Bioloog A. Koster inventariseerde flora langs spoorbaan; Groene corridor doorgelicht

'Spoorwegen, toevluchtsoord voor plant en dier' is een uitgave van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Het kwam tot stand met subsidie van de Nederlandse Spoorwegen, het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij en het Prins Bernhardfonds.

Een keer werd Arie Koster door de Duitse douane in de kraag gegrepen.

Dat was aan de grens bij Babberich, waar hij zich volgens argwanende boeren op verdachte wijze langs de spoorlijn ophield. Men vermoedde dat hij in zijn rugzak drugs of andere contrabande richting Duitsland vervoerde, maar zorgvuldige inspectie leverde slechts onschuldige artikelen op, waaronder Heukels' Flora van Nederland, een pakje brood, een loep en een glazen buisje om insekten in op te bergen. Koster mocht weer gaan.

Kort geleden kon de 45-jarige bioloog uit Veenendaal een nieuw boekwerk aan zijn reeds omvangrijke oeuvre toevoegen: Spoorwegen, toevluchtsoord voor plant en dier, de vrucht van tien jaar onderzoek naar de flora en fauna op Nederlandse spoorwegterreinen. Het bevat een vrijwel volledige inventarisatie van de plantesoorten die in spoorbermen en op NS-emplacementen voorkomen. Het zijn er ruim 1.100, ofwel 63 procent van wat Nederland aan wilde planten te bieden heeft.

Daaronder bevinden zich 335 zeldzame tot hoogst zeldzame soorten, die doorgaans bescherming genieten krachtens de Natuurbeschermingswet.

Torenkruid, witte amarant, valse kamille, stinkende ballote en rapunzelklokje - Koster heeft ze allemaal gevonden en beschreven volgens het beproefde systeem van de 'uurhokken', die een oppervlak van vijf bij vijf kilometer (een uur gaans te voet) weergeven. Er waren verrassende vondsten bij. Het druifkruid - “een aromatische plant uit het Middellandse-Zeegebied” - kon door zijn naspeuringen aan de inheemse flora worden toegevoegd en langs de spoorlijn van Ede naar Arnhem ontdekte hij diverse exemplaren van het kaboutermos, dat in Nederland als uitgestorven te boek stond. Ook kleine bergsteentijm, aangetroffen bij Simpelveld, behoort dank zij hem tot de nieuwe Nederlandse soorten.

Voetsporen Koster heeft de liefde voor plant en dier in zijn bloed zitten. Als Schiedamse jongen trad hij in zijn vaders voetsporen door het vak van hovenier te kiezen bij een firma die particuliere tuinen en gemeentelijk groen verzorgde. Na een korte periode in de chrysantenteelt sloeg hij een geheel andere weg in en werd hij vormingswerker. Maar in 1975 vatte hij de draad van flora en fauna weer op door biologie te gaan studeren aan de Utrechtse universiteit.

Hij deed onderzoek naar maskerbijen, waardoor hij verzeild raakte bij steenfabrieken in het rivierenland en aan spoorlijnen, waar deze insekten veelvuldig voorkomen. Hij kwam als spoorwegbioloog bij de NS terecht, trad in dienst bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer van het ministerie van landbouw en werkt sinds 1989 als stadsecoloog aan de Dorschkamp, instituut voor bosbouw en groenbeheer te Wageningen.

Voor zijn jongste publikatie onderzocht hij een slordige 3.000 strekkende kilometer spoorberm, gelegen langs bestaande, maar ook aan opgeheven lijnen, waaronder de Borkense Baan in de Achterhoek, verscheidene goederenlijntjes rond Enschede en buiten gebruik gestelde trajcten in Zeeuws-Vlaanderen en de 'zak' van Zuid-Beveland. Hij reisde vanzelfsprekend per trein, de fiets onder handbereik in de bagageruimte, en mocht van een opmerkelijke service genieten die de gemiddelde reiziger nimmer ten deel valt.

Koster: “Soms stopten ze speciaal voor mij om me ergens tussen twee haltes uit te laten. Nee, natuurlijk niet op de drukke lijnen, waar de intercities rijden, maar op die kleine boemeltjes daar bij Winterswijk en het Miljoenenlijntje in Zuid-Limburg. Dan wilden ze wel even remmen en halt houden en dan zag je de andere reizigers verbluft de ramen opendraaien. Wat is er nu weer aan de hand? Daar komt een man met een fiets uit de trein! Ze pikten me ook wel weer op als ik klaar was. Dat waren dan goederentreinen. Dan stak ik m'n duim omhoog en kon ik rustig instappen.”

Koster typeert spoorlijnen bij voorkeur als 'groene corridors', rijk aan planten die elders niet of nauwelijks tot wasdom komen. Hij rept van een 'floristische diversiteit' die zelfs in de stad een soort van botanische lustoorden schept. “Op enkele hectaren spoorwegterrein vind je soms honderden verschillende soorten, een aantal dat je elders niet eens op een vierkante kilometer tegenkomt.”

Hij schrijft die plantaardige rijkdom deels toe aan de combinatie van aangevoerde en van nature aanwezige grondsoorten. In een landstreek van klei of laagveen vormt de spoorbaan een strook duinzand, die bevruchtend op haar naaste omgeving werkt. Ook hoogteverschillen en vochtigheidsgraad spelen een gunstige rol, terwijl zoiets als 'recreatiedruk' meestal ontbreekt. Anderzijds kan naburige landbouw met bijbehorende overbemesting weer een schadelijke invloed op de bermbegroeiing uitoefenen.

Voorbeelden Treinen lenen zich voor de import van exotische soorten, want er kan in verre buitenlanden een zaadje aan blijven hangen dat hier ter aarde valt en wortel schiet. Opvallende voorbeelden heeft Koster niet zo gauw voorhanden, maar wel is daar de curieuze geschiedenis van het bezemkruiskruid, een uit Zuid-Afrika afkomstig gewas, dat met een scheepslading ruwe schapenwol in Belgie belandde en via de Maas in Zuid-Limburg terecht kwam. Vandaar verspreidde het zich over de rest van Nederland en dat had weer met de spoorwegen te maken. Koster: “De plant trok naar het noorden via de zogenoemde schouwpaden van Zuidlimburgse mijnsteen die je langs de spoorlijnen vindt. Zo werd zelfs Twente geel van het bezemkruiskruid.”

Niet altijd hoefde de bioloog de trein uit om te zien wat hij wilde zien. Regelmatig zat hij bij de machinist in de cabine (of in de onbemande cabine achterin) om een globaal idee van de vegetatie te krijgen. Ook wie dat voorrecht niet geniet en gewoon uit het zijraampje kijkt, kan momenten van botanisch genoegen beleven, zegt Koster. Zelfs in een stad als Amsterdam, waar behaard beukkruid, spiesleeuwenbek en andere bijzonderheden zich aan de reizigers vertonen. “Als ze tenminste het geluk hebben dat de trein voor een rood sein moet wachten of stapvoets optrekt.”