De Mosterdknijper

De meeste gebeurtenissen hebben een anekdotische kant en nodigen tevens uit tot verscheidene wetenschappelijke benaderingen. Een voorbeeld zal dit duidelijk maken.

Op zaterdag 18 mei om 11.30 uur werd ik voor de tweede keer in mijn leven door een vogel op mijn hoofd gepoept. De eerste keer, dat weet ik nog precies, gebeurde dat in de zomer van 1948 in Rotterdam-zuid; deze keer op de hoek van de Vijfde Avenue en de 82ste Straat in New York, precies voor de ingang van het Metropolitan Museum.

Om te beginnen blijkt dus dat er 43 jaren voorbij moesten gaan voor me dit de tweede keer overkwam. De uitkomst van die rekensom geeft toegang tot een baaierd van vraagstukken. In deze stad, dat wil zeggen Manhattan, wonen misschien evenveel vogels als mensen en hetzelfde geldt waarschijnlijk voor Amsterdam en nog meer metropolen. Om het gemakkelijk te maken gaan we uit van de verhouding een op een. Daaruit volgt natuurlijk niet dat iedere vogel voortdurend een mens onder zich heeft. De mensen moeten zich in de open lucht beperken tot de straten; vogels vliegen boven bomen en daken waardoor het aantal kruisingen op verschillend niveau tussen vogel en mens wordt beperkt. Daartegenover staat dat de vogel een snelle stofwisseling heeft waardoor de waarschijnlijkheid van een treffer weer wordt vergroot. Met een computer moet het allemaal in een paar ogenblikken te berekenen zijn.

Bij gebrek aan rekentuig moet ik het met mijn timmermansoog en klein-wetenschappelijke intutie doen. Deze faculteiten zeggen me tot nader order dat het wel heel lang heeft geduurd voor ik weer werd getroffen. Als dit het gemiddelde zou zijn, als ik tot de doorsnee-getroffenen zou horen - en waarom zou dat niet het geval zijn? - zal het tot het jaar 2034 duren voor het me opnieuw overkomt.

Zeker: niet alle mensen staan in dezelfde verhouding tot de vogels. Boswachters, parkbankzitters, fietsers die op weg naar hun dagelijks werk onder veel bomen doorrijden, dragen meer risico dan de groep van de gemiddelde straatlopers waar ik bij hoor; maar zelfs dit in aanmerking genomen blijf ik een maal in de 43 jaar weinig vinden.

Hoeveel mensen ter wereld worden op het ogenblik dat u dit leest door een vogelpoep getroffen? Doet die vraag u niet in een afgrond van mysteries kijken, overvalt u daarbij niet een gevoel van raadselachtigheid vergelijkbaar met wat u overkomt als u denkt aan een ster die op duizend lichtjaren afstand toevallig het vorig jaar is gedoofd? Raadsel is alleen datgene wat nog niet verklaard is. Steeds vaker vind ik dat we al te lang op de verklaring moeten wachten.

Sneller dan het licht zou ik willen zijn! De andere wetenschappelijke kant is meer pseudo-wetenschappelijk, namelijk psychologisch. Als je alleen op straat loopt met het plan binnen een minuut het museum binnen te gaan om naar de schilderijen van Delacroix te gaan kijken, brengt zo'n treffer je uit je evenwicht.

Het was precies op het midden van mijn voorhoofd. In verwarring bleef ik staan. Gemengde gevoelens: dit brengt geluk!, maar ook hoe krijg ik het eraf. Ik veegde en keek naar mijn vingers; die gaven de laatste bevestiging. Met die veegreflex had ik de viezigheid nog een beetverspreid. Deze vogel had bewerkstelligd dat ik plotseling niet meer wist hoe ik eruit zag. Voor de fenomenologische psychologie lijkt het me een goede grondslag om eens een reeks experimenten op touw te zetten.

Zo ver was ik met deze verhandeling gekomen toen de telefoon ging. Een mij goed bekende, geschoolde denker aan de lijn. ''Wanneer ben jij voor het laatst door een vogel op je hoofd gepoept?'' vroeg ik. ''Drie jaar geleden'', antwoordde hij zonder een ogenblik van aarzel.

''Tenminste, dat dacht ik.'' Toen volgde het verhaal dat ik hier samenvat.

In gezelschap van iemand die een filmcamera droeg, liep hij over de Derde Avenue toen het gebeurde, niet zo maar door een mus, maar een vlats die beiden deed vermoeden dat er een reiger in het spel was.

Verwarring, de eerste seconde van radeloosheid en dan het poetsen. De camera werd zo lang op de grond gezet. Tussen het poetsen door keek mijn vriend even naar zijn camera. Die was weg; verderop wandelde een keurige heer die precies zo'n apparaaroeg. De achtervolging werd ingezet, de camera heroverd.

Wat bleek het geval. Hier op straat opereert een soort dieven dat gebruik maakt van een mosterdknijper van het type dat in restaurants op tafel staat. Inhoud eenvijfde liter, zou ik zeggen. Ze vullen zo'n ding met een mengsel van mosterd en melk en nog wat groenigs, wachten tot er iemand met iets stelenswaardigs voorbijkomt en doen dan de vogeltruc. Zeker met die mosterdknijper richt de dief een catastre aan die hem en zijn maat de eerste vijf minuten vrij spel geeft.

Ik wil graag weten wie die truc heeft uitgevonden en vooral op welk ogenblik. Ik ben er bijna zeker van dat het eureka hem is overkomen nadat hij zelf juist door een vogel was getroffen. Zo zijn veel, ook grote uitvindingen tot stand gekomen en ontdekkingen gedaan.

Ter voltooiing van het anekdotisch hoofdstukje: ik werd in de afhandeling van dit incident geholpen door de exploitant van een karretje met hot dogs, frankfurteen cola. Zwijgend reikte hij me een servetje, zwijgend keek hij naar mijn poetsen en zwijgend heeft hij mijn dankbaarheid geregistreerd.