Waarom weer Mozart vandaag en niet een levende componist?

Koningin Beatrix en prins Claus hebben voor het jaarlijkse Koninginnedagconcert een aantal Nederlandse componisten uitgenodigd aanwezig te zijn bij een Mozart-serenade in Paleis Noordeinde. Een van de genviteerde gasten, de in Engeland wonende componist Jan Vriend, heeft de invitatie afgeslagen uit misnoegen over de conventionele koninklijke programmering. Maar Vriend is ook thuis gebleven uit verzet tegen de verering van Mozart, die hem “so wie so al terroriseert met zijn genie”. Van koningin Beatrix had hij een meer geavanceerde muzikale voorkeur verwacht en een duidelijker keuze voor nieuwe muziek. Hieronder volgen de brieven die hij daarover aan koningin Beatrix en prins Claus heeft geschreven.

Majesteit, koninklijke Hoogheid, Uw brief van 18 februari jl., waarin U mij uitnodigt om een Mozart-serenade bij te wonen op Koninginnedag, heeft mij erg verrast.

Aan de ene kant voel ik mij heel erg vereerd om gast te zijn op uw paleis tijdens zo'n centraal gebeuren in Nederland. Aan de andere kant weet ik niet goed hoe ik het moet opvatten. Mag ik U vragen om U een ogenblik in mijn situatie te verplaatsen?

Ik ben een (nog in leven zijnde) componist van nieuwe muziek en ik word uitgenodigd aanwezig te zijn bij een concert met werken van een (al twee eeuwen geleden) gestorven componist. Deze uitnodiging komt van de twee hoogst geplaatste personen in het land, die wel weten dat vorstenhuizen in het verleden - niet het minst die welke het Mozart mogelijk maakten zijn genie te ontwikkelen tot de hoogten waar wij nu zo vertrouwd mee zijn - de instituties bij uitstek waren om nieuwe muziek te propageren, als ze er al niet een eer in stelden om elkaar af te troeven met de beste componisten waar ze beslag op konden leggen.

Ik zou mij heel goed kunnen voorstellen dat U mij uitnodigt om aanwezig te zijn bij de uitvoering van een nieuw werk van mijzelf of een collega van wie men interessante dingen mag verwachten. Of voor een gesprek dat zou kunnen leiden tot het schrijven van een dergelijk werk, bijvoorbeeld voor de opluistering van Koninginnedag (een soort 'Neerlandia' a la Sibelius of zo...) Maar om nu te worden uitgenodigd om deel uit te maken van de parafernalia van een concert met werken van een dode meester die mij so wie so al terroriseert met zijn genie, zijn onvoorstelbaar meesterschap, zijn vindingrijkheid, speelsheid, slimheid, ongeremdheid, en bovenal natuurlijk zijn onverwoestbare populariteit twee eeuwen na zijn dood: terecht aan de ene kant, maar aan de andere kant bijna dodelijk voor het scheppen van een klimaat waarin de creatie van nieuwe meesterwerken zou kunnen gedijen, is veel gevraagd van een componist die zijn leven lang heeft gevochten tegen de bierkaai en die al geruime tijd gedoemd is om in de uithoeken van de periferie van het Nederlandse muziekleven (en nog meer in het Engelse!) de moed en het geloof te behouden die nodig zijn om muziek van grote kwaliteit te schrijven.

Ik haast mij te verklaren dat ik niets tegen goede oude muziek heb. Ik zal de laatste zijn om te verzwijgen hoeveel ik heb geleerd en nog leer van de oude meesters, als ik al niet een goed deel van mijn leven simpelweg heb doorgebracht met het spelen en genieten van muziek uit het verleden.

Ik haast mij voorts te verklaren dat ik ook geen reden heb om de functie en effectiviteit van een zo verlicht koningshuis als het Nederlandse in twijfel te trekken. Maar ik ben bang dat onder de massale en destructieve druk van de commercie en van het door economische preoccupaties gedomineerde politieke klimaat van onze cultuur, ook Uw interesses allereerst uitgaan naar de zekerheid die wij verwachten van scheppingen uit het verleden die hun kwaliteiten al 'bewezen' hebben, als U een feestelijke gebeurtenis wilt opluisteren, in plaats van te moeten vrezen dat een nieuw werk mislukking, teleurstelling of zelfs pijnlijke verlegenheid zou kunnen veroorzaken.

Hoe slechter het klimaat voor nieuwe muziek evenwel, des te meer is een dergelijke vrees gerechtvaardigd omdat immers de voedingsbodem uitdroogt.

Intussen wil ik niet verzwijgen dat mijn vrouw en ik buitengewoon vereerd zijn met Uw uitnodiging. Maar het zal U inmiddels duidelijk zijn dat wij niet zonder meer bezwijken voor een Koninklijke Geste, hoe welgemeend die zonder twijfel is.

Met de meeste Hoogachting, Uw onderdanige maar enigszins recalcitrante dienaar, Jan Vriend

Naar aanleiding van het beleefd-vriendelijke antwoord van de Grootmeester van het Huis van Hare Majesteit de Koningin (“van enige morele verplichting om de uitnodiging aan te nemen kan geen sprake zijn”), stuurde Vriend nog een brief om zijn standpunt toe te lichten.

Majesteit, koninklijke Hoogheid, Aangezien Uw uitnodiging niet losgezien kan worden van de cultuur-politieke context waarin het concert plaatsvindt en de publieke aandacht die het krijgt, zou ik de idealen waarvoor ik zo lang gestreden heb en waar mijn werk hopelijk model voor staat, geweld aandoen als ik nu zou bezwijken voor de verleiding om enkele ogenblikken in Uw tegenwoordigheid door te brengen onder de schijnwerpers van de media. Dat klinkt pompeus en verwaand, dat weet ik wel, maar ik ben nu eenmaal uit dat hout gesneden en het lijkt me gepast dat ik daar rond voor uitkom.

Mijn kritiek op de uitnodiging mag ik misschien als volgt samenvatten: Een Koningshuis dat een Nationale Feestdag luister wil geven, en daartoe een groepje adviseurs opdracht geeft om een groepje componisten uit te kiezen dat, temidden van een paar andere groepjes mensen, voor het aanschijn van de hele bevolking domweg een groepje musici zit te beluisteren die muziek herkauwen van een al miljoenen malen herkauwde komponist, dat Koningshuis handelt als het symbool van een dode kultuur die, in een wereld die schreeuwt om creatief denken en om bundeling van verbeeldingskracht, zonder schaamte het ontbreken daarvan demonstreert.

Met vriendelijke groet, uw Jan Vriend

    • Jan Vriend