Vraagtekens bij Rusland Kursbuch 103, Rowohlt ...

Vraagtekens bij Rusland Kursbuch 103, Rowohlt Berlin, 202 blz., DM 13

Genuanceerd of ironisch Bzzlletin 185, Koos van Zomeren. Uitg. Bzztoh, 80 blz. (f) 12,50

't Nut van gedichten De Tweede Ronde, Brits nummer, lente 1991. Uitg. Bert Bakker, 200 blz., (f) 12,50

Vraagtekens bij Rusland Het Berlijnse kwartaaltijdschrift Kursbuch van uitgeverij Rowohlt werd in 1965 opgericht door Hans Magnus Enzensberger, de cultuurcriticus die onlangs opzien baarde met zijn boek Ach Europa en nieuwe essays over eenheid en verdeeldheid van Europa. Dit blad over cultuur en politiek is inmiddels aan zijn 103de nummer toe. Het verschijnt inmiddels onder redactie van heel andere mensen, maar frappant is dat het ene nummer na het andere nu weer over Europa en (Wieder)vereinigung gaat. Het nieuwste heet 'Russland verstehen' en valt op omdat er zo'n reusachtig aantal vraagtekens in afgedrukt staat.

De Russische gastredactrice Sonja Margolina, schrijvend voor onder andere de FAZ, vraagt zich op de eerste bladzijde af of Rusland wel tot Europa behoort. Viktor Toporow, dichter, vertaler en criticus, vraagt zich af of we voor een Russisch Wirtschaftswunder staan, net als Duitsland en Japan beleefden na hun nederlagen, of voor een burgeroorlog die uit kan lopen op een nieuwe wereldoorlog. Waldemar Weber, dichter en vertaler, wijst erop dat de Sovjet Unie in de twintigste eeuw eerst zestig miljoen mensen verloor in de Revolutie en het Stalinisme, en dertig miljoen 'van de besten' in de Tweede Wereldoorlog, zodat niemand mag verwachten dat Rusland na een paar jaartjes perestrojka al vrolijk met de rest van Europa kan meehuppelen.

Viktor Jerofejew van de roman Een schoonheid uit Moskou schreef met 'De Russische reet' verreweg het mooiste stuk. Het grote geheim van de Rus is, zo betoogd de schrijver op niet steeds logische, maar wel fraaie wijze, dat hij een reet, een lek, barst of een scheur heeft - “Door die spleet kun je de Russische ziel met het blote oog zien. (- ) De reet is de hoofdoorzaak van de eeuwige Russische ontevredenheid, voor onverzadigbaarheid, bescheidenheid, onbescheidenheid en traagheid. Door die reet verdwijnt alle levensenergie. De Russische ziel heeft rust nodig. De Russische ziel zal nimmer rust vinden.”

In feite gaan al de bijdragen, dus ook de sociologische en politieke, over de beroemde Russische ziel. Simon Kordonski, filosoof: “Der sowjetische Mensch ist konstruiert wie eine sich selbst genugende und hilflose Realitat.” De Moskouse Beate Rausch ziet in het genot waarmee de Rus zich in het ongeluk stort zijn beste trek om te kunnen overleven in het land van de onbegrensde onmogelijkheden. Annette Winkelmann schildert de uiterst onflorissante leefomstandigheden van joden die veroordeeld zijn tot samenwerking met andere, antisemitische minderheden. Dat veroorzaakt 'lokale Unruheherden' en op grotere schaal massa-emigratie.

Onder de aan Lermontov ontleende titel 'Ik houd van Rusland, maar die liefde is zonderling' schrijft Jerofejew een tweede bijdrage, over de niet te (be)vatten nieuwe Russische realiteit. De schrijver wil per se niet emigreren. “Het grootste compliment dat je van een Westerling te horen kunt krijgen in zo'n intellectuelenkliek van Parijs of Amsterdam is 'Wat lijkt u weinig op een Rus!' - na zulke woorden wil ik 't liefst opspringen en de spreker verrukt op de mond kussen.”

Kursbuch 103, Rowohlt Berlin, 202 blz., DM 13

Genuanceerd of ironisch Vreemd dat iemand die 'actiejournalist' was en jarenlang vurig in de communistische ideologie geloofde, nu zo uitzonderlijk relativerend over zijn eigen schrijverschap kan praten. Koos van Zomeren, in 1990 vijfentwintig jaar schrijver, werd voor een special van Bzzlletin genterviewd door Hans Neervoort. Of hij nu genuanceerd sprak of ironisch, valt echter niet altijd uit de tekst op te maken. Het gesprek ging over literatuur, journalistiek, natuur en politiek, in die volgorde. “Een dier zal niet snel hoofdpersoon van een van mijn verhalen worden. Ik denk er ook nooit aan. Het gaat altijd bij mij - zoals in Het schip Herman Manelli - om het contrast tussen wat wij denken dat dierlijk is, dat redeloze toeleven op de catastrofe, en wat dan menselijk is, dat almaar nadenkend toeleven op de catastrofe.”

In een typerende bijdrage, ronkend, vol anekdotes en soms lachwekkend ('ik lag mijn hernia uit te zweten') haalt uitgever Martin Ros herinneringen op aan het begin van Van Zomerens literaire carriere en dat van hemzelf als 'letterknecht' bij De Arbeiderspers. “Hij had zeker zoveel lef als ik als flaptekstenschrijver. Hij durfde meteen de grote dingen aan, liefde en dood, hevige verwachtingen en sucidale zwartgalligheid in een kader.”

Er staan stukken in Bzzlletin over de misdaadromans van Van Zomeren, over zijn politieke loopbaan, zijn debuutroman Terloops te water, een bibliografie, tekeningen - 'Queeste met Koos' - van Peter Vos, en een kort verhaal van Koos van Zomeren zelf. Foto's en tekeningen, het interview en die wat zotte bijdrage van Ros hebben in dit nummer nog het meeste gewicht.

Bzzlletin 185, Koos van Zomeren. Uitg. Bzztoh, 80 blz. (f) 12,50

't Nut van gedichten Altijd iets exotisch, en nu ineens een Brits nummer: De Tweede Ronde zorgt zo toch weer voor een kleine verrassing. Nederlandse auteurs openen het Britse nummer met verhalen over liefdesverlangen. Peter Andriesse was in de rosse wijk van Bangkok. Meghel J. Doewina overbrugde voor haar geliefde klasgenootje niet de kloof tussen de klassen (“Dan heb me vader een mes apart om de vlees mee te doen. Wat is een gerecht?”). Leo Verzuu was wanhopig verliefd in de vrije natuur met merels en tuinfluiters als achtergrondmuziek - “Waanzinnig krachtig voor zo'n minuscuul dotje veren. Geen honderd Mozarts zijn in staat zo geserreerd, zo compact en tegelijk zo lyrisch visioenen op te roepen van innigheid en tederheid; van de extatische verrukking die als een bloem van vuur omhoog rijst in de nacht wanneer twee mensen zich met hart en ziel rapsodisch in elkaar verliezen.” Hij is niet karig, deze Verzuu. L. H. Wiener besluit de Nederlandse proza-afdeling met een verhaal over de dood van een meisje, een leerling, van vijftien.

Op de maar liefst veertig bladzijden met Nederlandse gedichten valt Catharina Blaauwendraad op met een ranselend gedicht 'Naamloos', en Jos Versteegen met morbide verzen: “Het haringkraampje bij de kerkhofmuur - verkoopt dood leven, en zij eten snel.”

Het Britse deel bevat vooral bijdragen van minder bekende auteurs: Paul Sayer (van The Comforts of Madness), Carl Tighe, de dichters Paul Muldoon (Ier), melancholieke Andrew Motion en de boeiende, prozasche Lisa St. Aubin de Teran. Geen van de uitgekozen verhalen speelt zich af in Engeland, dat mag wel kenmerkend heten, en in alle vier komt een hoer voor. 'En nu dit' van Tighe gaat over een beauty en een beast die allebei vrouwen zijn, en werd op een of andere manier onmiskenbaar door een man geschreven. Van Salman Rushdie werd een essay opgenomen over Brits racisme: “De multiculturele samenleving is het nieuwste symbolische gebaar in de richting van de zwarte bevolking van Engeland en zou, net als 'integratie' en 'rassenharmonie' als boerenbedrog aan de kaak moeten worden gesteld.”

De redactie maakt in het voorwoord een vreemde opmerking over de Engelse dichtkunst: “De veelal vrije verzen zijn soms gecompliceerd, maar staan ver af van het Westeuropees hermetisme: in Engeland wordt nog poezie gelezen.” Volgens sommigen echter met oneigenlijke motieven: “Tegenwoordig is het zo dat, als men ziet dat je in de trein gedichten zit te lezen, de coupe onmiddellijk leegstroomt,”

merkte Motion eens op. Wendy Cope: “This stratagem's a godsend to recluses - And demonstrates that poetry has its uses”.

De Tweede Ronde, Brits nummer, lente 1991. Uitg. Bert Bakker, 200 blz., (f) 12,50