Sociaal-democraten kunnen veel leren van katholieken

Onlangs maakte de Leidse socioloog prof. C. Schuyt een vergelijking tussen het verlies van de Partij van de Arbeid bij de laatste Statenverkiezingen en de achteruitgang van de katholieke kerk in ons land.

Hij formuleerde zijn conclusie als volgt: “De neergang van het socialisme en de dreigende neergang van de sociaal-democratie heeft een lange psychologische voorgeschiedenis. Net als bij de katholieke kerk is het geloof in de houdbaarheid van centrale stellingen verloren gegaan. Veel burgers in Oost- en West-Europa hadden dit allang door, maar het duurt een tijd voordat men de oude vanzelfsprekendheden durft te laten vallen”. Wat de statistische buitenkant betreft heeft hij gelijk. Er zijn, niet alleen in ons land, heel wat katholieken, die zich afwenden van de kerk als instituut en uitspraken van het kerkelijk gezag niet meer serieus nemen. In de laatste tien jaar daalde in ons land het weekeind-kerkbezoek van 25 procent naar 15 procent.

Er zijn echter grote verschillen. Met het verval van het socialisme in Oost-Europa gaat een grote opleving gepaard van het christendom, ook van het katholicisme. Een ander verschil geeft Schuyt zelf al aan. In een democratisch bestel kun je andere leiders kiezen, zodat je het proces van vervreemding, dat gepaard gaat met de verwijdering een halt kunt toeroepen. In de katholieke kerk gaat dat niet. Daar krijgt men andere leiders van bovenaf opgelegd, die mogelijk koerscorrecties kunnen aanbrengen om daardoor het afvalproces tegen te gaan. Bij de katholieke kerk in ons land hebben deze kerkpolitieke benoemingen gefaald. Kardinaal Alfrink, die de kerk geen democratie noemde, maar wel steeds pleitte voor een democratische gezindheid, heeft dit twintig jaar geleden al voorspeld in zijn predikatie bij de bisschopswijding van monseigneur A. Simonis, die als eerste tegenwicht moest gaan geven. Letterlijk zei hij: “Dat alles heeft veel schade gedaan aan de kerk en het vertrouwen in de kerkelijke autoriteiten bij menigeen ondermijnd” (20 maart, 1971). Er is nog een merkwaardig veschil. Katholieken, die afstand nemen van uitspraken van de kerk blijven als gelovige veelal lid. Dit vaak tot ergernis van niet-katholieken of katholieken, die wel formeel zijn uitgetreden. In Amerika zeggen zeven van de tien katholieken, dat ze er nooit over hebben gedacht om uit te treden, ook al hebben ze andere opvattingen dan die van Rome.

Bisschopsbenoemingen zijn een exclusief recht van de paus van Rome. De Poolse paus heeft de democratische tendens, waarvan kardinaal Alfrink en enkele aarzelende medestanders exponenten waren, in deze laatste autoritaire monarchie systematisch onderdrukt. Zozeer zelfs, dat volgens insiders momenteel ongeveer 50 procent van de bisschoppen zijn opvattingen deelt. In de kardinalenbijeenkomst die dezer dagen in het Vaticaan werd gehouden, werd niet alleen het dreigende bankroet van de Osservatore Romano en van Radio Vaticana besproken, maar ook de noodzaak om nieuwe richtlijnen te geven voor de 'bescherming van het leven', daarbij vooral doelend op vraagstukken als abortus, euthanasie en nieuwe medische experimenten. Interessant was, dat een minderheid van de kardinalen de voorkeur gaf aan een document, dat niet de status had van een encycliek. Dit uit voorzorg, want als de gelovigen er niet naar zouden luisteren zou het gezagsverlies van de kerk daardoor niet te zeer in het oog lopen.

De scheidende secretaris-generaal van de kerkprovincie, dr. H. van Munster, zei onlangs in een interview: “Alfrink was de intelligentste mens die ik ooit heb meegemaakt, maar de afstandelijke Willebrands kende iedereen en was zeer zelfbewust en Simonis is een ontzettende aardige man. Wat je van Alfrink en Willebrands niet kunt zeggen”. De moeilijkheid is, dat de huidige aartsbisschop van Utrecht helemaal geen 'aardige man' mag zijn. Als straks aan de gelovigen wordt gevraagd meer geld bijeen te brengen dan moet hij de gelovigen daarvoor 'gevoelig' maken en tegelijkertijd moet hij die nieuwe encycliek, die er natuurlijk wel zal komen, van hogerhand opleggen.

Maar zegt Van Munster: “...hij voelt dat dat niet met van bovenop gelegd gezag kan. Hij wil dat, maar dat lukt hem niet”.

Kardinaal Simonis zal niet aftreden als hij vindt, dat zijn opdracht is mislukt. Hij heeft trouwens niet als opdracht om zoveel mogelijk leden voor de katholieke kerk te behouden, maar om de geloofsorthodoxie te behoeden. Hij krijgt wellicht, als het hem hier te zwaar wordt, een hoge post in het Vaticaan aangeboden. Wim Kok heeft wel overwogen om af te treden, maar hij vindt dat hij zijn kwetsbare post van minister van financien nog steeds kan combineren met het leiderschap van zijn partij. Wordt hij door de politieke democratie uitgeschakeld, dan zal hij ook wel elders een hoge post krijgen.

Er is nog een interessant vergelijkingspunt tussen socialisten en katholieken. Er worden heel veel bizarre grapjes gemaakt over de Partij van de Arbeid. De beste produceert, zoals steeds, Toon Verhoeven in zijn 'Terzijde' in Vrij Nederland. Socialisten raken eraan gewoon en beginnen zelf ook grappen te verzinnen. Dat proces hebben 'roomsen' al achter de rug. Ze lijken bijna niet meer te kwetsen. Socialisten kunnen daarvan iets leren. Maarten 't Hart schreef in deze krant, dat hij liever met conservatieve katholieken te maken heeft “dan met zo op het oog verstandige, aardige, vriendelijke, liberale papen”. Hij heeft liever roomsen, die blijven stilstaan. Daar kun je inderdaad volgens zeer oude strategische richtlijnen gemakkelijker op schieten. Zou dit ook voor orthodoxe socialisten gelden? In dit verband is de opmerking van Paul Kalma over het verkiezingsverlies van de Partij van de Arbeid tekenend: “Sociaal-democraten lijken in een land, dat steeds meer door katholieken bestuurd wordt, soms wel de laatste calvinisten” (de Volkskrant 16 maart).

In een kritisch dagboek van een beroemd bijbelgeleerde in Zwitserland, Herbert Haag, lees ik: “Wir erleben heute die Kirche in einem Zustand tiefster Erniedrigung. Das Ansehen von Papst und Bisschofe ist auf eine nie dagewesen Tiefpunkt abgesunken”. Toch blijft deze geleerde in die kerk en pleit hij in de laatste zinnen van zijn boek voor vreugde, moed, geduld, gelatenheid en hoop op een kerk, die menselijk is “und als solche unsere Heimat ist und bleiben wird”. Misschien kunnen socialisten, die hun 'kerk' willen verlaten daarvan iets leren.

Ien Dales heeft dit vroeger al begrepen. In Woord en Dienst (1982) zei ze: “De kerk is een grote en succesvolle vrijwilligersorganisatie...

Beide, kerk en partij zijn voor mij onmisbaar, in beide heb ik veel van mijzelf genvesteerd. Kijk, een partij is natuurlijk nooit levensvullend en zingevend (de kerk ook niet). Wat zou je dan moeten als je in een situatie zit waar geen kerk is? In de kerk wordt wel helder wat zingevend is... Ik ben over een aantal zaken helemaal niet zo optimistisch. Over de kerk wel. Ik denk, dat ze meer kan.

Inspanning daarvoor heeft zin. En ik heb voldoende enthousiasme om mee te werken en anderen aan te vuren''.

Zou deze houding ook niet gelden voor haar trouw aan de Partij van de Arbeid?