Vooral vrouwen de dupe van slechte pensioenvoorzieningen; Veel armoede in het grijze circuit

Het is nu wel langzamerhand bekend dat veel ouderen - en vooral oudere vrouwen - in Nederland in armoede leven. Prof. Harry de Lange heeft daar nog eens de aandacht op gevestigd (NRC Handelsblad 9 april) aan de hand van het rapport Armoede opgelost? Vergeet het maar, dat onlangs door een commissie van de Raad van Kerken werd gepubliceerd. Minder aandacht kreeg het feit dat die armoede zich komende generaties zal voortzetten, ja misschien nog wel omvangrijker wordt. En dat de oorzaken, die de huidige armoede teweeg hebben gebracht, ook nu nog in volle sterkte werken en dus hun invloed zullen hebben op de economische positie van degenen die nu nog niet oud zijn.

Door sommigen wordt dit laatste ontkend. Zij wijzen erop dat er nu in vrijwel alle bedrijfstakken pensioenfondsen bestaan en dat de werknemers verplicht zijn zich daarbij aan te sluiten: in de toekomst moeten er dus meer en hogere pensioenen worden uitgekeerd. Voor een deel van degenen die nu in het arbeidsproces staan, zal dat waar zijn.

Echter niet voor allemaal en vooral niet voor grote groepen vrouwen. Ten dele zijn de oorzaken daarvan bekend: vrouwen hebben meer dan mannen te maken met pensioenbreuk, veelal werken ze ook parttime of via een uitzendbureau. Er worden dan wel sociale premies voor hen betaald maar ze zitten meestal niet in de pensioenfondsen. Maar dat er daarnaast nog een andere, heel grote, groep werkende vrouwen is, die geen eigen pensioen opbouwt, wordt maar zelden geconstateerd. Ik doel nu op het 'grijze circuit'.

Grijs betekent in dit geval niet oud. Het is de aanduiding voor het grote gebied op de arbeidsmarkt dat zich bevindt tussen de reguliere bedrijven en diensten waar CAO's gelden en de echte zwarte werkzaamheden, die verboden zijn (zoals illegale naaiateliers en het thuis verwerken van voedingsmiddelen zoals bijvoorbeeld garnalen).

Dat tussengebied is al oud. Traditioneel bestond het voornamelijk uit huishoudelijk personeel dat niet meer dan twee dagen in een huishouding werkt. Deze 'werksters' worden geacht minder dan twintig uur per week werkzaam te zijn en er hoeft voor hen geen premie te worden betaald. Het zijn meestal getrouwde vrouwen die in het ziekenfonds van hun man zijn opgenomen en zich weinig bekommeren om de andere sociale voorzieningen. Ik heb vroeger hun aantal wel eens geschat op ongeveer 400.000, er daarbij van uitgaande dat bij de Volkstelling 1930 nog 10 procent van alle Nederlandse gezinnen een inwonende dienstbode had.

Sindsdien is naar mijn mening de groep aanmerkelijk groter geworden. En wel van twee kanten: de vraag naar dit soort arbeidskrachten neemt toe en er zijn meer vrouwen - ook wel enkele mannen - die zich ervoor aanbieden.

De toegenomen vraag ligt in de eerste plaats nog steeds in de sfeer van de huishouding: tegenwoordig zoeken niet alleen die mensen huishoudelijke hulp, die van huis uit aan personeel op dit terrein gewend waren, maar ook ouderen, die vroeger al het huishoudelijke werk zelf verrichtten. Bovendien zijn er nu ook werkende moeders, die genoeg verdienen om een oppas voor hun kinderen te kunnen betalen. En voor de verzorging van zieke en invalide ouderen is er 'thuisverzorging' gekomen. Voor een groot deel wordt ook die weer verricht door vrouwen die niet bij een instelling in dienst zijn. De 'alpha-hulpen', die wel door instellingen worden bemiddeld, zijn er voorbeelden van. De 'tweeverdienersbelasting' heeft deze ontwikkeling een grote stoot gegeven.

We hebben nu ook de 'thuistypiste' gekregen, voorzien van tekstverwerker en fax, die werkt voor bedrijven, verenigingen en particulieren. Veel vrouwen vinden dit soort werk aantrekkelijk, vooral als ze kinderen hebben, omdat zij het thuis kunnen doen.

Daardoor is ook het aanbod sterk toegenomen. Vrouwen met een gezin aarzelen dikwijls om een 'echte' baan te zoeken omdat ze niet kunnen beoordelen of dat te combineren valt met hun taken thuis, terwijl ze toch wel graag wat willen verdienen. Velen zijn ook gedwongen met dit soort werk genoegen te nemen omdat zij weinig opleiding hebben en geen werkervaring en doordat herintredingsvoorzieningen en herscholingskansen veelal ontbreken of te duur zijn. Ook speelt hier de leeftijdsdiscriminatie een rol. En dan zijn er nog specifieke categorieen die wel een opleiding hadden, maar door bezuinigingen op straat kwamen te staan: een voorbeeld zijn de verpleegkundigen, die na het behalen van hun diploma ontslagen werden om plaats te maken voor goedkopere leerlingen. Hen vinden we nu in die 'thuiszorg' terug of ze hebben een klein particulier verzorgingshuis ingericht met vier of minder bejaarden voor wie de officiele tehuizen te duur geworden zijn.

(Dat zijn geen arme, maar rijke bejaarden die het volle bedrag moeten betalen, soms (f) 4.500,- per maand!) Het zal nu wel duidelijk zijn, dat dit grijze circuit zeer uitgebreid is geworden en zeer heterogeen. Er behoren vrouwen toe die alleen de primaire huishoudschool hebben doorlopen, maar ook academicae, die als gevolg van bezuinigingen zijn ontslagen en geen werk meer kunnen vinden in hun eigen vak. Je kunt de callgirls ertoe rekenen, maar er horen ook veel vrouwelijke raads- en statenleden bij. Die krijgen immers wel een 'vergoeding', maar geen salaris en zijn niet opgenomen in een pensioenfonds. Hun mannelijke collega's hebben meestal naast die politieke functie nog een andere baan, zij niet.

Het is ook duidelijk dat er nogal wat grensgevallen zijn: aan de ene kant zijn er degenen, die wel een vast verband hebben met bepaalde bedrijven, waar ze 'op afroep' beschikbaar moeten zijn. Dat zie je bijvoorbeeld bij cateringbedrijven, die serveersters nodig hebben en bij bedrijven met veel seizoenwerk. Aan de andere kant zijn er de echte 'kleine zelfstandigen' zoals pedicures en schoonheidsspecialisten met een eenvrouws (of ook wel eenmans) bedrijf. En natuurlijk degenen, die in een vrije markt werken, zoals veel kunstenaars en free-lancers in de journalistiek en bij de omroepen. Sommigen van hen verdienen goed, maar de meesten niet.

Nu hoeft het niet-opbouwen van een eigen pensioen niet voor alle vrouwen op een ramp uit te lopen, want er bestaan ook nog weduwenpensioenen. Maar die zijn meestal niet hoog en een derde van alle huwelijken loopt tegenwoordig uit op een echtscheiding en dan wordt het meestal wel een ramp. Want dan heeft een weduwe in het gunstigste geval slechts recht op een deel van het weduwenpensioen en zelfs dat is nog niet in alle pensioenfondsen geregeld. Een risico blijft het dus altijd.

Natuurlijk zijn er mogelijkheden om dat risico te verminderen. Men kan een verzekering afsluiten of op andere wijze door sparen een oudedagsvoorziening opbouwen. Maar voor zelfstandigen is dat een dure zaak omdat er geen werkgeversaandeel in de premie zit. Er kunnen ook maatregelen worden genomen in de consumptieve sfeer: je kunt bijvoorbeeld zorgen dat de hypotheek op de eigen woning is afbetaald en dat de inboedel is vernieuwd voordat het pensioen ingaat. Maat dat zijn allemaal dingen, die alleen het meer welvarende deel van dit grijze circuit zich kan veroorloven en de meeste vrouwen behoren daar niet toe. Het 'Breed Platform Vrouwen voor Economische Zelfstandigheid' pleit voor een pensioenplicht, maar ik zie niet hoe dat op korte termijn voor iedereen zou kunnen worden geregeld.

Misschien kan men de '1990-generatie' verplichten aan te tonen dat ze op 25- of 30-jarige leeftijd een pensioenpremie betalen, maar de enige wettelijke maatregel die tot dusver voor die groep geldt maakt een uitzondering voor vrouwen met kinderen. En die hebben het juist het meeste nodig.