ETEN, DRINKEN EN ROEIEN IN LONDEN

Hear the Boat Sing. The History of Thames Rowing Club and Tideway Rowing door Geoffrey Page 240 blz., gell., Kingswood Press 1991, f 110,10 ISBN 0 413 65410 9

Vanuit de meer elitaire hoek van de Britse roeisport ziet Engeland er heel anders uit dan zoals het door gewone stervelingen wordt waargenomen. Groot-Brittannie heeft dan slechts twee steden, Oxford en Cambridge. Welke van die twee als de hoofdstad geldt, hangt af van de universiteit waar de beschouwer die toevallig aan het woo, heeft gestudeerd. Verder is het land leeg, zij het gelukkig bespikkeld met de talloze landhuizen waar een ras gezonde, sportieve jongelui wordt opgekweekt dat op de Cam en de Theems de ongestuurde vieren en gestuurde achten kan bevolken wanneer hun tijd is gekomen.

Natuurlijk, W.B. Woodgate wees er in zijn honderd jaar geleden uitgekomen Boating al op dat men in die ook nog bestaande Zuidengelse stad, eh, Londen, wel eens voor zijn genoegen aan de riemen plaatsnam, en dat er soms niet onverdienstelijk een baantje werd getrokken, maar leef lang een roepende in de woestijn. Dit is een miskenning van het vele dat de Londense clubs aan de roeisport hebben bijgedragen, aldus Geoffrey Page in zijn Hear the Boat Sing. Waren het niet de Londense clubs die al in 1872 op de beroemde Henley-regatta de rolbankjes introduceerden, een vernieuwing met vergaande consequenties voor de internationale roeisport? Om nog maar te zwijgen van het spadevormige roeiblad in 1960 en de Head of the River-race (die elk jaar ook in land wordt geroeid). Het werd, kortom, tijd dat iemand eens de geschiedenis van de Londense roeiclubs ging boekstaven om ze de plaats in de historie te geven die ze toekomt. Deze taak nam Page op zich, en hij was daarvoor bij uitstek geschikt, om twee redenen. In de eerste plaats omdat hij kan schrijven - hij is al jaren de vaste roeimedewerker van de Daily Telegraph - en ten tweede omdat hij door zijn ouders al voor het lidmaatschap van de Thames Rowing Club werd opgegeven toen hij weken oud was.

Het is tot op zekere hoogte een bijzonder boek geworden, bijzonder omdat het een volwaardig en serieus geschiedenisboek is. Hear the Boat Sing heeft niets van het snelle, ronkende gelegenheidswerkje dat een club ter gelegenheid van een jubileum in elkaar laat flansen; evenmin is het een infantiel plaatjesboek of 'coffee table book' voor de fans, al is het rijk gellustreerd. Zoals te verwachten valt, gaat Page diep in op de talloze triomfen en lagen die de vele ploegen van vooral de Thames Rowing Club in de afgelopen anderhalve eeuw op hun naam hebben gebracht, maar dat is niet de reden waarom ik zijn boek geboeid heb gelezen. Omdat ik helemaal geen sportieve neigingen heb, kan het me niets schelen wie er precies wanneer wat heeft gewonnen, wie er boeg en wie er slag roeide (en of dat niet beter omgekeerd had kunnen zijn), en wie er stuurde. Wel interessant daarentegen vind ik het weer te lezen hoe de Amern in de vorige eeuw een sensatie veroorzaakten door de boot zonder stuurman, die immers tijdens een wedstrijd alleen maar dood gewicht is, te introduceren. De boegroeier bediende via een mechaniekje het roer met zijn voeten. Het is de combinatie van technische, sociale en culurele wetenswaardigheden die Hear the Boat Sing tot een boek maakt dat boven het niveau van de simpele clubgeschiedenis uitstijgt.

SLEMPPARTIJ

Omdat het roeien een van de oudste menselijke voortbewegingsmiddelen is, kan ook de geschiedenis van roei(JHls sport niet van de maatschappelijke context worden losgezien. Het vooroordeel van de typische 'Oxbridge'-roeier dat in Londen alleen proleten op de doften zaten, was in elk geval aanvankelijk juist. De Londense roeiverenigingen kwamen voort uit de belangenverenigingen van de zogenaamde 'watermen', de schippers van de met de hand voortbewogen watertaxi's die eeuwenlang bij honderdtallen op eems te vinden waren.

Zoals Hollandse binnenvaartschippers de strijd om het bestaan weleens onderbraken om voor de aardigheid - en een geldprijs - een wedstrijd tegen elkaar te zeilen, organiseerden de 'watermen' onderlinge roeiwedstrijden, gewoonlijk besloten met een slemppartij in een herberg aan het water. Van deze twee kenmerken, het roeien als broodwinning en een zekere grofbesnaardheid, bleef het Londense roeileven nog lang doortrokken nadat het in principe een vrijetijdsbesteding voor amateurs was gew.

Page beschrijft hoe de verschillende roeiverenigingen langs de Theems zich in de vorige eeuw druk maakten over het beroep dat de leden uitoefenden, en wel of er niet teveel handwerkslieden onder hen waren.

Daarbij ging het niet zozeer om een vorm van sociale discriminatie (die vloeide er later wel uit voort), maar om angst voor verstoring van de krachtsverhoudingen. Arbeiders en ambachtslieden waren eraan gewend hun spieren te gebruiken; daarmee zouden ze bij het roeien een 'natuurlijke' voorsprong hebben op tean oprechte amateurs. Dat, met alle respect voor fair play, leden met lichaamskracht een streepje voor hadden, blijkt wel uit het feit dat het lid op wie de Thames Rowing Club zijn hoop had gezet, de bijnaam 'The Missing Link' droeg.

Dat zijn tafelmanieren niet perfect waren, werd graag op de koop toe genomen.

Eten en drinken, en dan hebben we het niet over mineraalwater, waren, net als in de tijd van de 'watermen', een integraal onderdeel van de sport. Page besteedt daaraan haahteloos tussen de bedrijven door veel aandacht. Telkens lezen we hoe er wordt aangelegd bij herbergen en pubs, en wat er wordt ingenomen voordat de tocht wordt voortgezet: ''They left the boat at 2 p.m., had a cold shower at the Clarendon, where they disposed of a leg of mutton, a quart of bitter ale each and, after a decent interval, an excellent bottle of old port. Thus fortified, and after a short rest, they started back at 3.55 p.m.''

Of: ''At Erith, W.H. Cummwho had been looking out for them, came out with tea and a small bottle of cognac.''

In de loop van de twintigste eeuw echter verloor de 'Thames' het ruwe-bolsterachtige dat de eerste decennia van zijn bestaan had gekenmerkt. Roeien werd steeds meer een manier waarop witte-boordenforensen naar de City de gevolgen van een zittend bestaan compenseerden. In de persoon van de Australier Steve Fairbairn kreeg de club een legendarische coach, die de prestaties van de 'Thames'wedstrijden omhoog joeg, en die, ook door de boeken die hij erover schreef, een blijvende invloed op de roeisport heeft uitgeoefend. Fairbairn nam ook in 1926 het initiatief voor de eerste Head of the River-tijdrace, een type wedstrijd dat over de hele wereld populair werd, waaronder Nederland. Met Nederland kreeg de 'Thames'

hechte banden doordat 'Thames'-lid Charles Morrell tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland genterneerd was geweest en hier vloeiend Nederlands had leren spreken (hij was captain van het Britse roeiteam op de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam). Helemaal na de Tweede Wereldoorlog raakte de Londense roeiwereld het aura van provincialisme kwijt. Niet langer is de Henley-regatta het middelpunt van het heelal; de beste teams roeien er al niet meer omdat ze internationaal onderweg zijn. Zo is ook de Londense blik op Engeland veranderd.