Tweedeling van de samenleving

De hardnekkigheid van sociale problemen in ons land vormt explosief politiek materiaal. De steeds sterker wordende aandrang om knopen door te hakken en oplossingen te forceren zet het voortbestaan van het kabinet onder druk. De politici die over elkaars benen struikelen om vooral in de media allerlei herosche ingrepen rond te bazuinen leveren niet alleen een merkwaardig, maar ook verontrustend schouwspel op.

Reducering van de problematiek tot het niveau waarop de fractieleider van het CDA, Brinkman, blijkt te kunnen afdalen door arbeidsongeschikten van aanstellerij te beschuldigen, draagt niet veel bij aan verheldering van het inzicht en een weldoordachte herijking van het beleid.

Minister Kok van financien kondigde onlangs aan dat het kabinet zijn beleid zal moeten richten op verandering in zowel de economie als het sociale stelsel, 'waar verzorging participatie in de weg staat'. Met deze 'heldere keuze' wil Kok het vertrouwen van de kiezer in de PvdA herstellen. Naar zijn mening zullen de regels voor uitkeringen moeten worden aangescherpt of strikter toegepast als die het zoeken en accepteren van werk belemmeren.

De politieke discussie over de sociale zekerheid is verschoven naar dwang en sociale controle waarbij de uitkeringsgerechtigden meer als de schuldigen dan als de slachtoffers van de sociaal-economische ontwikkeling worden beschouwd en behandeld. Wanneer de aandacht eenzijdig op deze aanpak van de problemen wordt gericht, beperken de beleidmakers zich tot symptoombestrijding. De werkelijke oorzaken van werkloosheid, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid blijven dan onderbelicht.

Er is in ons land al sinds lang sprake van een tweedeling in de samenleving. Tegenover de groep die actief aan het maatschappelijk leven deelneemt, werk heeft, carriere maakt en haar levenspeil ziet stijgen, staat een groeiende onderklasse die wordt uitgesloten van maatschappelijke participatie en van zelfrespect.

Dit beeld van onze samenleving, dat al in het begin van de jaren tachtig werd opgeroepen door Den Uyl, wordt bevestigd in het Sociaal en Cultureel Rapport 1990 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Daarin constateert het SCP dat er, ondanks de groei van de werkgelegenheid, nog steeds sprake is van omvangrijke langdurige werkloosheid en van een blijvende en weer sterk stijgende toeneming van het aantal arbeidsongeschikten.

De veelheid van maatregelen van de laatste jaren om de langdurige werkloosheid te bestrijden is niet helemaal zonder effect gebleven. De deelneming aan scholings- en werkervaringsprojecten is niet gering. De cijfers die het SCP daarover verstrekt relativeren in elk geval de kritiek op de geringe bereidheid van werklozen om werk te zoeken.

Je kunt je afvragen of het werkelijk wel zo nodig is om de sociale controle te verscherpen. De hardnekkigheid van de problematiek wijst op een verharding van de scheidslijnen in de samenleving. Het proces van uitstoting van oudere en minder geschikte werknemers zet onverminderd door. Etnische minderheden en langdurig werklozen komen niet of nauwelijks nog aan de slag. Ze worden van de arbeidsmarkt verdrongen door het groeiende aanbod van jongeren en vrouwen.

Het beleidsinstrumentarium van de overheid blijkt telkens opnieuw ontoereikend te zijn om de problemen op te lossen. Het SCP spreekt van een 'overproduktie van beleid'. Niet gehaalde doelstellingen leiden zelden tot het afvoeren van ondoeltreffend gebleken beleidsmaatregelen, eerder tot verfijning ervan.

In het blad van de Wiardi-Beckman Stichting, Socialisme en Democratie, schreef Romke van der Veen naar aanleiding van het SCP-rapport dat verharding van de verzorgingsstaat door meer dwang en sociale controle nooit op zichzelf de oplossing kan bieden voor de geconstateerde problemen. Hij is van mening dat de aandacht vooral zal moeten worden gericht op de integratiefunctie van de verzorgingsstaat. Deze functie maakt het mogelijk dat niemand van de samenleving wordt buitengesloten. De sociale uitsluiting die we thans waarnemen is het gevolg van een gebrekkige integratiefunctie. De enige manier om deze te versterken is volgens Van der Veen een veel meer actief en activerend arbeidsmarktbeleid dat sterk gericht is op gemarginaliseerde groepen.

Ik denk dat Kok ook zo'n beleid voor ogen staat. De vraag is of politiek en samenleving zich nog de tijd gunnen om een dergelijk programma te ontwikkelen. Eenvoudig zal het niet zijn. Ik kan mij nauwelijks voorstellen welke maatregelen op het gebied van het arbeidsmarktbeleid voor welke groepen nog kunnen worden bedacht. Ook eenzijdige ingrepen in de uitkeringsrechten zullen niet helpen om de deelneming aan het arbeidsproces te vergroten. Het hele sociale stelsel zal moeten worden doorgelicht om een evenwichtige combinatie van maatregelen te vinden die de integratiefunctie kan versterken. Dat vereist een heel bijzondere inspanning van het kabinet dat bij zijn aantreden sociale vernieuwing als beleidsmotto koos, maar tot nu toe niet veel meer heeft gedaan dan problemen afschuiven.