Scepsis overheerst voor oplossing Noord-Ierland; Peter Brooke probeert in stappen probleem Ulster op te lossen

LONDEN, 30 APRIL. Het laatste zijpad naar een vorm van zelfbestuur in de Britse provincie Noord-Ierland is vijftien jaar lang en ligt bezaaid met goede voornemens en mislukte plannen. In een lijn die strekt van William Whitelaw (1972-1973) tot Tom King (1985-1989) wil nu Peter Brooke als negende Britse minister voor Noord-Ierland proberen een eind te maken aan de terreur en het geweld in de verdeelde provincie.

Daartoe is hij vandaag begonnen aan een serie van uiterst geheime “gesprekken over gesprekken” met achtereenvolgens elk van de politieke partijen in Noord-Ierland. Die moeten ertoe leiden dat de religieus en politiek verdeelde gemeenschapsleiders in Noord-Ierland en elkaar en de betrokkenheid van de regering in Dublin bij alles wat (groot-)Ierland aangaat, zullen tolereren in een gemeenschappelijk beheer van dit stukje van het Ierse eiland.

Vijftien maanden geduldig onderhandelen zijn aan deze eerste fase vooraf gegaan. Het zegt iets over de kwaliteiten van Brooke, zelf afkomstig uit een gegoede Ango-Ierse familie, en het zegt ook iets over de mate van verdeeldheid tussen partijen, dat Brooke nu al uitvoerig wordt geprezen voor het feit dat hij de verschillende kampen tenminste tot praten bereid heeft gekregen. Desondanks overheerst de scepsis en schatten zelfs optimisten de kans op het slagen van de besprekingen op maximaal 50-50. De obstakels lijken huizenhoog.

Tien weken heeft Brooke uitgetrokken om het zicht op een duurzame oplossing te creeren. Het gedroomde scenario is het volgende. In de eerste vijf weken komen de partijen in Noord-Ierland onderling overeen hoe een “afgeleid” bestuur voor de provincie eruit zou zien en welke bevoegdheden het zou hebben. Bij dat gezamenlijke voorstel wordt vervolgens de regering van de Republiek Ierland betrokken, opdat de relaties tussen het noordelijke en zuidelijke Ierland vastgelegd kunnen worden. In een derde fase stellen de Ierse en de Britse regering vervolgens hun onderlinge relatie met betrekking tot Noord-Ierland vast.

Vooral voor de Unionisten (de Ulster Unionist Party van James Molyneaux en de Democratic Unionist Party van dominee Ian Paisley) klinkt dit hele scenario als een godslastering. Vooral de UUP (met 30,3 procent van de stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1989 de grootste partij) verdenkt de Britse regering al langer van een strategie, waarbij Londen zich langzaam zou willen ontdoen van dat oninteressante en lastige stukje grondgebied aan de overzijde van de Ierse Zee. Molyneaux, daarin bijgevallen door Paisley (DUP; bijna 19 procent van de stemmen in 1989) wenst maar een ding: een zo hecht mogelijke integratie van Noord-Ierland binnen het Verenigd Koninkrijk.

Tussen Kent, Surrey, Devon en Ulster zou geen enkel verschil moeten zijn, aan de 'Britsheid' van Noord-Ierland moet niet te tornen zijn.

Met die halsstarrige houding hebben de superieure Unionisten lange jaren geweigerd tegemoet te komen aan de wensen en verlangens van het katholieke, veelal sociaal gedepriveerde en Iers-nationalistisch geaarde bevolkingsdeel in Noord-Ierland. Een poging in het begin van de jaren zeventig om katholieken te laten delen in het bestuur van de provincie liep spaak, omdat de Unionisten niet echt van plan waren medezeggenschap te geven.

Van die halsstarrigheid heeft de uit de burgerrechten-beweging voortgekomen Social Democratic and Labour Party (SDLP, met 21 procent van de stemmen de op een na grootste partij) creatief gebruik gemaakt.

SDLP-leider John Hume is een van de officieuze architecten van de Brits-Ierse Overeenkomst (Anglo-Irish Agreement). Hierbij spraken de Britse en de Ierse regering ruim vijf jaar geleden met elkaar af, dat ze zich in reguliere besprekingen tussen ministers en op een vast, gemengd Iers-Brits secretariaat in Belfast, gezamenlijk zouden buigen over kwesties die aan Noord-Ierland raakten. Dublin kreeg een zekere inspraak over zaken die de nationalistische minderheid in Noord-Ierland betreffen, onder meer in ruil voor de toezegging dat de Ierse Gardai vastberadener naar IRA-terroristen zouden speuren.

De Unionisten waren razend over dit verraad van een regering in Londen die ze als vanzelfsprekend aan hun kant achtten. Zozeer voelden ze zich buiten spel gezet, dat ze tot voor kort nog weigerden iets te maken te hebben met Brooke's voorganger, Tom King. Maar vijf jaar aan de zijlijn is lang, en hoewel de Unionisten volhielden dat ze niet aan de “gesprekken over gesprekken” wilden beginnen, tenzij het Anglo-Irish Agreement werd verbroken, zijn ze nu bezweken voor een diplomatiek compromis waarbij de werking van het verdrag voor de duur van elf weken is “opgeschort”.

Voor de SDLP, die - aan weerszijden van de grens tussen Ierland en Ulster - haar kiezers voornamelijk uit het katholieke volksdeel betrekt, is de komst van de Unionisten naar de onderhandelingstafel, hoe weerspannig ook, opnieuw een coup. Hoewel, in de woorden van Brooke, “niets is afgesproken totdat alles is afgesproken”, erkennen de Unionisten nu impliciet dat de regering in Dublin een rol te spelen heeft in een oplossing van het Noordierse probleem.

Ook al mislukken de onderhandelingen meteen, dan is die concessie door de SDLP - en daarmee door de regering van de Ierse Republiek - binnengehaald.

De regering in Dublin heeft lange tijd geweigerd met Brooke's scenario in te stemmen, omdat ze daarin niet van het begin af aan betrokken werd bij de besprekingen tussen de partijen in Noord-Ierland.

Kennelijk heeft de Britse minister -“de eerste die werkelijk benul heeft van de geschiedenis van Ierland”, vond de IRA waarderend - de regering-Haughey weten te overtuigen dat haar belang bij hem in goede handen was. Dat zoveel vertrouwen bestaat, moet volgens politieke waarnemers gezien worden als een van de verdiensten van de Anglo-Irish Agreement.

Ondanks scherpe bewoordingen van weerskanten, over - in Ierland - de weigering tot uitlevering van terroristen of - in Groot-Brittannie - justitiele dwalingen en feilen van het Britse rechtssysteem, hebben beide regeringen geleerd de scherpe kantjes in voortgaand overleg weg te slijpen. In Dublin is zelfs bereidheid gesignaleerd om een andere formulering te vinden voor artikel 2 en 3 van de grondwet van de Republiek, waarin sprake is van aanspraak op het grondgebied van het gehele eiland - tot nu toe een onoverkomelijk struikelblok voor de Unionisten.

De Britse regering houdt vol dat ze zich niet tracht te ontdoen van Noord-Ierland en dat het grondgebied Brits blijft, zolang een meerderheid van de bevolking daartoe de wens te kennen blijft geven.

Brooke's poging is erop gericht die meerderheid te laten inzien dat de overblijvende minderheid ook rechten heeft. Wanneer het niet tot een politieke regeling komt, waarbij meerderheid en minderheid met elkaar in een provincie leren leven, houdt het geweld aan. Van dat geweld, is zijn betoog, heeft iedereen in Noord-Ierland na de laatste 22 jaar zijn bekomst.

Sinn Fein, de politieke arm van de IRA (11,2 procent van de stemmen), spreekt die analyse tegen. De partij is de enige die niet aan de besprekingen deelneemt, omdat zij niet bereid was haar gewelddadige acties tegen de Britse “onderdrukker” stop te zetten voorafgaand aan de onderhandelingen. De leider van Sinn Fein, Gerry Adams, zegt dat die voorwaarde vooraf belachelijk is, omdat alle partijen aan de onderhandelingstafel op dat punt vuile handen hebben.

De IRA wenst evenmin een voorbeeld te nemen aan de loyalistische paramilitairen, die gezegd hebben dat ze hun doodseskaders zullen binnenhouden zolang de besprekingen duren, al zullen de katholieken hun aanslagen wel beperken tot “legitieme” doelen: militairen en politiemensen. De protestante terroristen, die dit jaar al 18 van de 24 doden in Noord-Ierland op hun geweten hebben, schoten kort na het aankondigen van hun bestand, tien dagen geleden, achtereenvolgens twee taxichauffeurs van een katholiek taxibedrijf dood. Voor de weduwe van een van de slachtoffers was het de tweede keer dat ze een echtgenoot door een dergelijke willekeurige aanslag verloor. De loyalistische paramilitairen - “wij zijn Britten” - zeggen dat ze nooit inmenging van “Dublin” of de (katholieke) Ieren zullen dulden. Sinn Fein neemt niet met minder genoegen dan Britse terugtrekking, gevolgd door een verenigd Ierland.

“Mr Adams”, schreef The Irish Times op 12 april in een hoofdartikel “weet dat hij en Sinn Fein getuige zijn van het begin van een proces, dat hen zal dwingen om zich of neer te leggen bij de democratisch tot uitdrukking gebrachte wil van mede-landslieden of onder ogen te zien dat hun tijd geweest is”. Daarin hadden de protestante terroristen evengoed genoemd kunnen worden.