ANNA, DE OMA VAN JEZUS

Heilig Familieleven. Verspreiding en waardering van de Historie van Sint-Anna in de stedelijke cultuur in de Nederlanden en het Rijnland aan het begin van de moderne tijd (15de-16de eeuw) door Ton Brandenbarg 317 blz., gell., Sun, f 39,50 ISBN 90 6168 333 5

'Wat heb je aan een God zonder Moeder? Dan kun je net zo goed geen God hebben'', meende Gerard Reve. De biografieen van Christus, zoals neergelegd in het Nieuwe Testament, maken echter vooral melding van Maria vanwege haar essentiele rol in de menswording van Gods Zoon, en veel minder vanwege hoederrol. Het aantal regels dat na Christus'

geboorte nog aan Maria wordt besteed, is gering, en de Evangelisten nemen al helemaal geen moeite om melding te maken van Anna, de grootmoeder van Christus. Een stamboom van Josef komt wel voor in de Evangelies van Lucas en Mattheus, voor die van Maria moet men zoeken in de apocriefe evangelien, zoals het Proto-evangelie van Jacobus, het Pseudo-Mattheus-evangelie en het Evangelie van de geboorte van Maria, respectievelijk uit de tweede, vijfde en zesde eeuw.

Het is op deze Anna dat Ton JH)denbarg in 1990 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. In het proefschrift wordt devotie niet als een puur religieuze aangelegenheid benaderd, maar wordt het in de maatschappelijke context bezien, een invalshoek die de laatste jaren opgang maakt. Wat de verering van welk type Anna zegt over de familiaire en gezinsverhoudingen, in dit geval rondom 1500, daar gaat het om. In dit werk analyseert Brandenbarg de teksten over SintAnna om te zien in welke mate de literatuur die veranderde opvatting aangeeft, weerspiegelt of juist probeert tegen te houden. De historiciteit van Anna staat hierin niet ter discussie: zijn de oudste bronnen voor een historicus drijfzand, voor de neerlandicus Brandenbarg is het smakelijke kost.

Het zijn de oudste bronnen die ingaan op de voorouders van Maria, en met name haar ouders, Anna en Joachim. Hoe schaars of gering ook, ze boden voldoende voedsel aan de middeleeuwse fantasie om tot een grote stroom devotioneleratuur te komen die rondom 1500 een hoogtepunt bereikte. De legendevorming rond Sint Anna diende om Christus tenminste van de vrouwelijke kant een stevige stamboom te geven van een boven elke twijfel verheven geslacht. Gezien de bevruchting door de Heilige Geest is de stamboom van mannelijke zijde wel zeer kort, al wordt, met de Boom van Jesse, Christus wel in een lijn gebracht met de vader van David, Jesse of Isa, die de wortel vormt van een boom waarin koningrofeten en aartsvaders voorafgaan aan de kroon met Maria en Jezus. Anna en haar familie, haar 'Maagschap', is evenzogoed een verdichtsel waarin tal van namen mooi op hun plaats vallen. Het kadert de belangstelling in voor genealogie van het soort dat de Habsburgs rechtstreeks afstammelingen maakt van de helden van Troje.

DRIE HUWELIJKEN

Haimo van Auxerre (+ 855) geeft in zijn Historiae Sacrae Epitome als eerste de H. Maagschap weer, en diens voorstelling van Anna als stammoeder raakte vanaf 1100 in brede lagen vermeld,r ook afstammelingen tot en met Sint Servaas. Anna zou de dochter zijn van Emerentia(na) en Stollanus en nog een zus hebben, Esmeria, uit wier huwelijk met Efram Elisabeth voortkwam, de moeder van Johannes de Doper. Anna huwde drie maal, niet graag en - zo wordt beklemtoond - zonder vleselijke begeerte, slechts omdat God het haar zo opdroeg. Na de dood van Joachim en de geboorte van Maria trouwde ze met Cleophas en na diens dood met Salomas. Uit drie huwelijken werd telkens een dochter geboren, allen Maria geheten, die allen aan een man geraakten en kinderen kregen. Deze neven van Jezus komen we als de apostelen Jacobus de Mindere, Simon Zelotes, Judas Thadeus, Josef Justus (Barnabas) alsook Jacobus de Meerdere en Johannes de Evangelist naast de genoemde Johannes de Doper verder in het Evangelie tegen.

Deze voorstelling van zaken paste goed in een rurale samenleving, waar tmoeders, zoals nu nog in Italiaanse huisgezinnen, de familie bestierden, en ze vormde een aanvaardbare overgang van de heidense moedergodinnen naar een christelijker beeld. Het christendom heeft zich immers mede zo goed kunnen verspreiden door de inculturatie van hardnekkig heidendom. Anna als redderende moeder en grootmoeder was bovendien herkenbaar en had meer menselijke trekken dan de andere vrouwelijke heiligen, die steevast maagd bleven, aan anorexia leden en de marteldood stierven. Naarmate de Middelee vergleden en het sacrament van het huwelijk in de samenleving belangrijker werd, lagen de drie huwelijken (ondanks het heilige getal) steeds moeilijker.

Propagandisten moesten zich in allerlei bochten wringen om dat nog aannemelijk en geloofwaardig te maken.

Met de verstedelijking van Europa kwam het gezin als hoeksteen van de samenleving op, en was de rol van de grootmoeder uitgespeeld. Als ze niet uitkeek, werd ze geassocieerd met heks, oude geile vrouw en albedil, of met het ook nu nog gan beeld van de schoonmoeder. Anna mocht dan wel ook de beschermheilige zijn van alleenstaande vrouwen, weduwen en oude vrouwen, gezien de verschuivende gezinscultuur werd omstreeks 1500 vooral de klemtoon gelegd op Anna als lieftallige grootmoeder, die goed was geweest voor haar dochter Maria met een voorbeeldige en deugdzame opvoeding, en die bovendien zeer dicht bij Christus stond. Na het Concilie van Trente (1545-63) nam Josef haar plaats in: het gezin had het in bg gewonnen van de familie.

HUISMOEDER

Nog in de tweede helft van de vorige eeuw was er een opleving van de Sint Anna-cultus, waarin ze werd ingezet in het beschavings- annex moraliseringsoffensief; vooral werd ze als voorbeeldige huismoeder en beschermheilige van oudere vrouwen gepropageerd. De verering kwam echter al voor in de zesde eeuw in Jeruzalem en Constantinopel en sijpelde langzaam door naar West-Europa. Een belangrijke injectie kreeg de verering in de landen toen Godfried van Bouillon na terugkeer van een kruistocht naar het Heilige Land in 1101 aan de Gentse Sint Nicolaaskerk een belangrijk reliek van Sint Anna schonk. Pauselijke goedkeuring van de verering schonk Urbanus VI in 1378 ofschoon het nog tot 1481 zou duren vooraleer Sixtus IV de Annadag in de roomse feestkalender opnam. Ondanks een kleine onderbreking van 1571-84 is 26 juli nog steeds St. Annadag.

Zestig jaar na het verschijnen van Beda P. Kleinschmidts Die heilige Anna, Ihre Verehrung in Geschichte, Kunst Volkstum (Dusseldorf 1930), dat vanuit een impliciete betrokkenheid bij de devotie werd geschreven, trekt Sint Anna aandacht van wetenschappelijke zijde, maar nu juist in een maatschappelijke context. De hagiografie als exempel en als bewijs van verschuivingen in opvatting over familie en gezin en de positie van de vrouw is recent in drie tentoonstellingen aan bod gekomen: Tussen heks en heilige in Nijmegen, Hemelse en helse vrouwen in Utrecht en Kent en versint. De schrijver de onderhavige dissertatie was bij de organisatie daarvan betrokken, maar geeft in dit werk - als neerlandicus - een onderzoeksverslag van de tekstbronnen van de Sint-Annacultus in de Nederlanden en het Rijnland in de periode van de omslag.

HANDSCHRIFTEN

Vrijwel gelijktijdig studeerde Willemien Deeleman-Van Tyen af op Een onderzoek naar vorm, inhoud en functioneren van het thema Sint-Anna-te-drieen in de Nederlandse beeldhouwkunst der late middeleeuwen, een tekst waarvan een excerpt deel zal uitmaken van de catalogus van de tentoonstelling over de Sint Anna-te-drieen, die in Uden zal worden gehouden zodra het Museum voor Religieuze Kunst is gerenoveerd, naar verwachting begin 1992. Ook van Brandenbarg verschijnt daarin een tekst, die gemakkelijker toegankelijk zal zijn dan deze dissertatie.

De verschuivende betekenis van Anna, eerst als centrum van een grote clan, dan als lieve oma, uit zich in de kunst door een vervanging van deH. Maagschap door de Sint-Anna-te-drieen (dat is van Anna temidden van haar nageslacht naar Sint Anna met op haar schoot Maria die op haar beurt de kleine Christus op schoot heeft) en in de literatuur op een soortgelijke wijze. De zeventien hagiografieen uit de periode 1490 tot 1500 bestaan voor het merendeel uit handschrift, sommige uit incunabelen, maar nooit is er een redelijk moderne herdruk van verschenen. De teksten zijn in het boek niet overgenomen, maar de essentie ervan is in de bijlagen opgenomen. De omslag van Anna als stammoeder naar grootmoeder is niet zo expliciet als de schrijver wel had gehoopt, maar uit de klemtoon die soms juist op de H. Maagschap wordt gelegd mag worden afgeleid dat het publiek waarvoor de teksten zijn geschreven, al flink begon te twijfelen.

Uit de accentwisseling blijkt vooral dat de schrijvers aansluiting zochten bij hun 'doelgroep' en de verwachtingen die onder die groep leefden ten aanzien van de morele strekking en de devotionele vroomheid. eologie - en vooral de verschillen van inzicht omtrent de onbevlekte ontvangenis van Maria - raakt er wel eens bij in de verdrukking. Zonder uitzondering propageren de schrijvers van de Annalevens de devotie als middel tot hervorming van vroomheid en van goede zeden.

Uit het grafschrift van een van hen, Johannes Trithemius (1462-1516) abt in Sponheim en schrijver van De laudibus sanctissimae Matris Annae (Mainz 1494), blijkt dat deze de Annaverering ls het aangewezen middel om in een tijd van stervend geloof en verkilling der liefde de mensheid voor het volledig verderf te behoeden. Zijn overtuiging, dat het toenemend bederf der zeden en de verwaarlozing van het christelijk geloofsleven het Laatste Oordeel dichterbij brengen, is nog niet door de feiten bevestigd al blijft de boodschap actueel.