Werktitel Openbare Werken

DE VREEMDELING die op Schiphol landt en een korte toelichting op de koppen van de krantekiosk vraagt, brengt zijn gastheer in verlegenheid.

Het gaat over minima, over WAO en AAW, over koppeling en het gaat over schoten voor de boeg. Het gaat niet goed met dit land, de collectieve schulden bedragen 21.000 gulden per hoofd van de bevolking, probeert de gastheer wat macro-economischer, terwijl een gezelschap in glanzende trainingspakken gestoken landgenoten zich bij de afhaalband Malaga verdringt voor de koffers en de rest van de familie achter het glas geestdriftig wuift.

Het valt niet uit te leggen. De werkelijkheid van de cijfers strookt niet met de werkelijkheid op straat: de overheid bezwijkt en verder marcheert alles heel behoorlijk. Uiteraard is het hoe dan ook een hels karwei om aan materiele verwachtingen te knabbelen en uiteraard heeft de Partij van de Arbeid in de huidige staat van verwarring daar de grootste moeite mee. Maar los daarvan ontbreekt ook een publiek gevoel van urgentie waarmee het kabinet zich als het ware in de juiste stroomversnelling kan manoeuvreren om de natie te saneren.

OP PAPIER is het allemaal heel vanzelfsprekend. De collectieve lastendruk is in Nederland veel te hoog in vergelijking met ons omringende landen, het marktmechanisme te zeer ondermijnd door overdrachten om de motor van de economie met hetzelfde toerental te laten draaien als die van de concurrentie. Openbreken van dat stelsel waarin alles met alles samenhangt, vergt bijna een revolutie, want het paternalisme dat na de ontzuiling met andere middelen in Nederland is voortgezet moet nog worden afgebroken.

Het is des te moeilijker omdat er geen tastbaar onheil in zicht is. Wie de afgelopen decennia overziet, kan constateren dat de grote collectivisatiegolf van de jaren zeventig door het Nederlandse bedrijfsleven grotendeels is gepareerd in het begin van de jaren tachtig. Maar toen was het in zekere zin gemakkelijker: er was een stevige recessie en de noodzaak tot snoeien en saneren was evident.

Met begeleidende bewustwording a la commissie-Wagner werd het bedrijfsleven in orde gebracht en een decennium later kan worden geconstateerd dat de particuliere sector in Nederland alles bij elkaar gezond is en een stootje kan velen.

Tien jaar later is de collectieve sector aan de beurt. Die is overbelast en dat komt onder meer - niet alleen - omdat werkgevers en werknemers in de saneringsoperatie van het bedrijfsleven een geweldige brok in de richting van de overheid hebben geschoven. Daar staat het water nu aan de lippen en een recessie zou zoiets in korte tijd genadeloos blootleggen. Zulk onheil ontbreekt nu en dat is op zichzelf weliswaar gunstig, maar maakt politieke daadkracht des te moeilijker.

Wat te doen? HET BOVENSTAANDE verhaal kan worden omgedraaid. Nederland bevindt zich op het gebied van de infrastructuur in een noodsituatie. De belangrijkste kracht van dit land is eeuwenlang zijn ligging geweest in de rivierendelta van West-Europa. Die delta is dichtgeslibd. De verbindingen met Noord-Frankrijk laten te wensen over, de verbindingen met het Duitse achterland worden verwaarloosd. Het Roergebied is overeind gekrabbeld, Hamburg een florerend post-industrieel centrum aan de Elbe-monding dat ook nog als magneet van een nieuw Middeneuropees achterland zal fungeren. Daarheen moeten zo snel mogelijk goede, exclusieve verbindingen tot stand komen per spoor en over de weg.

Binnenslands zit alles muurvast. Het randstedelijke suburbia mist metrolijnen, boven- en ondergrondse verbindingen, mist parkeersilo's en wegen, mist zelfs een modern rioleringsstelsel. Om het nog ingewikkelder te maken heeft een deel van de menselijke inborst de auto tot een soort kruisraket van de jaren negentig uitgeroepen die dient te worden geweerd: de auto de wereld uit, te beginnen in Nederland.

Een kunstmatige ideologische tegenstelling tussen openbaar vervoer met zijn allen en openbaar vervoer in eigen blik - de auto - wordt inmiddels gecelebreerd, waardoor er een verlammende werking optreedt.

De dienstdoende minister van verkeer roept niet alleen dat ze het autoverkeer wil terugdringen, maar volgens insiders meent ze het nog ook. En in het verlengde van zulke sentimenten spelen provinciale besturen zelfs hardop met de gedachte de chaos tot openbaar beleid uit te roepen: niets doen tot geen mens zich nog per auto kan verplaatsen.

WIE OP EEN kruispunt van wegen wil verkeren - en daar ligt de kracht van transito-land Nederland - moet kruispunten aanleggen. Die ontwikkeling houdt weliswaar uiteindelijk ook niemand tegen, zoals ook vrome dorpen een eeuw geleden de komst van de elektriciteit niet hebben kunnen tegenhouden. Om de infrastructuur te moderniseren en zo aangenaam mogelijk in te richten zijn miljarden en nog eens miljarden nodig. Allicht speelt ook bestrijding van overlast en hinder een rol, maar het is zinloos om in een toestand van geseculariseerde geloofsijver met het vooruitstrevende trefwoord milieu een romantische idylle uit het verleden na te streven om vervolgens over een paar jaar te ontwaken in het besef dat de wereld buiten alweer een andere wending heeft genomen. Redelijke afwegingen zijn gevraagd, geen bevliegingen.

Nederland zal zichzelf moeten oppeppen om een voorbeeldige mobiliteit te realiseren, een onvermijdelijke pleisterplaats voor iedereen die in West-Europa iets wil. Ondergrondse verbindingen zoals metropolen en Alpenlanden elders die kennen zijn duur en in een klein land als Nederland veelal onvermijdelijk.

Mobiliteit is een hoog economisch goed voor Nederland, maar het staat eveneens hoog op de psychologische waardenlijst van de burger. Daar heeft hij offers voor over. Verwezenlijking daarvan vergt een fenomenale krachtsinspanning, vele jaren lang. Daarvoor is geld nodig, veel geld en daarvoor zijn handen nodig die uit de mouwen worden gestoken. Alle krantekoppen van de laatste dagen en alle ontwikkelingen van de laatste jaren leren dat het dus daaraan - aan handen uit de mouwen en geld - ontbreekt.

DE POLITIEK bokst tegen een rubberen muur wanneer ze - hoe terecht op zichzelf ook - slechts vertelt dat zij zich van de ballast van de verzorgingsstaat wil bevrijden zonder een tastbaar doel. Dat blijft te abstract en wekt geen enthousiasme. Wat te denken van een nieuw project met als voorlopige, voor verbetering vatbare werktitel: Openbare Werken.