Connors en de dramatiek van een levende legende

PARIJS, 1 JUNI. Michael Chang was drie maanden oud toen Jimmy Connors in 1972 voor de eerste keer zijn opwachting maakte op Roland Garros. Gisteravond verzorgde de Amerkaanse tennisveteraan, die 2 september 39 jaar wordt, persoonlijk zowel de heroek als dramatiek van de 1991-editie van het Parijse Grand-Slamtoernooi, door na drieeneenhalf uur met kramp in zijn rug van de baan te wandelen. Hij joeg de bal nog een keer langs de verbouwereerde Chang, scoorde daarmee het eerste punt in de eerste game van de vijfde set, asof hij daarmee nog een keer zijn status als levende tennislegende wilde bevestigen.

Daarna richtte Connors zich als morele winnaar tot de umpire, want normaal opgeven is iets wat in zijn filosofie niet bestaat. Na 6-4, 5-7, 2-6, 6-4 en 15-0 riep Connors in de microfoon: “Ik hou er mee op. Als het niet gaat, gaat het niet meer he?” Onder ovationeel applaus slofte hij - geflankeerd door fysiotherapeut Bill Norris - vervolgens van het court central.

Chang bleef door de Connors-show met een onbevredigend gevoel achter. Hij stelde: “Connors heeft veel bronnen waar hij zijn energie uit put. Echt moe wordt hij volgens mij nooit. Ik had weliswaar al een paar keer tijdens de wedstrijd het idee dat hij er doorheen zat, maar dan scoort hij toch weer een paar fantastische punten. Maar ja, dat weet je, dat is typisch het handelsmerk van Jimmy Connors.”

Het never say die van Connors moet ongetwijfeld iets te maken hebben met zijn achtergrond in East St. Louis, Belleville, het stadje aan de linkeroever van de Missisippi waar hij opgroeide en tegenwoordig ook met echtgenote Patti en twee kinderen weer woont. Volgens de overlevering nam zijn moeder Gloria hem als jongetje mee naar de rivier, wees naar de overkant en zei: “Daar wonen de rijken. Daar moeten wij ook terecht komen.”

Twee weken geleden dook de dwangzieke moeder na lange tijd weer eens op toen zij haar zoon telefonisch afmeldde voor het toernooi in Ede.

“Een moederskindje”, reageerde ooit Chris Evert op haar verbroken verlovin met Connors, in zijn jonge jaren de bad boy van het tennis.

De gesimuleerde sexgebaren, zijn onbeschofte taalgebruik, het ruige optreden en het schofferen van umpires en tegenstanders op de baan; het zou voor Freud een aardig studieobject zijn geweest.

Maar zelfs in de jaren dat Connors langzaam transformeerde in een brave huisvader, die door het publiek - dat altijd appelleerde aan zijn honderd procent inzet - als lieveling werd geaccepteerd, is aan zijn tennisspel weinig veranderd. Jack Kramer, een voormalig Wimbledon-kampioen, heeft in zijn boek 'The Game' een poging gedaan het spel van Connors te analyseren. Maar zelfs hij stond voor een raadsel dat een speler met een middelmatige service en ook een aantal andere slagen dat te wensen overlaat, zich tot een dergelijk fenomeen in het proftennis kon ontwikkelen als Connors.

Maar met zijn superieure service-return, de achttien karaats geslagen dubbele back-hand, zijn spreiding van het spel, het jagen op de baan, de diepe vlak opde base-line neerdalende ballen en de geweldige vechtersmentaliteit was James Scott Connors jaren onbespeelbaar en ontwikkelde hij zich als de meest gevreeste en agressieve baseline-tennisser aller tijden.

Connors won zijn eerste toernooi in Jacksonville in 1972, zijn laatste titel behaalde hij in 1989 in Tel Aviv. In totaal realiseerde Connors het record van 109 toernooizeges, meer dan de twee andere tennisrebellen van het eerste uur, John McEnroe en Ilie Nastase, bij elkaar. Connors won in de singles in totaal acht Grand-Slamtitels, met Nastase won hij de US-Open en Wimbledon ook in het dubbelspel. 54 keer stond hij in een finale die hij verloor.

1974 was zijn topjaar waarin hij vijftien toernooien won (weer een record), waaronder Melbourne, Wimbledon en de US Open. Voor Parijs werd hij dat jaar geschorst. Gras, gravel, hard-court, het maakte Connors betrekkelijk weinig uit. Van 1974 tot 1977 stond hij het recordaantal van 159 weken onderbroken nummer een op de wereldranglijst.

Het toernooi van Wimbledon laat Connors over drie weken schieten voor zijn werkzaamheden bij het Amerikaanse televisiestation NBC. Maar dat betekent niet dat zijn tennisloopbaan nu ten einde is. Connors, inmiddels afgezakt naar een 324ste plaats op de ATP-ranking, is van plan in de nazomer nog zes toernooien te spelen, waaronder Flushing Meadow. Connors: “Het geheim? Misschien ben ik nog wel een van de weinige spelers die nog met plezier tennist en niet voor de centen.

18.000 mensen betalen hier om het beste van mij te zien. Dat krijgen ze dan ook. Zo lang het gaat. Als ik de kans had gehad door te gaan dan had ik dat gedaan. Misschien kom ik volgend jaar nog eens terug.

Zo lang ik maar mee kan komen en mijn spel niet iets treurigs gaat krijgen. Het grootste verschil tussen Chang en mij vandaag was dat hij nog een paar goede benen heeft.''

Met Chang bereikten ook Agassi, Forget, Mancini, Hlasek en Becker de vierde ronde. Becker antwoordde fijntjes op de vraag van een Amerikaanse verslaggever of hij het tennis nog wel leuk vindt: “De ene dag heb je er meer plezier in dan de andere. Maar het is denk ik hetzelfde als met uw beroep. Het moet voor u toch ook niet altijd even leuk zijn om telkens maar weer te vragen wat ik er van vind?”