HAROLD L.ICKES; Roosevelts minister van Natuurbehoud

Righteous Pilgrim The Life and Times of Harold L. Ickes, 1874-1952 door T.H. Watkins 1010 blz., gell., Henry Holt & Company 1990, f 67,90 ISBN 0 8050 0917 5

Pas op bladzijde 861 van Righteous Pilgrim The Life and Times of Harold L. Ickes, komt de lezer via een mnuscule mededeling te weten waarom T.H.Watkins in 1983 besloot een boek te schrijven over Roosevelts minister van Binnenlandse Zaken, Harold L. Ickes. Voor Watkins bevatte het beleid van James Gaius Watt, Reagans 'Minister of Interior', genoeg redenen om op zoek te gaan naar een 'goede'

minister. Het is jammer dat Watkins niet verduidelijkt waarom hij zo'n afkeer van Reagans minister vanBinnenlandse Zaken heeft. De omvang van Righteous Pilgrim wekt beslist de indruk dat Watts matige beleid tot een geweldige geestdrift bij de auteur heeft geleid, en met een korte analyse van het beleid van Watt had de auteur zijn apologie van Harold L. Ickes kunnen legitimeren.

James Watt was een van Reagans meest controversiele ministers. Als 'Minister of Interior' verklaarde hij zonder blikken of blozen dat hij de Indianenreservaten als het equivalent van een ')drugs- en alcoholcultuur' opvatte, en dat zijn departement een geemancipeerd beleid voerde omdat het 'a black, a woman, two Jews and a cripple' in dienst had. Betreffende Watts politieke achtergrond kon worden geconstateerd dat hij zich sterk identificeerde met de zogeheten 'sagebrush rebellion', een conservatieve groep welgestelde 'ranchers, miners, oil people' in het westen van Amerika die met redelijk succes de 'federal ownership' van natuurlijke rijkdmmen bestreed.

Overeenkomstig de retoriek van de jaren tachtig zou volgens Watt en zijn achterban de terugdringing van de centrale overheid tot een meer efficiente ontginning van landerijen en delving van mineralen leiden, waardoor de particuliere sector en, hieruit voortvloeiend, de Amerikaanse economische groei zich wederom konden ontwikkelen.

Ondanks het feit dat zelfs Reagan van mening was dat Watt niet binnen zijn kabinet te handhaven was, kwam menigeen in de verleiding Wat te portretteren als symbool van het voor het Reagantijdperk kenmerkende particularisme. Zo schetste ondergetekende hem in De Amerikaanse Paradox als exponent van Reagans conservatisme, en werd hij elders besproken in de context van Reagans opmerking dat deze zo graag op Roosevelt wilde lijken. Watts beleid, vooral waar het ging om de conservering van de natuur, toonde in het begin van de jaren tachtig rechtstreeks aan dat Reaan nimmer aanspraak op Roosevelts erfenis kon maken. Tijdens Reagans bewind verslechterde de Amerikaanse natuur frappant. Vervuiling, industriele ontginning en uitbuiting, verwaarlozing van de nationale parken, en veronachtzaming van de Indianenreservaten, stonden in schril contrast met de resultaten van het omzichtige beleid waarmee Harold l. Ickes vijftig jaar eerder de Amerikaanse natuur had benaderd.

INTEGRITEIT

Amerikaanse 'conservationists' en milieu-activisten spreken dan ook met diep respect over Harold L. Ickes. Behalve dat hij als een zee integere minister bekend stond, onderscheidde hij zich door een beleid waarin de aanleg van stadsparken en het bouwen van spoorbruggen en dammen centraal stond. Hij vatte grote werken aan als de bouw van de beroemde Lincoln-tunnel en de Triborough-brug in New York; ook de Hoover-dam in Colorado kwam door zijn toedoen tot stand. Voor Chicago, zijn lievelingsstad, liet hij een nieuw rioleringssysteem ontwerpen; in Kansas-City draagt een groot auditorium zijn naam. In de nationale parken is altijd wel een laantje naar hem vernoemd of treft men een mooi gemaaid grasveldje aan waarop Ickes in buste-vorm toezicht houdt.

De verering van Roosevelts 'Minister of Interior' reikt zo ver dat sommigen zelfs beweren dat van het huidige bomenbestand in Amerika de helft door toedoen van Harold L. Ickes is geplant.

Gezien de kwaliteiten van Ickes en de eerdere werken die over hem zijn verschenen, is het niet verwonderlijk dat Watkins een lovende biografie schreef. Hoewel het beleid van de minister soms heel uitvoerig wordt besproken, is het de verdienste van de auteur dat hij, op basis van niet eerder gepubliceerde dagboekaantekeningen, het leven van Ickes zeer gedetailleerd en evenwichtig presenteert. Want dat genteresseerden in de periode-Roosevelt naar informatie snakken over Ickes prive, is wel zeker. Niet voor niets wordt er in studies over Roosevelt en de New Deal op een ambivalente wijze over het wel en wee van deze bewindsman geschreven.

Geboren in 1874 op een boerderij in Blair County in Pennsylvanie, maakte Ickes een zeer onaangename jeugd door. Zijn moeder overleed op jonge leeftijd; zijn vader was iemand vol complexen. Ickes sr. had een behoorlijk bord voor het hoofd. Hij stelde zich bij lokale stemmingen voortdurend als Republikein voor een politiek ambt beschikbaar, hoewel er nooit iemand op hem stemde. Het was geen uitzondering als senior, in het dagelijks leven eigenaar van een slechtlopende kruidenierszaak, een geur van whisky met zich meedroeg en op zijn zoon inbeukte als zijn frustratie over de politiek kwam bovendrijven. In zijn dagboek heeft Harold voor zijn vader geen goed woord over, en er was hem alles aan gelegen zo snel mogelijk het ouderlijk huis te verlaten om in Chicago rechten te kunnen gaan studeren. Omdat hij zich als student in leven hield met het schrijven van politieke verslagen voor verscheidene kranten was het niet vreemd dat Harold na zijn studie als campagnemanager in de stadspolitiek van Chicago terecht kwam. Vanaf 1897 steunde hij meestal onafhankelijke Republikeinse hervormingsgezinde kandidaten en in 1912 raakte hij actief betrokken bij de Progressieve Partij van Theodore Roosevelt. Gedurende zijn verdere carriere zou Ickes zijn politieke lot steeds verbinden aan dat van kandidaten die bereid waren campagne te voeren voor 'good government', dat wil zeggen, die de overheid opriepen voor de sociaal zwakkeren op te komen en op te treden tegen de verderflijke invloed van 'big business'.

Uit de tijd van zijn binding met Theodore Roosevelt stamt Ickes' voorliefde voor de Amerikaanse natuur. Roosevelts conceptie, verwoord in het 'New Nationalism', dat de Amerikaanse overheid een historische missie had te vervullen door het algemeen belang boven het particulier belang te stellen, paste hij vooral toe op de natuur. In tegenstelling tot de grote bedrijven leende de natuur zich immers tot nationalisatie. Als president zorgde Theodore er dan ook voor dat de vaak nog maagdelijke natuurgebieden tot beschermde of nationale parken werden uitgeroepen om zodoende te voorkomen dat Amerikaanse ondernemers het land zouden leegvreten. Hiermee schaarde Roosevelt zich symbolisch aan de zijde van de kleine burger en diens strijd tegen 'big business'.

WATERKRACHT

In het verlengde van Roosevelts nationale natuurbeleid zorgde Ickes op lokaal niveau ervoor dat de door hem begeleide kandidaten in Chicago een gelijksoortig progressief programma uitdroegen. Illustratief hiervoor was bijvoorbeeld dat alle burgermeesterskandidaten die Ickes onder zijn hoede had, het 'publieke bezit van elektriciteit' in hun verkiezingsprogramma opnamen. Later zou president Franklin Roosevelt zo'n beleid op grote schaal uitvoeren door in het stroomgebied van de rivier de Tennessee dammen en waterkrachtcentrales te bouwen die elektriciteit leverden tegen een lagere prijs dan de particuliere nutsbedrijven.

Enigszins gedesillusioneerd over het gedrag van Theodore Roosevelt en over het falen van zijn pogingen de Republikeinse Partij progressiever te maken, leidde Ickes in 1932 het op het eerste gezicht nietszeggende 'Western Independent Republican Committee for Roosevelt'. Tot zijn verrassing werd hij in 1932 door Franklin Roosevelt gekozen voor de ministerspost van 'Interior'. Euforisch merkte Ickes op dat zijn uitverkiezing niets anders kon zijn dan het gevolg van zijn progressieve optreden tijdens het presidentschap van Theodore Roosevelt. Hiermee sloeg Ickes ijker op de kop. Als gouverneur van de staat New York was het Franklin namelijk niet ontgaan dat Ickes zich regelmatig zorgelijk uitliet over de staat waarin de Amerikaanse bossen en gronden verkeerden. Bovendien had de gouverneur van het (verre) familielid Theodore zijn preoccupatie met de natuur overgenomen en, overeenkomstig diens beleid, in de staat New York verscheidene sn land opgekocht om deze vervolgens te laten beplanten en onderhouden door werklozen. Als president zou hij dit beleid op nationaal niveau op grootse wijze voortzetten onder de noemer van, zoals Prof. A. Lammers het omschreef, 'een ecologische New Deal'.

Vanaf de eerste dag dat Ickes zijn ministerie bestuurde, was bij hem een aantal in het oog springende karakteristieken te bespeuren. Bijna in despotische stijl commandeerde hij de amben; hij gedroeg zich zeer achterdochtig, en met zijn collega-ministers schuwde hij het conflict niet. Dat Ickes zich nogal gespannen gedroeg, is achteraf te begrijpen. Doordat de minister een heftige relatie met een maitresse onderhield, was hij, eufemistisch uitgedrukt, nogal kwetsbaar. Hij raakte dan ook behoorlijk overstuur toen een onbekende hem brieven begon te schrijven waarin deze hem dreigde de pers over de relatie in te lichten. Ofschoon Ickes erin slaagde de zaak via eprive-detective op te lossen, moesten er in de nachtelijke uren bij hem heel wat whisky's ter kalmering aan te pas komen.

NEDERLAAG

Kenmerkend voor zijn ministerschap was dat Ickes voortdurend in de clinch lag met de minister van Landbouw, Henry A. Wallace. Volgens Ickes probeerde Wallace ten koste van hem bij Roosevelt in het gevlei te komen, en - belangrijker - reed Wallaces ministerie van Landbouw voortdurend dat van Ickes in de wielen. Tot ergernis van ce had Ickes namelijk de vurige wens een nieuw departement van 'conservation' op te richten om zodoende het nationale natuurbeleid een structureel karakter te kunnen geven. Zowel Wallace als Roosevelt zag hierin weinig heil. Ickes ervoer dat als een persoonlijke nederlaag, een afwijzing van Roosevelt. In navolging van Ickes kan biograaf Watkins maar weinig waardering voor dit negatieve besluit van de president opbrengen. Hoewel de auteur enerzijds terechtconstateert dat Ickes'

streven naar de oprichting van een departement van natuurbehoud rechtstreeks voortvloeide uit de idealen van Theodore Roosevelts 'Progressive Movement', heeft hij anderzijds te weinig oog voor de politieke context. Henry Wallace legde namelijk heel wat meer politiek gewicht bij Roosevelt in de schaal dan Ickes. Want waar Ickes zich tussen de verschillende New Dealers als een relikwie van de aloude progressieven gedroeg, verwierf Wallace stapsgewijs een politieke liberale beweging om zich heen, die, naarmate de jaren dertig vden, alleen maar sterker zou worden.

Het mislukken van Ickes' droom betekende niet dat hij als minister niet succesvol was. Onder zijn leiding bereikte de 'conservation '- en milieubeweging een hoogtepunt. Menigeen bracht hij een bewustzijn over de kwetsbaarheid van Amerika's natuurlijke hulpbronnen bij. Als de minister een toespraak moest houden, kon hij geweldig fulmineren tegen Amerikanen die alleen maar op het heden waren gefixeerd, en die het ge van het land als vanzelfsprekend beschouwden. Dat in begin jaren dertig de kleine boertjes door gemene stofwolken werden geteisterd, was volgens hem niets anders dan het gevolg van de Amerikaanse hebzucht. Kaalgevreten prairies, ontgonnen landerijen, ontbossing: de natuurrampen konden niet uitblijven als de Amerikanen in het algemeen, maar vooral grote bedrijven, hiermee zouden doorgaan. Bebossing, landbewerking, stuwdammen, reservaten, bescherming van natuurgebieden en controle vanbedrijven, waren volgens hem de wapens in de strijd tegen de 'nationale erosie'. Hij kon zich lyrisch uitlaten over Roosevelts 'Civilian Conservation Corps' (CCC); een organisatie die land bewerkte en bomen kweekte, en waarbij omstreeks 1935 een half miljoen werkloze jongeren in de leeftijd van achttien tot vijfentwintig jaar werkzaam waren. Hij was er trots op dat Roosevelt hem de taak opdroeg de werkzaamheden van deze CCC te coTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT ordineren. Onjpelijk vond hij het dat landbouwminister Wallace de CCC eens afdeed als een onbeduidend werklozenproject.

Hoewel Watkins de tegenstelling tussen Ickes en Wallace in de persoonlijke sfeer benadert, was hier in werkelijkheid sprake van een diepgaand politiek ideologisch geschil. Want waar de progressief Ickes vasthield aan Theodore Roosevelts idealen van 'conservation' en 'anti-business', hadden Wallace en de andere liberalen hun weerstand tegen 'business' opgegevenrmate de New Deal belangrijker werd, spraken zij minder over de uitbuitingspraktijken van 'business' om de conservatieven niet te veel voor het hoofd te stoten.

Vreemd genoeg is het de tekortkoming van deze mooie biografie dat het boek juist te biografisch is. Doordat Watkins te gefixeerd is op de persoon van Ickes en diens dagboekaantekeningen, negeert hij onbewust de politieke cultuur die achter de liberale facade van de New Deal schuil ging. De auteur ziet de reden niet heldarom het ouderwetse 'progressivism' van Ickes hem juist een eenling in de regering Roosevelt en Truman maakte. Terwijl onder Roosevelt en Truman conservatieven en liberalen een redelijke mate van consensus vertoonden, bleef Ickes, overigens tot instemming van Roosevelt, onverdroten aan zijn progressieve idealen vasthouden. Deze tegenstelling tussen Ickes en de 'liberals' was dan ook de reden waarom de minister tete op 13 februari 1946 ontslag nam. Toen Harry Truman overwoog de Democraat Edwin Pauley tot onderminister van Marine te benoemen, was voor Ickes de maat vol. Voor de progressieve minister van Binnenlandse Zaken was het onverteerbaar dat Pauley, een vertegenwoordiger van 'business' met nauwe connecties met 'natuurverslindende' olieproducenten in het westen, met hem in een kabinet zitting zou nemen. Veertig jaar later, onder Reagan, zou juist de binding met 'business' een voorwaarde lijken om tot minister van Binnenlandsen te kunnen worden benoemd.