De terreur van de pressiegroepen; In Den Haag durft niemand deelbelangen aan te pakken

Welke maatregelen moet het kabinet nemen om zijn financiele problemen het hoofd te bieden? Deskundige buitenstaanders belichten deze vraag in een korte serie. Vandaag de vierde aflevering, van de hand van prof.dr. E.J. Bomhoff, hoogleraar monetaire economie aan de Erasmusuniversiteit Rotterdam.

Steeds meer lijkt de Nederlandse politiek op de manoeuvres in Italie, en dat is dan niet bedoeld als een compliment. Partijleider Kok van de PvdA benadrukt in zijn interview met deze krant dat hij de 'nieuw-flinks vleugel' in zijn partij nu verkiest boven de traditionele, met de FNV sympathiserende groep onder leiding van Kamerlid Leijnse; in de VVD is alle aandacht terug bij de persoonlijke ambities van oud-minister Wiegel en de selectie van een toekomstige coalitiepartner; het CDA beoordeelt of fractieleider Brinkman in aanmerking komt als toekomstig premier, en van D66 valt weinig meer te vertellen dan dat mr. H. A. F. M. O. van Mierlo aan het hoofd staat van de partij. Het is niet te hopen dat een of meer van deze vier partijen winst boekt bij de eerstvolgende verkiezingen en de verantwoordelijkheid krijgt om de Nederlandse arbeidsmarkt sterk en gezond te maken.

Zo, dat lucht op. Maar wat zou de reden zijn dat onze politieke partijen nog volop bezig zijn met het interne debat en dat de regering overleeft in plaats van regeert? Ministeriele incompetentie is de laatste maanden vaak genoemd als verklaring. Laat dat ten dele waar zijn, niettemin beschikt Nederland over een heel ervaren minister-president en een deskundig ambtelijk apparaat waar aan de top de mutaties niet opvallend frequenter zijn dan in het verleden.

Als oorzaak van de stagnatie en de verwarring zie ik vooral de corporatistische overlegstructuur in Den Haag. Zoals PvdA en CDA zich nu met schrik erkennen, is wel erg veel in handen gekomen van de 'sociale partners', die uiteraard niet oordelen vanuit het algemeen belang maar uit het perspectief van vakbond of werkgeversorganisatie.

De cruciale problemen van de Nederlandse arbeidsmarkt komen niet tot een oplossing zolang vakbeweging en werkgevers een feitelijk veto houden op alle radicale voorstellen. Het is toch een illusie dat de vakbeweging ooit vrijwillig akkoord zal gaan met het invoeren van wachtdagen in de ziektewet. De reden om dat toch door te zetten is dat ervaringen bij Philips en in Rotterdam hebben uitgewezen hoe snel het ziekteverzuim dan met ongeveer een derde daalt, leidend tot twee a drie procent lagere arbeidskosten, en dat moet prevaleren boven de voorspelbare weerzin van de vakbeweging die de gevangene is van haar deelbelang.

Evenmin is het realistisch om te denken dat de landelijke studentenbeweging ooit zal juichen over een voorstel om eerstejaars studenten uitsluitend nog leningen te verschaffen en studiebeurzen pas beschikbaar te stellen nadat studenten hun eerste examens hebben gehald. Zo'n maatregel die een miljard gulden per jaar kan besparen gaat immers in tegen hun deelbelang en dat weegt voor de betrokkenen zwaarder dan het bewezen feit dat een op de vijf nieuwe studenten helemaal niet van plan is ooit examen te doen maar zich heeft laten inschrijven vanwege de studentenflat, de openbaar vervoerkaart of de sportfaciliteiten.

Ook kan de Vereniging Eigen Huis niet vrijwillig instemmen met voorstellen om nog eens een miljard gulden per jaar te besparen door alle resterende premieregelingen voor de aankoop van een eigen woning af te schaffen. Bij ons welvaartsniveau is er geen enkele reden om giften te verstrekken aan gezinnen die niet kwetsbaar of achtergesteld kunnen heten, maar als we wachten tot de pressiegroep van de betrokkenen die visie deelt, wachten we tevergeefs.

Vanuit het algemeen belang zijn er ook dwingende redenen om sommige categorieen WAO-ers (jongeren? niet-lichamelijk invaliden?) regelmatig op te roepen voor een gesprek met een arbeidsdeskundige en-of een medicus. Maar ook hier geldt dat de uitvoerende en controlerende instanties niet enthousiast zijn over zo'n voorstel omdat het gemakkelijk kritiek inhoudt op hun beleid in het verleden. En tenslotte is er nog de discussie over conversie van een deel van de staatsschuld in gendexeerde vorm waar nu ook de Rekenkamer een lans voor heeft gebroken. Besparingen van twee miljard gulden per jaar zijn waarschijnlijk, maar invoering blokkeert op conversatisme van een paar hoge ambtenaren bij Financien: geven ze eindelijk het groene licht, dan stelt iemand misschien de tactloze vraag waarom al niet tien jaar geleden dezelfde besparing werd bereikt?

Steeds is het patroon identiek: het algemeen belang pleit sterk voor een besparing - de hierboven genoemde besparingen kunnen in totaal gemakkelijk vijf miljard gulden per jaar opbrengen - maar een krachtig deelbelang verzet zich. In een ojuist gepubliceerd rapport van het CDA staat terecht: “Inspraak heeft het karakter gekregen van het veiligstellen van voor de beroepsgroep relevante belangen . . .

formele betrokkenheid bij de besluitvorming van 'het veld' beperken de beleidsvrijheid van de politicus . . . sterker nog: 'het veld' is doorgaans vergaand genfiltreerd in het ambtelijk apparaat.''

Fractieleider Woltgens van de PvdA heeft dezelfde kritiek geuit op de macht van de pressiegroepen. De diagnose is nu vaak genoeg gesteld, maar de voorkeur van politici om te spreken over persoonlijke ambities en coalities in plaats van over wetgeving suggereert dat in Den Haag niemand groot genoeg is om vakbeweging, werkgevers en SER op hun plaats te zetten en een eind te maken aan de feitelijke veto's van zulke belangengroepen op maatregelen van nationaal beleid. Dus geeft onze overheid per dag 65 miljoen gulden meer uit dan zij ontvangt.

Praten over 'pijnlijke keuzes' is niet meer genoeg. Het wachten is op wetten.