Regen in de kamer; Wat het betekent om niet te kunnen zien.

John Hull is blind. Hij is dat al zo lang dat hij zich de gezichten van de mensen om hem heen niet meer herinnert. De mensen tegen wie hij spreekt hebben geen lichaam meer. “Het waren stemmen op stelgeworden.” In zijn boek Touching the rock leidt hij de lezer rond door een wereld waarin vanzelf- sprekende dingen als een glimlach, een roeispaan, een hardloper niet meer gewoon zijn.

John M. Hull Touchhe rock, Pantheon Books, New York, 1991. Prijs (f) 43,-.

Touching the rock van John Hull is een boek uit de duisternis. De lezer moet zich dat steeds blijven herinneren. Als de schrijver het bij voorbeeld over een glimlach, de regen, een kerkklok of speelgoed heeft zijnwoorden zo gewoon dat het soms lijkt of er niets aan de hand is. Dat geldt ook sterk voor begrippen met een vaste tijdsduur. Over indelingen als een nacht, een weekeinde of een maand kan geen misverstand bestaan. De schrijver mag zulke vanzelfsprekendheden bij de lezer bekend veronderstellen. Voor hij met zijn verhaal begint hoeft hij ze niet van een uitleg te voorzien.

Hull is de toegang tot die algemene eenvoud ontzegd. Hij kan er nooit meer naar terugkeren. Hij ziet, zoals hij het zelf zegt,zijn lichaam.

Tussen de lezer en hem zit een barriere die nooit opgeruimd kan worden. Toch heeft hij dat in Touching the rock geprobeerd.

Als Hull glimlacht is hij zich daarvan altijd bewust. Hij weet dat de glimlach een lichaamsbeweging is die weinig inspanning vergt. Maar hij voelt zijn wangspieren elke keer weer, alsof er tijd zit tussen de opdracht en de uitvoering van het bevel. Hij vermoedt dat dit komt omden glimlach van een ander tot hem doordringt. Het is voor hem niet meer mogelijk zo'n beminnelijke groet te beantwoorden. Die is immers geluidloos. Hij zou niet weten welke kant hij op moet kijken. De glimlach moet bestuurd worden zonder dat de bestemming bekend is, zeker als er verschillende mensen in de kamer zijn.

De glimlach is voor Hull niet meer dan een woord en de een of andere beweging vlakbij zijn eigen mond. Ook de gezichten die hij nog heeft gekend beginnen te verdwijnen.

Toen Hull zeventien jaar was kreeg hij grauwe staar en verloor ht zicht in zijn linker oog. Hij herinnert zich dat hij zijn linker schouder voor het laatst zag en dacht: in het vervolg zie ik die alleen nog in de spiegel. Hull is nu zesenvijftig. In 1983 verdwenen de laatste schakeringen van het licht; ruim twee jaar eerder zag hij al zo goed als niets meer. Hij kan zijn hoofd nu naar de zon keren zonder dat er zelfs maar een zwak schijnsel tot hem doordringt.

Daarna werd langzaam zijn herinnering aan het zichtbare gesloopt. Hull had nog een beeld van de mensen die hij kende voor hij zijn gezichtsvermogen had verloren. Dat kon hij vooral ophalen door aan een foto van een beminde of bekende te denken; een scherp gekaderd gezicht bleef hem eerder bij dan de herinnering aan een oogopslag of een lach.

Toen hij dit aan iemand vertelde luidde het antwoord: mooi, dan blijft je vrouw voor jou altijd jong.

Zijn nieuwe vrienden, kennissen of collega's hadden geen gezicht meer. Als hij tegenover iemand zat probeerde hij zich eerst nog een voorste van hem te maken. Het was alsof hij naar een televisietoestel zat te kijken waarop plotseling, in een flits, een kop verscheen.

Ah, dacht hij, daar zit hij, met zijn bril, dat baardje, z'n gestreepte pak en blauwe das. Dat beeld vervaagde en even later zat er een kleine dikzak met een kaal hoofd. Wat was die man aan het zweten....

Die fantasieen werden minder. Hull richtte zich nu op de stem. Hij begon zelfs te vergeten hoe zijn vrouw en oudste dochter eruit zagen.

Van hun gezicht bestin zijn herinnering geen batig saldo meer. Hun beeltenis werd niet met nieuwe indrukken aangevuld. Ten slotte werd het voor hem steeds moeilijker nog te geloven dat mensen een voorkomen hebben. Er moet wel iets aan hen te zien zijn, maar hij wist amper nog wat. Zelf was hij niet alleen zijn schouder verloren, maar ook zijn gezicht en de rest van zijn lichaam. Hij probeerde zich te herinneren hoe hij er op foto's uitzag. Tevergeefs. Hij kon zich zijn gezicht niet meer voo geest halen. Ook de mensen tegen wie hij sprak hadden geen lichaam meer. Het waren stemmen op stelten geworden, de ene hoog, de andere wat lager.

Hull begon noodgedwongen onderscheid te maken tussen gewaarwordingen die vroeger nauw met elkaar waren verbonden. Neem een gerecht. Dat kun je voor je het eet tegelijkertijd ruiken en zien. Hull restte alleen nog de geur. Pas nu kwam hij erachter dat die geur het gerecht meestal aankondigt, als bij gebraad of gebakken vis. Maar het komt ook vot de geur een goede tweede is. Je ziet een appel eerder dan dat je hem ruikt. In een fruitmand gaat die vrucht zelfs ten onder, leent hij zijn geur aan een voor Hull onbestemd collectief.

Het boek bevat geen klacht. De schrijver probeert alleen een indruk te geven van de manier waarop hij de werkelijkheid ervaart. Steeds gaat het over de allereenvoudigste dingen.

Sneeuw Als het sneeuwt maken familieleden en collega's zich bezorgd om Hull.

Het is gladder dan anders. Op zijn dagelijkse route naar zijn werk zou hij wel eens kunnen uitglijden. Toch is dit zijn minste zorg. Aan zijn gevoel van evenwicht mankeert niets. Hij draagt stevige laarzen en blijft net zo goed overeind als iemand die de hele straat kan zien.

Steeds opnieuw moet hij de mensen die zich zorgen over hem maken uitleggen dat de sneeuw hem heel anders en veel ingrijpender hindert.

Onderdelen van de route gebruikt hij op een volstrekt andere wijze dan de gewone wandelaar. Bijzaken zijn voor hem van het grootbelang geworden. Het relief van een lantaarnpaal, de kromming van een trottoir, de tekening in een bepaalde plek van het asfalt zijn letterlijk de wegwijzers. De sneeuw laat die in het niets verdwijnen.

Omdat het lichaam alleen een notie heeft van wat het zelf aanraakt en van wat de witte stok betast is de ruimte waarin hij zich bevindt nu geblindeerd. Er zijn geen verschillen meer, de oppervlaktes zijn verwisselbaar.

Op verschillende bljden spreekt hij over de geluidsvorm van een stad of landschap. Op een dag zit hij naar een park te luisteren. Mannen zijn aan het voetballen, eenden snateren en klapperen met hun vleugels in de vijver, hardlopers rennen over een pad, roeispanen doorklieven het water, kinderstemmen roepen. Hull noemt het een rijk panorama van beweging en muziek.

Weer zijn deze woorden als park, vijver en roeispaan zo simpel en zo met het licht verbonden dat de lezer moet blijven bedenken dat ze in het duister zijn gehuld. Maar ook de geluidie Hull beschrijft hebben voor hem een andere betekenis.

Soms was het erg bedrijvig in het park, op andere ogenblikken werd het stiller. De eenden snateren niet meer. Waren ze weggevlogen of trok iets plotseling hun aandacht? De roeiboot kwam tot rust. Zaten de mensen nog in een boot of waren ze al aan wal?

Voor iemand die ziet en hoort wordt elke stilte in het park door het beeld opgevangen: een kerktoren in de verte, de bomen, de schaduwen en lichtplekken op de grond, de tek van een zwerm vogels tegen de lucht.

Hull kan alleen afgaan op de gebeurtenissen waarin geluid wordt gemaakt. Het pad, niet ver van de bank waarop hij zit, bestaat pas als er een hardloper overheen rent. Maar als die voetstappen zijn verdwenen sterft ook het pad. De stille wereld met alle dingen die er zomaar, in alle rust zijn, bestaan niet meer voor hem. Het leven moet met een gesprek, een kerkklok, een voetstap of een vleugelslag hoorbaar worden gemaakt. In de ps tussen die geluiden is er niets. Het zijn gaten die zo snel mogelijk met welk lawaai dan ook gevuld moeten worden.

Donker John Hull werd in 1935 geboren in Corryong, Australie. In 1959 emigreerde hij naar Engeland. Hij woont in Birmingham, is voor de tweede keer getrouwd, heeft vijf kinderen en doceert theologie aan de universiteit van Birmingham. Ruim twee jaar nadat hij begin 1981 officieel was ingeschreven als iemand die niets meer ziet begon hij zijn ervaringen met behulp van een cassette-recorder vast tggen. In Touching the rock zijn dat gedateerde hoofdstukken geworden die het tijdvak 1 juni 1983 tot 22 augustus 1986 beslaan.

Toch bestaat het boek niet uit een groot aantal losse notities. Hull is er in geslaagd zijn verschillende thema's een samenhang te geven.

Hij wil de lezer laten weten wat het inhoudt om in het donker te leven. Daarvoor gebruikt hij zijn alledaagse belevenissen. Hij schrijft over zijn omgeving, zijn familie, zijn werk, zijn vriendschap met mannen en vn. Steeds gebeurt dat uit het perspectief van iemand die met een zintuig minder toch verder moet.

Hull heeft zijn verhaal van twee tegenmelodieen voorzien. Van tijd tot tijd beschrijft hij zijn dromen. Alleen 's nachts maakt hij een kans naar vorm, kleur en licht terug te kunnen keren. Soms ziet hij het gezicht van zijn eigen kind, ofschoon hij niet weet hoe het er werkelijk uitziet. Een andere keer sluit de droom aan op het vertrek waarin de slapende Hull zich bevinEP)Hij was op een zaterdagmiddag naar de universiteit gegaan om wat achterstallig werk te doen. Omdat hij een beetje vermoeid was doezelde hij weg in de leunstoel van zijn werkkamer. Hij zag een collega binnenkomen die vertelde dat hij vast naar huis ging en de deur weer achter zich dicht deed.

Hij keek naar de boekenkasten en zag boeken en dozen met etiketten in de prachtigste kleuren. De voorwerpen op zijn bureau en een paar tafels waren hel verlicht. Hij durfde zijn ogen - in de droom - niet neer te slaan uit angst dat alles dan weer voorgoed zou verdwijnen.

Kan hij zijn vriend nog inhalen om hem het goede nieuws te vertellen? Hij holt de gang op en ziet dat hij zijn hand heen en weer beweegt, alsof die met een stok naar obstakels tast. Maar er is geen stok en hij denkt, nog steeds in de droom: nu ik weer kan zien hoef ik die gekke beweging niet meer te maken, maar wat zal het moeilijk zijn om dat af te leren.

Hij bereikt de lift en ziet dat de deuren zich net achzijn collega en zijn gezin sluiten. Dan vervaagt het beeld. Hull schrijft dat hij niet in de droom zijn gezichtsvermogen verliest. Pas als hij wakker wordt ziet hij niets meer. De schok is ditmaal nog groter dan anders omdat de lokatie in de droom en in de werkelijkheid dezelfde is. Hij besluit dit voorval met deze huiveringwekkende zin: na elke droom word ik opnieuw blind. De blinde ziet de verloren gewaande werkelijkheid terug, maar weet niet dat hij die weer zal moeten opgeven.

Goocheldoos Het is duidelijk dat hij met de beschrijving van deze overgang tussen dromen en waken het niets meer kunnen zien zo dicht mogelijk bij de lezer tracht te brengen. Een paar keer probeert hij er letterlijk een voorstelling van te geven met een truc die uit een goocheldoos afkomstig lijkt te zijn.

In het algemeen wordt aangenomen dat iemand een indruk van blindheid krijgt als je een doek voor zijn ogen bindt. Hull bestrijdt dat. Als je de proef zo uitvoert wordt de tastzin buiten beschouwing gelateat zintuig heeft de taak van het uitgeschakelde gezichtvermogen overgenomen. Een blinde, zo schrijft Hull, ziet met zijn vingers. Hij kan een glas water van de ene kamer naar de andere dragen, maar als hij twee glazen moet verplaatsen komt hij in moeilijkheden.

Wie zich een inzicht wil verwerven in de bewegingsmoeilijkheden van een blinde moet gaan staan, in elke hand een glas water nemen en zich meteen daarna laten blinddoeken. Als hij zo door de kamer loopt zal hij zijweg alleen met de grootste moeite kunnen vinden. Niet alleen zijn ogen, maar ook zijn vingers zijn buiten dienst. Pas nadat hij de glazen heeft neergezet kan hij, als een blinde, weer een indruk van zijn omgeving krijgen.

De schrijver heeft niet de illusie dat zo'n theaterstukje veel verheldert. De tweede tegenmelodie in het boek wordt nu juist gevormd door de poging van Hull de volledige duisternis te aanvaarden. Hij leert zichzelf waardering te krijgen voor de indrukken die buiten het gezicht om gaan. Hij moet het van nu af aan doen met de vorm, het relief, de zwaarte, de temperatuur en het eventuele geluid van wat hem omringt en dat hem wellicht bereikt.

Die verandering van de waarneming is volkomen. Toen Hull ontwaakte uit de droom in zijn werkkamer en hij weer uit het licht en de kleuren werd verwijderd viel hij onmiddellijk samen met zijn eigen lichaam.

Dat was zijn grens; geluiden hoorde hij niet. Hij voelde kleren tegen zijn lichaam; de zitting en de leuning van de stoel en het blad van zijn bureau vielen nog net binnen zijn territorium. Daar buiten hield het op.

Ook zijn tijdsbesef verandert: de ervaring heeft volgens Hull haar interpretatie verloren. Tijdens zijn werk wordt hij door zo goed als niets afgeleid. Hij zal niet plotseling opstaan om een boek in de kast te verplaatsen of om even voor het raam te gaan staan. De tijd is eenduidig geworden, hangt vrijwel alleen samen met het werk dat moet worden gedaan.

Alleen zijn vermoeidheid geeft verschil tussen dag en nacht aan. De dagen worden wel kouder, maar niet korter. De seizoenen bestaan alleen nog als het weer sterk verandert. Van een bezoek aan zijn geboorteland Australie herinnert hij zich vooral de vorm van een bepaalde bank, de koele tegels van een badkamer, de bekleding van een stoel in een auto en de textuur in de stof van een veiligheidsgordel.

Zijn herinnering hecht zich aan de oppervlaktes die hij heeft leren kennen. Hij vergelijat met de lichamelijke sensaties van een volwassene die aan zijn jeugd terugdenkt. Ineens voelt hij weer de ruwe wol van een trui of het kamgaren van een broek, stoffen die vaak langs zijn lijf en benen zijn gegleden. Zulke herinneringen komen niet vaak voor, maar voor Hull zijn ze het belangrijkst geworden.

Tunnel Voordat hij in de zomer van 1984 zijn reis naar Australie maakte gebruikte hij, om het beslotene van zijn wereld weer te geven, regelmatig het beeld van een in een berg geboorde tunnel waarin hij steeds dieper wegzakte. In de verte zag hij nog de laatste flikkeringen van het daglicht als fletse symbolen van wat hij eens had gezien. Na zijn Australische reis was hij een bocht in die tunnel omgegaan. Hij kon de laatste beelden die hij van dat land had niet meer met nieuwe voorstellingen aanvullen. De vergezichten die hij nog kende waren verouderd, behoorden tot het verleden. Het einde van de tunnel was voorgoed uit het zicht, alsof het met een rotsblok wasafgedekt.

Dan neemt Hull het besluit de rots niet meer te ontlopen en het gezicht naar de duisternis te keren. Hij zoekt een nieuwe verhouding tot wat er voor hem is overgebleven. De stukken over die speurtocht zijn licht van toon. Hij komt erachter dat een trap voor hem een van de veiligste plekken is. Door de muur en de leuning is de breedte goed te schatten. Met zijn stok voelt hij altijd de hoogste en de laagste tree. Op een trap wordt hem nooit door mmer of een stoel de weg versperd. De leegte is voorbeeldig gearticuleerd.

Hij leert dat het niet erg is om te vallen, maar hij mag nooit de weg kwijt raken. De campus van de universiteit is hem behulpzaam, omdat er veel heuvels, dalen, muurtjes en trappen zijn die van elkaar sterk in hoogte verschillen. Het is alsof hij de buigingen van een melodie volgt die zich in de ruimte heeft uitgestrekt.

Op een groot parkeerterrein mag hij nooit terechtkomen. Als hij met een stok om een auto loopt is de kans groot dj de stand van een tweede wagen fout schat. Hij slaat een verkeerde hoek om en is nu gevangen binnen een doolhof van blik. Alle hoeken en zijden blijven gelijk, er is alleen maar regelmaat, geen scherp teken dat hem de weg naar de uitgang zou kunnen verraden.

De wind heeft de plaats van de zon ingenomen. De bladeren ritselen, papier wordt over het plaveisel geblazen, muren en hoeken verbuigen de wind, die Hull steeds anders door zijn handen en langs zijn gezicht voelt gaan. De wind laat bomen ontstaan op plekken waar eerst niets was.

Op de stations van de ondergrondse in Londen let hij op het geluid van de luchtstroom. Als hij een perron oploopt klinkt dat heel anders dan wanneer hij het verlaat. In de trein luistert hij naar de gesprekken, de voetstappen en het geruis van kleren en naar de gevarieerde geluidsverdikking die om de twee, drie minuten is te horen als er een nieuw station wordt bereikt en de deuren opengaan.

De wind en de regen blijven onmisbaar voll, omdat ze aan geen plek zijn gebonden. Op een avond staat hij voor zijn huis bij de tuin. Hij weet welke bloemen en planten erin staan, hij kent het grasveld, de schutting en de schuur, die hij met zijn vingertoppen heeft leren kennen. Op dit ogenblik is hij van de tuin gescheiden. Hij raakt immers niets aan.

Het begint hard te regenen. De regen spettert tegen de muren links en rechts van de luisteraar. Hij hoort de harde slagen op de bladeren van de struiken, de diepe klank wa de regen op het gazon valt, even verder schampen de stralen langs de schutting. De vijver, de houten bank, een vloer van beton, alles wordt nu door de regen betast en al die aanrakingen klinken zo verschillend dat de tuin voor Hull nu diepte en omtrekken krijgt. Dat geluid in de verte, al die tikken kort na elkaar, dat moet de trap zijn, een waterval vormt de stenen treden.

De regen maakt een geheel van wat anders voor Hull alleen uit te betasten fragmenten bestaaRegende het maar eens in de kamer'', schrijft hij. Dan zou hij in een ogenblik een geluidsafdruk krijgen van zijn eigen interieur.

In augustus 1986 verblijft Hull enige tijd in een klooster. Dit keer was de nieuwe omgeving extra moeilijk voor hem. Er waren zoveel gangen, trappen, zuilen en portalen dat hij geen overzicht van de plattegrond van het gebouw kon krijgen. Overdag werd hem door anderen zo vriendelijk de weg gewezen dat hij de route niet in zich op kon nemen.

Daarom ging hij 's nachts alleen op onderuit. Hij vond de weg naar de eetzaal en de bibliotheek. Nu hij op eigen kracht zocht kon hij de indeling van de ruimte lijfelijk ondergaan. Op een nacht ontdekte hij een grote houten deur. Hij maakte die open, ging naar binnen en liep de trap op. Beneden was een groot en koel vertrek met een stenen vloer. Het moest de abdij zijn.

De volgende nacht gaat hij naar de abdij terug. Hij weet dat daar een altaar is dat uit een blok marmer bestaat. Zijn vingers glijden langs een hoek. Hij voelt letters die in het marmer zijn gehouwen. Het altaar is lang, dat merkt hij als hij langs de voorkant loopt.

Maar hoe breed is het? Hij buigt zich voorover, maar kan zelfs met gestrekte armen de achterzijde niet bereiken. Nu zou hij om het altaar moeten lopen, zodat zijn vingers met een optelsom van indrukken de grootte van deze kolos kunnen vaststellen.

Dan hijst hij zichzelf op het marmer. Hij ligt er nu bovenop en voelt de onregelmatigheden en de afgeschuurdekken in het gladde oppervlak.

Zijn handen, zijn armen, zijn benen en lijf vormen zich tegelijkertijd een beeld van de stenen tafel. Dit was het hart van de rots, die hij nu eindelijk voluit durfde aan te raken nadat die het einde van de tunnel had afgesloten.

Met dit beeld besluit Hull zijn boek. Het gaat niet alleen over blindheid. In het begin van zijn verslag gebruikt hij deze paradox: hij voelt zich als iemand die kan zien, alet hem niet mogelijk iets met eigen ogen waar te nemen. Het zien is in deze uitspraak niet meer aan het gezichtsvermogen gekoppeld, maar moet veel ruimer worden opgevat. De tastzin, het gehoor, de reuk en de smaak, elke zintuigindruk valt er onder.

Met een zintuig minder leidt Hull de lezer naar een amalgaam van de lichtste gewaarwordingen: de sneeuw die de weg uitvlakt, de arm die het bureau raakt, de polyfonie van de regen in de tuin. Voor wie kan zien zijn dat de desserts van de ervaring. In Touching the rock krijgen ze hun grote kracht.