Honderd jaar tussen schijn en licht; In het spoor van Anton Philips naar Sint-Petersburg

Een Philips in crisis viert op 15 mei zijn eeuwfeest. Aanleiding voor een treinreis naar de tijden van onschuld en voorspoed. Een zoektocht in het spoor van Anton Philips. Van de Lichtstad naar St. Petersburg. Dwaaltocht tussen schijn en werkelijkheid.

Hier, waar zijn groen uitgeslagen standbeeld staat, een sliert vogelpoep over zijn linkerschouder, moet zijn triomftocht begonnen zijn. De internationale triomftocht van Philips. Zo wil de mythe.

Die neiging om zich op te blazen, buiten alle proporties, heeft Philips nooit afgeleerd.

Van hier uit, van wat tegenwoordig in Eindhoven het Stationsplein heet, moet Anton Philips in 1898 zijn vertrokken naar het verre St.

Petersburg om er zijn lampen te slijten. Hier ook moet hij weer zijn teruggekeerd: van verre zwaaiend met zijn boek vol orders. Met die eerste reis naar Rusland maakte hij de firma Philips, pas zeven jaar daarvoor begonnen, in een klap tot Europa's vierde lampenfabrikant.

Dat waren nog eens tijden. Toen de gloeilamp nog high tech was. Booming business. Toen Philips nog kleine pionier was in de schaduw van de groten. Toen de produktie nog elk jaar verdubbelde. Maar de eeuwige jeugd bestaat niet, ook niet voor een bedrijf.

Is het nostalgie om bij het eeuwfeest van Philips terug te grijpen naar dat roemrijke verleden? In het spoor van Anton Philips te treden?

Per trein naar Leningrad? Is het nostalgie om tijdens de ernstigste crisis in de historie van Philips - produkt van arrogantie, wildgroei en verloedering - te reiken naar de oorsprong: het technisch kunnen, het eerlijk koopmanschap? Als om te bewijzen dat er voor de zondeval een Hof van Eden bestaan heeft. Maar nostalgie is ook niet meer wat ze is geweest.

Europa, 1898. Koningin Wilhelmina bestijgt voor vijftig jaar de troon, Bismarck en Fontane sterven verbitterd, nee, teleurgesteld; tsaar Nicholaas de Tweede speelt nog altijd met zijn speelgoedtrein.

Duitsland, een Duitsland, is dan al de economische grootmacht van Europa, Rusland is al in staat van ontbinding. Maar 'de Lamp', zoals Philips & Co. in de thuisstad genoemd wordt, is dan nog geen van beide. In 1897 bedraagt de jaarproduktie 630.000 lampen. De firma heeft 170 mensen in dienst.

Al in 1896 treft Gerard Philips - zestien jaar ouder dan zijn broertje Anton - de eerste voorbereidingen om naar Rusland te reizen. Philips moet zijn grenzen wel verleggen. De Nederlandse thuismarkt is niet groter dan twee gemeentelijke elektriciteitscentrales met ruim 10.000 lichtpunten, twee handenvol bedrijven met eigen stroomvoorziening en twee hotels met 1500 lampen. Terwijl Berlijn en Parijs al stralen in het schijnsel van de gloeilamp, gaat Holland nog altijd in gaslicht gehuld.

De broertjes Philips - eerst Gerard, later Anton - hebben de industriegebieden in Belgie, Rijnland en Westfalen al afgegraasd naar afzetmogelijkheden. Groot-Brittannie hebben ze met behulp van agenten al geopend voor export. De volgende logische daad van expansie is om de grote Duitse concurrenten - AEG, Siemens & Kaske - in de rug aan te vallen. Daarbij komt dat andere Nederlandse lampenfabrieken al jaren goede zaken doen in Rusland. Nergens in Europa wint de gloeilamp zo snel terrein als juist in het rijk van de tsaren. De Russen hebben een fase geschrapt in de licht-evolutie. Ze stappen in een klap over van de kaars en de olie op elektriciteit.

De reis naar Rusland biedt Anton voor het eerst de kans om uit de schaduw van zijn broer te treden. Later heeft Anton de bedrijfshistorie op ongegeneerde wijze geretoucheerd, zo zelfs dat Gerard tot een schim vervaagde. Maar in 1898 is zijn broer nog steeds de onbetwiste leider: oprichter, directeur-eigenaar. Terwijl Anton op de loonlijst staat.

Eigenlijk is het ook niet de bedoeling dat Anton maar Gerard naar Rusland zal reizen. Maar hardnekkige aanloopproblemen met een nieuwe stoommachine dwingen Gerard, de technicus, om in Eindhoven te blijven.

Dus moet Anton, de verkoper, gaan. “Met gemengde gevoelens” neemt Anton deze opdracht aan, schrijft prof. dr. P.J. Bouman in zijn hagiografie over 'De mens, de ondernemer'. Van meet af aan heeft hij “heel veel zin in die reis”, bevestigt zijn zoon en latere opvolger, de 86-jarige Frits Philips.

Anton heeft de tocht ook voorbereid. Uit adresboeken heeft hij de namen opgediept van potentiele klanten: grossiers, fabrieken, installateurs. Al maanden van tevoren heeft hij ze onder brieven en reclame-materiaal bedolven: in Duits, Frans en Engels. In gedienstige maar wervende woorden heeft hij ze van de komst van 'de directeur persoonlijk' op de hoogte gebracht.

Maar als Gerard eerst zelf wil gaan en een maand na het huwelijk van Anton alsnog een beroep doet op zijn broer, reageert deze laaiend.

Zijn biograaf noteert voorzichtig: “Protesterend tegen de storing van zijn eerste huwelijksgeluk”.

Als Anton in augustus 1898 naar St. Petersburg vertrekt is hij 24 jaar. Zijn trouwfoto toont een jongeman met pommadekuif. Aarzelende snor. Levenslustige ogen. Iemand met een onbeperkt geloof in de triomf der techniek en de menselijke vooruitgang, die stevig in zijn lakschoenen staat.

De tijd brengt niet altijd vooruitgang. Een treinreis naar St. Petersburg anno 1991 vergt 51 uur, drie uur meer dan in de tijd van Anton. Ook het comfort was toen groter dan nu. Reisbrochures van rondom de eeuw-wende beloven “schone retirades”, “behaaglijke stoomverwarming”. De walmende olielampen zijn net vervangen door moderne gasverlichting. Reclameposters tonen losse fauteuils met roodpluche klussens. Mahoniehouten wanden. Een gehandschoende steward op zijn knieen, die de koeler met champagne reikt. En de Compagnie Internationale des Wagon-Lits staat hoogstpersoonlijk “borg voor uw ongestoorde nachtrust”.

Kom daar maar eens om, na 160 jaar Spoorwegen en zeventig jaar revolutie. Pas na Dortmund ontdek ik waarom mijn Oosteuropese medereizigers zoveel proviand hebben ingeslagen: de nachttrein naar Warszawa Wschodnia beschikt niet over een restauratie. Net zomin trouwens als later de nachttrein naar Minsk. Of de trein naar Riga. Of het boemeltje naar Leningrad.

Na Hannover kom ik er pas achter dat die Oosteuropeanen het begrip slaapwagon wel heel erg letterlijk nemen. Je kunt er alleen in liggen of hangen. Elke coupe biedt vier slaapgelegenheden, die als ze eenmaal zijn genstalleerd, geen enkele ruimte tot zitten meer bieden.

Consequent dus dat elke vorm van ruggesteun ontbreekt. Voordat mijn coupe door een trio Polen en hun handel gevuld wordt, kijk ik met lichte walging om me heen. Kartonnen wanden die hun best doen om op hout te lijken, met hun namaaknerven. Een halfvergaan tapijtje met groen en witte vlekken. Plakkende ramen die sinds de dood van Stalin niet zijn gereinigd. Met de trein naar Rusland. Waarom kan zich niets onttrekken aan ontluistering?

De eerste conducteur, aan wie ik het doel van mijn reis tracht uit te leggen, informeert voorzichtig of ik niet beter het vliegtuig had kunnen nemen. “Of wordt u gesponsord door Philips?” Om zichzelf direct te corrigeren. “Ach nee, daar hebben ze het geld niet meer voor.”

In het spoor van Anton naar Rusland? Maar er zijn helemaal geen sporen. Ja, dwaalsporen. Zegt mr. C.F.M. Jansen, al 29 jaar bedrijfsarchivaris bij Philips. Niets van de zakencorrespondentie is bewaard gebleven. Geen van de brieven aan zijn jonge bruidje. Geen kasboek, geen orderontvangst.

Op welke dag hij is vertrokken, hoelang hij is weggeweest, dat kan met geen mogelijkheid meer vastgesteld worden. Zelfs over de route die hij heeft gevolgd, bestaat geen zekerheid. “Begin augustus verliet hij Eindhoven om over Libau, Riga en Reval naar St. Petersburg te reizen”, noteert Bouman, op gezag van Antons echtgenote. Maar bij het zilveren bedrijfsjubileum in 1916 verklaart Anton zelf in een vraaggesprek met de NRC, dat wat intussen Petrograd heet, alleen maar het begin van zijn reis was. “Dadelijk na aankomst had ik in twee dagen praten een order van honderdduizend lampen. Dien zelfden avond noteerde ik er nog een van 50.000. Toen direct door naar Finland. In Helsingfors plaatste ik er 35.000 en zoo ging 't door naar Moskou, Kieff, Odessa, enz. enz. Overdag zaken doen, 's nachts reizen: in zeven en twintig dagen uit en thuis, waarvan een en twintig nachten in de trein.....”

Bedrijfsarchivaris Jansen zegt dat die lezing in de NRC waarschijnlijk het resultaat is van “verdichting”. Anton is dan al zo vaak teruggekeerd naar Rusland. In zijn geheugen zijn een paar van die reizen kennelijk 'over elkaar heen geschoven'.

Daarbij erkent zelfs zijn bewonderaar Bouman dat Anton over “een levendige fantasie” beschikte en bepaalde gebeurtenissen “zo nodig”

verfraaide. Jansen zegt het minder aardig: “Natuurlijk was Anton een groot ondernemer. Maar hij was ook een snoever. Iemand die zichzelf graag op de voorgrond plaatste. Tussen de werkelijkheid en het beeld wat hij ophing, gaapte vaak een gat.”

Is hij hier wel ooit geweest, vraag ik me neerslachtig af als ik - geradbraakt - eindelijk gearriveerd ben in Riga? In elk geval niet in dit verlopen nieuwbouw-hotel, waar blote elektriciteitsdraden langs de vochtige wanden kruipen. Om de troosteloosheid te verdrijven meen ik een daad te moeten stellen. Ik vervang de kapotte gloeilampen op mijn kamer door twee meegebrachte Philips Softone lampen. Uit mijn assortiment maak ik zorgvuldig een keuze. De rozige lampen werpen een geheel nieuw licht op de bloemetjesgordijnen. Maar erg opbeurend is de uitkomst niet.

In heel Riga is geen hotel, restaurant of fabrieksgebouw van honderd jaar geleden meer te vinden, verzekert de juffrouw van Intourist me.

Gedesorienteerd dwaal ik door de oude stad van Riga die wel degelijk overeind is gebleven. Zou Anton tijdens zijn glorietocht nooit een moment van zwakheid hebben gekend? Zo wordt Anton maat van alle dingen. Opgeven? Dat zou Anton nooit hebben gedaan.

Gesterkt besluit ik om in een plaatselijke lampenwinkel een van mijn moderne Softone-exemplaren om te ruilen voor zo'n ouderwetse glimworm.

Maar daar wil de verkoopster niks van horen. Na enig aandringen is ze nog wel bereid om dan toch tenminste ook mijn lamp te testen, net zoals al die Letse lichtprodukten in hun grijze kartonnen kokertjes die over de toonbank schuiven. Maar het oplichten gaat niet gepaard met kreten van verrukking, geen begerige blikken. In Riga heerst nog altijd duisternis.

Anton heeft een hoed op als hij uitstapt in St. Petersburg. Een Stetson? Een gleufhoofd? Een hoge zijden? Anton heeft altijd een hoed op. Anton, bevestigt ook Bouman, geeft zich niet graag bloot.

Als hij uitstapt draagt hij ook een koffertje met monsters, dat hij niet wenst af te geven aan de kruier. Want meer nog dan in de kracht van woorden gelooft Anton in de magie van demonstraties. “Vader had altijd de nieuwste produkten bij zich”, herinnert zich Frits Philips.

“Hij zei altijd: geloven is zien.” De treinreis heeft hij benut voor voorbereiding. Inmiddels weet hij alles van het tsaristische belastingstelsel, van de omgangsvormen in de Petersburger zakenwereld. Wat de beste hotels zijn. Waar het beste bier getapt wordt. Kennis die hij heeft opgedaan in de conversaties met zijn reisgenoten.

Anton is een scherpe vragensteller. Anton is een stimulerende luisteraar. Daarbij heeft hij het vermogen om “mensen in zijn ban te krijgen”, meent Jansen. “Vader vond altijd wel lieden die voor hem klaarstonden”, zegt Frits Philips. Bouman noemt Anton “een suggestieve figuur”, een 'magnetische' man zeggen de Amerikanen. Met grote overtuigingskracht.

Ruim negentig jaar na dato blijkt iedereen op mijn route, zonder enige uitzondering, het Philipsconcern te kennen. Vrijwel allemaal spreken ze met een bewondering over het concern, die mij af en toe beschaamd maakt. Het thuis verguisde Philips is hier nog symbool van vooruitgang, vernieuwing, een beter bestaan.

De conducteur van de nachttrein die, letterlijk, het daglicht niet kan velen, en met zijn vale hondenogen voortdurend in het duister staart, leeft pas op als hij over zijn Philips-televisie kan vertellen. Drie jaar voor gespaard, ja zeker. Maar wat een klanken, wat een kleuren.

Elke cent de moeite waard. En Nadja uit Riga die in het Russisch een loflied zingt op Philips.

“Videorecorder”, zwijmelt ze, terwijl haar duim omhoog gaat. “Compact disc”, juicht ze. Uit haar plastic EDAH-tasje, bedrukt met reclame voor kattebrokken, haalt ze brood en wodka om te delen. Op Anton wil ze niet drinken. Op Philips wel.

Of Vera uit Minsk die wil emigreren naar het Westen. Net zoals al haar arme landgenoten in de tijd van Anton. Om te eindigen in de slachtfabrieken van Chicago. Maar Vera wil 'manager' worden. Bij Mercedes of Philips. Of desnoods bij IBM.

Met Helena, een gids, rijd ik langs de historische plaatsen die Anton in St. Petersburg bezocht zou kunnen hebben. Omdat niets vaststaat, schrijven wij de geschiedenis. We bepalen dat hij op het station Warschau is aangekomen. Vandaar heeft hij een open koets genomen.

Onderweg heeft hij zich vergaapt aan de 'Amsterdamse grachten', aan de luisterrijke gebouwen met hun pasteltinten in het Italiaans aandoende zomerlicht.

Uiteindelijk heeft hij zijn intrek genomen in hotel Znaminstkaja, dat hem door zijn mede-reizigers was aanbevolen. Znaminstkaja dat tegenwoordig Oktober heet, maar nog altijd tegenover het station Moskou ligt. Van daaruit kan hij lopend al zijn zaken doen.

De meeste grossiers huizen aan de Njefski Prospect, de Champs Elysees van St. Petersburg. De gemeentelijke elektriciteitscentrale ligt daar onmiddellijk achter. Net zoals het postkantoor, vanwaar Anton het thuisfront telegrafisch op de hoogte houdt.

“Maar de vreemdste dingen gebeuren op de Njefski Prospect. O, vertrouw haar niet, deze Njefski Prospect. Het is alles bedrog, alles een droom, alles anders dan het schijnt.” Waarschuwde Gogolj.

Direct na aankomst boekt Anton al zijn eerste orders. Maar “het meeste succes” heeft hij met “de 'kaarslamp', die bijzonder goed paste in kristallen luchters”. Verhaalt Bouman. Herhaalt Leonard de Vries. Staat ook weer in het jubileumboek van het jarige concern.

De directeur van de centrale in St. Petersburg bezorgt Anton een introductie voor de hofmaarschalk. Deze doorgaans zo bedaarde functionaris is onmiddellijk onder de indruk van die sierlijke kaarslamp. Daarmee kunnen de ontvangsten in het Winterpaleis van de tsaar nog meer luister bijgezet worden. Bij de eerstvolgende jaarlijkse schoonmaak moeten alle lampen wijken voor dit kleine wonder. Hij wenst 50.000 stuks.

Anton onderdrukt het juichen in zijn kaken, weet zelfs nog een hele profitabele prijs te bedingen. Maar eenmaal buiten haast hij zich om Gerard van zijn triomf op de hoogte te stellen. Gerard kan het telegram niet geloven. Is er bij het seinen niet een nul teveel verschenen, informeert hij voorzichtig. Het beroemde antwoord-telegram van Anton: “fifty thousand, funfzig Tausend, cinquante mille.”

Dit telegram is bewaard gebleven. Het enige stoffelijke restant van Antons Rusland-tocht. En toch rept de historicus A. Heerding in zijn 'Geschiedenis van de N.V. Gloeilampenfabrieken' over dit gedenkwaardige document met geen letter.

Dat is niet zonder reden, zegt bedrijfsarchivaris Jansen na een kleine stilte. Het telegram is vermoedelijk vals, achteraf vervaardigd om een mooi verhaal te illustreren. Waar het verhaal vandaan kwam? “Waar alle verhalen vandaan kwamen. Van Anton dus.”

Jansen heeft altijd meer affiniteit gevoeld met Gerard dan met Anton. Gerard die zo zwaar aan het leven tilde. Gerard de underdog.

Gerard, en alleen Gerard was het, die het bedrijf van de grond trok. Later heeft Anton zich laten bewieroken als de oprichter van de onderneming. Zonder protesten. Hij heeft in Eindhoven een standbeeld, niet Gerard. Maar in 1891, bij de oprichting van Philips, zat Anton nog op school.

Later mocht Anton graag verhalen hoe zijn komst de jonge firma van de ondergang gered had. De eerste drie jaren waren verliesgevend geweest en vader Frederik had al uitgekeken naar een koper.

Vijfentwintigduizend gulden vroeg hij voor gebouw en inventaris. Concurrent Pope uit Venlo wilde niet meer dan 24.000 gulden geven.

Daarop liep de verkoop stuk. Om toch uit de rode cijfers te komen, riepen Gerard en zijn vader de hulp in van Anton. Hij behoorde de verkoop snel omhoog te stuwen. Waar hij grandioos in slaagde. In 1895, zijn eerste dienstjaar, maakte Philips zijn eerste winst.

“Verhalen. Allemaal verhalen”, zucht Jansen, die in het kader van de grootscheepse bezuinigingscampagne bij Philips vervroegd met pensioen gaat. De uitgaven voor het bedrijfsarchief zijn gehalveerd. Opvallend, vindt Jansen, dat de meeste verhalen pas opduiken als Gerard in 1922 de leiding neerlegt ten gunste van Anton. “Als niemand de woorden van Anton meer kan tegenspreken.”

In het Hermitage, het voormalige Winterpaleis, heb ik alleen maar oog voor de verlichting. Zou er ergens in deze 356 kamers nog een Philips-lampje branden? Met een licht gevoel van pijn constateer ik dat zeker eenderde van de lampjes in de luchters het leven heeft gelaten. Wat een treurnis. De schilderijen van Matisse, Chagall, Picasso worden alleen nog maar door een vale TL-bak verlicht.

De informatrice, bij wie ik me gisteren ook al gemeld heb, heeft laten uitzoeken of ene Anton Philips hier 93 jaar geleden misschien geweest is. Om zijn lampjes te slijten. Ze bezweert me dat het Winterpaleis pas in 1900 elektriciteit gekregen heeft.

IJsschotsen dansen buiten in de Newa. Sneeuw over St. Petersburg.

“Tot in lengte van dagen”, noteert Bouman, heeft Anton Philips herinneringen opgehaald aan zijn eerste Rusland-reis. Daarbij legde hij vooral de nadruk op het sportieve element. De verkoop als “spel”. “Den handel als wetenschap en passie”.

Ook stelde hij die tocht als voorbeeld van wat je met doorzettingsvermogen en een goed produkt kunt bereiken. “Of iemand slaagt in het leven”, verklaarde hij, “is nog van heel andere dingen afhankelijk dan van kennis”. Als andere succesfactoren noemt hij plichtsbetrachting, moed. En fantasie.

Of de Ruslandreis van Anton werkelijk van doorslaggevende belang is geweest voor de jonge firma Philips, valt moeilijk vast te stellen.

Maar dat de trip een cruciale betekenis had voor Anton is zeker. Hij heeft zich waargemaakt. Getoond dat hij niet de mindere is van zijn technische broeder. Bij zo'n triomf-ervaring hoort een herosch verhaal.

In een reusachtige supermarkt waar alleen maar brood en jam te koop zijn, posteer ik me achter een van de lege schappen. Zorgvuldig rangschik ik mijn twintig Softone-lampen. 'Acht roebel' per stuk, heb ik op het prijskaartje vermeld. Dat is ruim vijf keer de prijs van Russische lampen. Een haalbaar niveau, lijkt me, in een stad waar op het moment geen lamp meer is te krijgen. Binnen drie minuten ben ik uitverkocht.

Zou Timmer dat weten? Dat de toekomst van Philips opnieuw in Rusland ligt?

Zambia 8,1 miljoen inwoners. Hoofdstad: Lusaka. Brits tot 1964.

    • Dick Wittenberg