Dikke buiken, lange neuzen: Europeanen

Exotic Europeans, Birmingham Museum and Art Gallery tot 7 juli, daarna Walker Art Gallery in Liverpool tot 31 aug.

BIRMINGHAM, 1 JUNI. Letterlijk middelpunt van de tentoonstelling “Exotic Europeans” (tot 7 juli in Birmingham en daarna nog tot eind augustus in Liverpool te bezichtigen) is de fantastische “Tijger van Tipu”. Het is maar een kopie, want de echte “Tipu's Tiger”valt als een van de grootste attracties voor kinderen in het Victoria & Albert Museum in Londen te bezichtigen. Hier in Birmingham ontbreekt het mechanische orgel binnenin het tijgerlijf. Dat is jammer, want nu ligt de prooi van de tijger, een Britse soldaat met een drankusje, akelig stil. Hij houdt zijn hand nog afwerend tegen de vervaarlijke kop van het wilde beest, dat in volle lengte over hem heen staat, zodat je als toeschouwer moet raden hoe dit afloopt. In het V&A draai je aan de handel en het mechaniek binnenin geeft antwoord: de tijger brult, de soldaat krijst en heft pathetisch zijn vrije arm op. Vergeefs, dat zie je zo.

Dit gruwelgroepje dateert uit de achttiende eeuw en is gemaakt voor de Sultan van Tipu, de Indische heerser van Mysore. Hijaatte de Britten en vond het kennelijk prettig om die haat af te reageren door na het eten even aan de handel van zijn mechaniek te draaien. Op die manier moet hij , de tijger van India, wel honderden Britse soldaten eigenhandig en tot volle bevrediging al grommend hebben omgebracht. En zo vertelt de replica van Tipu's tijger ons over Tipu en minder over de door hem gehate Britten, of het zou moeten zijn dat ze zo verschrikkelijk krijsen wanneer ze dr een tijger worden opgegeten. Dat maakt het speeltje van de sultan een uitzondering op de tentoonstelling. De afbeeldingen die hier bijeen gebracht zijn willen immers juist laten zien hoe de Europeanen er uit zagen in de ogen van de door hen gekoloniseerde volken. Over de makers en opdrachtgevers van de getoonde voorwerpen, komt de bezoeker bij al die andere voorwerpen vrijwel niets te weten. “De kontekst blijft obscuur”, zegt de catalogus weinig behulpzaam.

Dat laat prettig ruimte tot speculeren overwat vooral Chinezen, Japanners, West-Afrikanen en Midden-Amerikanen in de negentiende en vroege twintigste eeuw wel over die bleekgezichten uit Europa hebben gedacht. Misschien wel niets kwaads, want de serene gezichtsuitdrukking van de twee negerslaven die een bolbuikige Europeaan met losgeknoopt vest en bungelende benen in een hangmat aan draagstok rondzeulen, verraadt geen verongelijktheid. Dit beeldje, niet meer dan een forse mannenhand groot, is bijna honderd jaar geleden in Nigeria uit ho gesneden. Vond de maker het gewoon dat zijn stamgenoten witte mannen met dikke buiken als logge zakken ronddroegen, waarbij die draagstok toch behoorlijk op hun schedel gedrukt moet hebben? Veel van de voorwerpen op de tentoonstelling komen uit Nigeria, maar aan geen van de afbeeldingen van Europeanen is iets af te lezen van wrok van de zijde van de maker. Of moeten we iets zoeken achter het feit dat het handvat van een wandelstok een missionaris voorstelt? Of dat elders eenissionaris de zitting schraagt van een krukje? Heeft een blank lijf gesteund op die stok? Zat een Europees achterwerk op dat krukje? Of nam een Nigeriaans stamhoofd zijn gemak op het hoofd van die blanke, het soort dat van een blanke Jezus kwam vertellen? Hoe verwarrend was die boodschap trouwens. De houtsnijder uit westelijk Nigeria die twee engelen wilde uitbeelden, maakte - waarschijnlijk voor alle zekerheid - een engel in de vorm van een regeringsoodschapper en een in de gestalte van een zendeling.

Toen, jaren geleden, een zeer zwarte Afrikaanse patser zich in een zeer witte open auto met een blanke chauffeur opzichtig door Londen liet rijden, was dat een meesterlijke aansporing tot enig nadenken over veronderstelde vanzelfsprekendheden.

Zo'n gedachtenschok, maar minder hevig, brengt de tentoonstelling “Exotic Europeans” ook teweeg. In alle, maar dan ook in alle afbeeldingen waarin Europeanen met gekoloniseerden worden afgebeeld,is de Europeaan de heerser en de zwarte, gele of bruine medemens de onderhorige. Alweer uit Nigeria komt een soort kinderkarretje, bedoeld om aan een touwtje meegetrokken te worden, dat “een blanke ambtenaar met twee politiemannen” voorstelt. De blanke heeft de bijna universele kenmerken van “de Europeaan”: behalve de onvermijdelijke tropenhelm ook nog een lange neus en uitpuilende ogen. In dit geval zit hij op een paard, zoals hij in India op een olifant en in Japan - vergeef me e platitude - op een courtisane zit. De politiemannen, zwarten, zijn kleiner en staan lager. De een mag de staf en de ander het boek vasthouden. Op tekeningen uit India mag de Indier, dravend naast de olifant, een stok vasthouden om een tijger op te drijven. De Europeaan, veilig bovenop de olifantenrug, schiet op een geschikt moment naar beneden.

De relatie van Europa met Japan en Chinais zichtbaar gelijkwaardiger geweest. De afstand waarop de Japanners het Westen - met uitzondering van de Nederlanders - eeuwenlang hebben gehouden, verklaart misschien wel hun latere fascinatie met het verschijnsel Europeaan. Onderscheid tussen Nederlanders, Engelsen of Portugezen werd er niet gemaakt. De “roodharigen” of “barbaren” waren allemaal even exotisch, raar en een tikkeltje eng. Dat wordt aardig op de tentoonstelling aardig gedemonstreerd door twee vroeg 19e eeuwse prenten. Op de een laat een Japans paar in paniek een picknick op het gras achte omdat hen angst aangejaagd wordt door de komst van twee Europeanen. Het zijn grote mannen, met baarden en een van hen steekt tot overmaat van ramp een grote rode tong uit. De andere afbeelding is een ingekleurde prent van met de hierboven al vermelde Europeaan met courtisane. Hij, krulbaard, weke mond en steek, heeft een grote hand met lange nagels om haar blanke blote been geslagen en loert naar haar blote voet. Zij krult haar tenen en heeft haar ogen gesloten. Volgensde toelichting op de expositie is dit niet een uiting van verrukking, maar gaat het om een geveinsde flauwte van afgrijzen.

De catalogus voor de tentoonstelling laat een afbeelding van een Nederlander zien. Het is een netsuke, een 18e eeuws houten voorwerpje, van een onderdanig buigend mannetje, kaasmakershoed tegen de buik gedrukt. Op de expositie zelf heb ik deze landgenoot, ondanks goed zoeken, niet kunnen vinden. De suppoost van te museum gaf toe, dat dat te maken kon hebben met het gebrk aan verlichting in de zaal waarin de expositie bovendien wat benauwd staat opgesteld. Zijn telefoontje naar de verantwoordelijke functionaris haalde niets uit. De curator was de hele dag afwezig, aldus de suppoost, en de assistent-curatoren durfden niet zelf het licht aan te doen. “Jammer, want we proberen met het museum juist mensen naar Birmingham toe te krijgen”.

Maar wat aan Nederlanders ontbrak, werd aan Britten , die kolonisators bij uitstek, goed gemaakt. In de hitte van India in hn Schotse ruiten aan de thee. In hun lange witte jaren dertig-jurken met golfkraag en slome ketting. In de figuur van de reizigster Mary Kingsley, insecten- en fetisch-jager, die haar mierenetersneus stak in alles wat haar misschien niet aanging. En natuurlijk, als vorstelijke bekroning, in de drie afbeeldingen van Koningin Victoria. De twee uit Nigeria zijn onmiskenbaar, want met recht borst-beelden. Zij zijn regelrecht genspireerd door het officiele portret van de konigin bij haar vijftigjarig regeringsjubileum in 1887. Maar het mooiste van de drie portretten is dat uit Sierra Leone: het lijkt bij eerste beschouwing nergens op, met die lange nek met al die ringen. Maar dat duurt maar even. Het is niet alleen de kroon die het onderwerp verraadt, maar vooral , onmiskenbaar, die dunne mond, met dat zuinige lachje.

Houten buste van Koningin Victoria, Sierra Leone (19e eeuw) Netsuke van een Nederlander, Japan (18e eeuw)