De renaissance van de kernenergie

De wereld gaat een nucleaire lente tegemoet, zeggen de deskundigen. Kernenergie was voorheen een besmet onderwerp, maar prijkt nu weer op de agenda van de meeste landen. Juist het milieu lijkt nu om een nucleaire oplossing te vragen.

Kernenergie zal over de hele wereld een come-back maken, met alle mogelijke gevaren en voordelen van dien. Vrijwel alle deskundigen, voor- en tegenstanders, houden daarmee rekening. De Sovjet-Unie kondigde onlangs - ruim vijf jaar na de Tsjernobyl-ramp - het meest radicale besluit aan: het land treft voorbereidingen voor de bouw van twintig nieuwe atoomcentrales, terwijl er al 45 in gebruik en 25 in aanbouw zijn.

Verscheidene Europese landen maken pas op de plaats met kernenergie, in een heroverweging van hun energiebeleid. Japan heeft al 41 kerncentrales en breidt dit aantal uit. Frankrijk heeft er 56, is voor bijna 75 procent van zijn elektriciteitsvoorziening afhankelijk van kernenergie en gaat gestaag op dit pad verder. In de Verenigde Staten was kernenergie op haar retour, maar staatssecretaris John Easton, auteur van de nieuwe National Energy Strategy van president Bush, voorspelt een 'nucleaire toekomst' voor zijn land.

In de jaren tachtig was er nog sprake van een jaarlijkse groei van het kernenergievermogen van tien procent, maar in 1989 en 1990 is de toename afgevlakt tot vier procent. “In Europa is kernenergie een fact of life, ook hier zie ik een nucleaire toekomst”, zegt Jean Claude Charrault, hoofd van de nucleaire divisie van Euratom in Brussel. “Landen als Italie en Zweden twijfelen, maar er is een algemene trend om door te gaan. De Europese Gemeenschap heeft een omvangrijk hulpprogramma om de Oosteuropese centrales veiliger te maken. Daar hebben ze kernenergie hard nodig. Wanneer er weer een hausse komt, is moeilijk te zeggen. Het zal ook niet zo snel meer gaan als vijftien jaar geleden toen er elk jaar twaalf nieuwe centrales werden besteld. Binnen niet al te lange tijd zijn veel centrales aan vervanging toe.”

Als Nederland over enkele jaren zou beslissn mee te doen aan uitbreiding van het kernenergievermogen, zal het zich achteraan in de rij bevinden. Bestaande procedures voor de bouw van nieuwe centrales vergen zeker negen jaar. Maar eerst moet er een politiek besluit worden genomen en dat wordt niet eerder dan in 1994 voorzien. Bij de huidige politieke verhoudingen zou er trouwens maar net met de hakken over de sloot een meerderheid in de Tweede Kamer voor zo'n besluit gevonden kunnen worden.

Waarschijnlijk zou de coalitie van CDA en PvdA uiteenvallen wanneer de regering nu uitbreiding van het aantal centrales zou voorstellen. Maar zo'n voorstel is niet waarschijnlijk, want de Partij van de Arbeid ziet eigenlijk het liefst dat de centrales in Borssele en Dodewaard worden gesloten. De ramp in Tsjernobyl heeft de partij alleen maar in die opvatting gesterkt. De PvdA zou aan een nieuwe generatie centrales dermate zware eisen stellen (kernsmelting moet uitgesloten zijn), dat kernfysici alle lust zou worden ontnomen, aldus het PvdA-Tweede Kamerlid dr. K. Zijlstra.

Toch ziet een hoge ambtenaar in Den Haag een lichtpuntje. Het zou allemaal sneller kunnen wanneer het huidige kabinet bij nader inzien toch een besluit neemt. Dat zou niet onlogisch zijn als het milieubeleid dat dit kabinet wil voeren in aanmerking wordt genomen.

En als rekening wordt gehouden met de sterke groei van het elektriciteitsverbruik, de energie-intensiteit van de industrie en het streven om het bedrijfsleven in het kader van Europa '92 concurrerend te houden. Volgens het maandblad Nieuwe Beta van september vorig jaar is de milieubeweging bezig haar standpunt over kernenergie te herzien onder invloed van de nieuwe, veiliger reactorontwerpen. De anti-kernenergiebeweging blijft onwrikbaar, maar, aldus Beta, “de polarisatie lijkt minder sterk te worden. De trend is steeds meer dat geen enkele energiebron mag worden uitgesloten, maar dat ook geen enkele mag worden uitgesloten van zeer strenge milieu-eisen.”

In de jongste plannen voor de elktriciteitsproduktie wordt rekening gehouden met een stijging van het stroomverbruik van 1,8 procent per jaar, maar de laatste jaren ligt die groei tussen de drie en vier procent, in 1990 zelfs 4,2 procent. Energiebesparing leidt meestal niet tot vermindering van het stroomverbruik. Selectiever autogebruik door mensen die overstappen op de tram, metro en trein kost bij voorbeeld meer elektriciteit. Andee belangrijke oorzaken zijn de gezinsverdunning en de sterke toename in het gebruik van elektrische apparaten.

Een derde factor, die vooral in de Verenigde Staten tot nieuw enthousiasme voor kernenergie leidt, is de sterke afhankelijkheid van de Westerse wereld van olie uit het Midden-Oosten. “Amerika mag nooit meer zo afhankelijk zijn”, zei president Bush in oktober vorig jaar, toen de Golfcrisis de brandstofprijzen tijdelijk sterk had opgejaagd.

Pag. 18

Nederland steekt met kernenergie kop in het zand

Den Haag hecht er sterk aan om tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Gemeenschap, in de tweede helft van dit jaar, spijkers met koppen te slaan met het milieubeleid. Nederland wil het drastisch terugbrengen van de milieuvervuiling (vooral de klimaatbenvloedende gassen) in concrete Europese stappen vastleggen.

De CO 2-emissies moeten bij voorbeeld in het jaar 2000 gestabiliseerd zijn en daarna verminderd worden. De zuidelijke lidstaten kunnen dat niet zo snel omdat ze werken met verouderde raffinaderijen en elektriciteitscentrales. Dus zullen de noordelijke partners - waaronder Nederland - meer dan het gemiddelde moeten doen.

De transportsector en een schonere elektriciteitsproduktie kunnen daartoe een niet onbelangrijke bijdrage leveren. 'Brussel' heeft al een voorstel voor een heffing op energiedragers klaarliggen, waarbij de meest vervuilende brandstoffen als kolen en olie het zwaarst worden belast. Economisch gezien zou kernenergie daardoor een grotere voorsprong krijgen.

Nederland heeft nu 26 jaar ervaring met kernenergie. In de internationale statistieken staan onze anderhalve centrale (Borssele met vijfhonderd megawatt en Dodewaard met vijftig) keurig vermeld. Ze leverden in 1990 bijna vijf procent van de nationale elektriciteitsproduktie. Dat steekt schril af tegen de percentages van Frankrijk (75), Belgie (60), Hongarije (51), Zweden (46) en Duitsland (33).

Die vijf procent laat trouwens niet de werkelijkheid zien. Nederland steekt met zijn afkeer van kernenergie de kop in het zand, want het importeert vijftien procent van zijn stroom uit het buitenland, vooral uit de kernenergielanden Frankrijk, Belgie en Duitsland.

Die invoer wordt niet geremd door het feit dat een aantal buitenlandse centrales vlak aan de Nederlandse grenzen staat. Een eventueel ongeval met zo'n centrale zou voor Nederland bijna net zoveel consequenties hebben als voor Belgie of Duitsland.

Van het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig dateert de laatste poging om het aantal kerncentrales uit te breiden. De ministers Lubbers (economische zaken) en Gruijters (ruimtelijke ordening) wilden drie centrales bouwen. De discussie over het rapport van de Club van Rome en storingen met centrales in het buitenland voedden het verzet van de anti-kernenergiebeweging en maakten korte metten met dat plan. Ook de afkeer van de Amerikaanse en Franse kernproeven en het gevaar van de verspreiding van kernwapens speelden daarbij mee.

Het kabinet-Van Agt 1 (minister Van Aardenne) probeerde met de befaamde Brede Maatschappelijke Discussie de kar weer vlot te trekken, maar dat mislukte. De BMD was koren op de molen van de actiegroepen.

Veel meer tegen- dan voorstanders lieten hun stem horen. In 1986 zou het kabinet-Lubbers 1 (minister De Korte) met een nieuw voorstel voor kerncentrales komen, maar dat werd na Tsjernobyl haastig in de ijskast geschoven.

Hoewel een nieuw politiek besluit nog ver weg lijkt, doet het Energie Centrum Nederland samen met KEMA in opdracht van de Samenwerkende Elektriciteits Producenten (SEP) nu onderzoek naar de veiligheid van kerncentrales die op dit moment leverbaar zijn. Volgens ir. A.M.

Versteegh van ECN - de organisatie die als 'hoofdaannemer' optreedt - moet het onderzoek eind dit jaar klaar zijn.

“Als er een besluit komt, moet je voorbereid zijn. Je moet weten welke reactoren beschikbaar zijn en welke typen voor Nederland in aanmerking komen”, zegt een woordvoerder van de SEP. Ir. N. Ketting, directeur van de SEP: “Het gaat erom voor welke types in Nederland een vergunning kan worden verkregen, gezien de geldende veiligheidsvoorschriften. Wij laten voor allerlei technische installaties dit soort studies verrichten.”

Ketting zit op een beslissing te wachten omdat een groot deel van het centrale produktievermogen van de Nederlandse elektriciteitscentrales 25 jaar oud is en moet worden vervangen. “Dan praat je over investeringen met een life-time van dertig jaar. Maar hoe kun je het voor en tegen van de brandstoffeninzet afwegen als van een brandstof volstrekt onduidelijk blijft wat we er mee willen?” De SEP-directeur wil zo mogelijk op termijn naar een kernenergievermogen van drieduizend megawatt. Dat komt overeen met zes reactoren a la Borssele.

Tot grote woede van enkele reactorbouwers - waaronder de Canadese zwaar waterreactor-producent AECL (de Candu-reactor), zijn hun types in maart na een eerste inventarisatie van het onderzoeksprogramma afgevoerd. SEP, KEMA en ECN houden de details van het onderzoek nauwkeurig geheim en willen niet zeggen over welke types uiteindelijk gerapporteerd zal worden.

“We kunnen ze niet allemaal laten onderzoeken, dat zou veel te veel kosten, vandaar de selectie”, zegt ir. Ketting. Goed genformeerde bronnen bevestigen dat behalve AECL ook de Franse leverancier Framatome, het Amerikaanse Combustion Engineering (dochter van het Europese concern Asea Brown Boveri) en het Amerikaanse Westinghouse zijn afgevallen. Om uiteenlopende redenen voldoen ze niet aan de Nederlandse veiligheidseisen.

Als belangrijkste kanshebbers voor de nog onzekere Nederlandse markt blijven over de Konvoy-Anlage van het Duitse KWU-Siemens (dat ook het ontwerp voor de centrale in Borssele leverde) de geavanceerde kokend waterreactor ABWR van de Amerikaanse leverancier General Electric (GE) en de BWR-90 van Asea Brown Boveri, een reactor die vergelijkbaar is met de ABWR.

Ir. Versteegh (ECN) zegt dat het onderzoek is gericht op de mogelijkheid van bestelling door Nederland van centrales binnen een periode van ongeveer tien jaar. Hoe zinvol die exercitie is?

Versteegh: “Dat hangt af van het tijdstip van bestelling. In 1995-1996 is er bij voorbeeld een nieuw type van General Electric leverbaar, de Simplified Boiling Water Reactor (SBWR) met passief veilige systemen, waarnaar we in internationaal verband ook onderzoek verrichten, samen met Japanners, Amerikanen en Italianen.”

“Direct bij de aanvang van de studie voor de SEP hebben wij al gezegd: de omvang van dit werk is zodanig dat je tot een bepaald niveau alleen een aantal types bekijkt en daarna met een beperkt aantal 'de diepte in gaat'. Dat Candu en anderen nu afvallen, betekent geen diskwalificatie. Candu is bij voorbeeld een heel veilige reactor met een zeer hoge bedrijfszekerheid, maar we moeten op een bepaald moment kiezen.”

Candu heeft volgens deskundigen als nadelen het gebruik van duur zwaar water en het radioactieve tritium dat in dat water op den duur ontstaat. Ook de 'po(JHsitieve reactiviteitscoefficient' bij het starten van de reactor is een negatief punt: bij een plotseling toenemend aantal splijtingen kunnen condities ontstaan die het splijtingssproces nog verder stimuleren. Daardoor kan de beheersbaarheid van het proces in gevaar komen. Bij de meeste andere types neemt de reactiviteit dan juist af.

Elektriciteitsproducenten kopen het liefst een reactor waarmee ruime ervaring is opgedaan en geen prototype. Een woordvoerder van de SEP bevestigt dat die voorkeur ook voor de Nederlandse producenten geldt.

Het is tevens de belangrijkste reden dat de meeste Europese reactorbouwers niet meedoen aan het ontwikkelen van nieuwe, meer geavanceerde centrales met passief veilige eigenschappen die erop zijn gericht om de factor menselijk falen te verminderen.

Toch zou de SBWR voor Nederland, dat blijkens het ECN-onderzoek de eerste aandacht geeft aan veiligheid (en economie bij deze afweging op de tweede plaats zet), een belangrijke kanshebber kunnen zijn. Dit type centrale gebruikt voor zijn koeling zoveel mogelijk natuurlijke processen waardoor minder pompen, kleppen en pijpen nodig zijn. Zo bevindt zich het noodkoelwater boven het reactorvat zodat het zonder pompen in het vat gestort kan worden.

Dr. H. Arnold, directeur van de kerncentrale in Dodewaard, is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van Nederland in het internationaaloverleg over de ontwikkeling van veiliger centrales.

“De techniek is met sprongen vooruitgegaan”, zegt hij. “Daardoor kon de 'evolutionaire' reactor worden ontwikkeld: toepassing van de modernste technologie met bij voorbeeld fiberoptika in plaats van elektronica en een veel betere signalering. En nieuwe pomptechnieken, waardoor de installatie minder storingsgevoelig is. Je kunt een stap verder zetten, dan kom je bij een gesimplificeerd systeem: de SBWR.

Dan ga je terug naar het systeem van nauurlijke circulatie van koelwater.''

“Dat systeem heeft Dodewaard al vanaf het begin, het is de enige reactor van dit type ter wereld die nu in vol bedrijf is. Als je, zoals in Nederland wellicht mogelijk is, kiest voor nieuwe reactoren die rondom de eeuwwisseling klaar moeten zijn, zou ik kiezen voor de SBWR. Voordeel is dat je dan voor een niet al te grote reactor kiest.

In Nederland heb je niet zulke grote eenheden nodig.'' Volgens Arnold zal de SBWR ook als voordeel hebben dat de noodzaak van een evacuatie van de bevolking in de omgeving zich 'nooit' zal voordoen, omdat de maximale straling die bij deze reactor zou kunnen ontstaan altijd kleiner is dan een rem (rontgen equivalent man) op een halve mijl afstand van de centrale, mocht zich een beschadiging van de kern voordoen. De Amerikaanse veiligheidseisen geven een maximale dosis van 25 rem buiten de centrale met een kans van een op een miljoenreactorjaren.

Of de SBWR veel veiliger zal zijn, is volgens ir. Versteegh van ECN echter niet zonder meer bewezen. De 'evolutionaire', of verbeterde kokendwater- en drukwaterreactoren) zoals de Advanced Boiling Water Reactor (ABWR), en de Advanced Pressurised Water Reactor (APWR) ontwikkeld op basis van de bestaande General Electric en Westinghouse-types zijn nu al leverbaar. Ze gebruiken meer water.

Japan begint deze zomer met de bouw van twee ABWR's. Ze zijn al veel veiliger. “Inderdaad veiliger dan Dodewaard en Borssele”, zegt Versteegh.