden kunnen zijn. En nu zijn jullie de laatste generatie die uit eigen ervaring kan getuigen over de Shoah, daarna is er niemand meer . . .'' In Amerika lijkt er een coming-outbeweging van Holocaust Survivors en Child Survivors aan de gang, het ene congres na het andere wordt er gehouden en een 'voorvrouw' van die beweging roept zelfs pathetisch: ''Het gaat om onszelf, we moeten voor onszelf opkomen, ourselves first!''

Op z'n Amerikaans worden we ook tijdens de maaltijd niet met rust gelaten. Er zijn hele series van sprekers die elkaar aankondigen, eren, bedanken of soms zichzelf verheerlijken. Tijdens de lunch vertelt een vrouw aan m'n tafel de meest hartverscheurende verlen uit Litouwen, waar de joden soms werden vermoord door degenen bij wie ze waren ondergedoken uit angst voor de Duitsers.

Toevallig komt ook de Keynote Speaker uit Litouwen. Yaffa Eliach houdt een boeiend en genuanceerd betoog, met als conclusie: ''Wij moeten een betere wereld bouwen. Wij zijn hier omdat mensen goed voor ons zijn geweest; wij zijn de boodschappers van menselijke goedheid.''

's Middags zijn er workshops. Ik ga naar die van Deborah Dwork, de schrijfster van het boek Children with a Star, kortgeleden in NRC Handelsblad besproken. Debora heeft ook onderzoek gedaan in Nederland; zij is vijftien jaar jonger dan ik, maar noemt mij 'one of my children', omdat zij mij toen ook heeft genterviewd. Haar workshops zijn bijzonder goed. Zij is historica en psychologiseert niet zoveel, zij ziet dat iedereen zijn onderduikervaring op zijn eigen manier interpreteert en probeert niet mensen te forceren.

Het is verbluffend hoeveel mensen zeggen nu pas over hun onderduikervaring te praten. Kinderen klagen eroer dat ze van hun ouders niets te horen krijgen, ouders dat de kinderen hun niets vragen. Deborah heeft het over aanpassen aan de onderduiksituatie. Zij haalt een verhaal van mij aan, dat ook in haar boek voorkomt; ik houd van vellen op m'n melk. Ik krijg nu de gelegenheid er aan toe te voegen dat je in de onderduik ook goede dingen leerde, dat ik erg veel aan het voorbeeld van mijn pleegouders heb gehad en dat ik daarom tijdens de Golfoorlog niet alleen bezorgd was over deIsraeli's, maar ook over de Irakezen en de Palestijnen. Natuurlijk krijg ik de wind van voren (''Dat is alleen maar schuldgevoel''), maar na afloop komt een heel jong meisje naar me toe. Zij is de dochter van een joodse moeder en een Palestijnse vader en zij heeft jarenlang haar Palestijnse achtergrond verborgen moeten houden. Zij is fotografe en is nu bezig foto's van haar Palestijnse en joodse familieleden te maken.

Wat gebeurt er veel op een dag. 's Avonds vliegt een oude schoolvriendin me om de hals die ik al32 jaar niet heb gezien en die al tientallen jaren in Amerika woont. We constateren dat we vroeger op school nooit met een woord over onze onderduiktijd hebben gesproken.

MAANDAG 27 MEI

's Ochtends ga ik naar een bijeenkomst van de Poolse deelnemers. Ik versta het natuurlijk niet, maar ik kan de discussie enigszins volgen.

Het gaat ook hier om de vraag hoe je je ervaringen interpreteert: zijn alle Polen antisemieten of gaat het juist omdie Polen die wel onverschrokken en onbaatzuchtig joodse kinderen hebben gered?

De plenaire vergadering is intussen begonnen. Marion Pritchard (geboren Van Binsbergen) is aan het woord. Ook zij heeft in Nederland veel joodse kinderen gered. Ik kom net binnen als zij zegt dat dat onmogelijk was geweest als er niet ook veel hulp van 'joodse redders'

was geweest: ''Hier voor me op de derde rij . . .'' Zij valt stil, de ontroering is ook deze vrouw, die ooit koelbloedig een Nederlandse politie-agent heeft doodeschoten toen dat nodig was, even te machtig.

Het duurt een tijdje voor zij kan vertellen dat het meisje nu niet zou leven zonder de hulp van een joodse redder. Het is weer zo'n moment dat de hele zaal de adem inhoudt.

Tijdens de lunch wordt een aantal christelijke redders geeerd, onder wie Gisela Sohnlein. Zij vertelt heel nuchter over de groep studenten, die pas toen zij na de oorlog uit het kamp Ravensbruck terugkwam, het Utrchtse Kindercomite bleek te worden genoemd: ''Toen ze me vroegen of ik wilde helpen, heb ik dat meteen gedaan; je was heel gelukkig dat je iets kon doen.''

Er zijn nog twee workshops, vol verhalen. Er zijn veel mensen nog altijd bang en anderen die juist erg naar buiten treden met hun verhaal. Aan het eind van de middag komen de Nederlanders nog eens bij elkaar; daarbij zijn veel Nederlandse joden die naar Amerika zijn geemigreerd. We gaan de kring rond en iedereen vertelt iets over zichzelf. Aan het eind, als iedereen al bijna wgloopt voor het diner met Elie Wiesel als slotspreker, vertelt een hartelijke vrouw, dat zij ondergedoken was in Limburg, en dat zij daar kleine Maxje nog z'n neus heeft afgeveegd, als hij om z'n mammie riep.

Dat kleine Maxje ben ik, zij is Jetty Waterman, vijftien jaar ouder dan ik en we moeten samen ondergedoken zijn geweest in Schaesberg bij Heerlen, in een periode waar ik me helemaal niets meer van kan herinneren. Zij kan me ook vertellen waarom we daar weg moesten: ''Er was daar een klein meisje ondergedoken, Anneke, en die is aan een ziekte overleden, zij moest begraven worden en de begrafenisondernemer dreigde ons te verraden. Daarom moesten we uit elkaar. Ach, kleine Maxje, wat ben je groot geworden. Maar nu ik je terug heb gevonden, laat ik je niet meer los.''