Rechtbank acht uitlevering Brit aan VS toelaatbaar

AMSTERDAM, 30 APRIL. Het ministerie van justitie moet ingaan op het verzoek van de Verenigde Staten tot uitlevering van de Brit John D.

Dat advies heeft de Amsterdamse rechtbank gisteren in de uitleveringszaak uitgesproken. Van de zijde van de verdediging van de Brit is aangekondigd dat tegen het besluit van de rechtbank cassatie zal worden ingesteld bij de Hoge Raad.

De man heeft volgens de autoriteiten in de VS jarenlang een belangrijke rol gespeeld in een wereldwijde drugsorganisatie. De eerste man van de in hasj handelende bende, H.M., is in de VS tot 25 jaar cel veroordeeld. D. ontkent zijn betrokkenheid, maar volgens de Amsterdamse rechtbank is er voldoende bewijs om een dagvaarding tegen hem uit te brengen. Hem wordt onder meer overtreding van de opiumwet en deelname aan een criminele organisatie verweten.

De rechtbank vindt dat de uitlevering niet van toepassing mag zijn op verdenking van het witwassen van drugsgelden. Omdat dit in Nederland nog niet strafbaar is, mag D. hiervoor in de VS niet worden vervolgd.

Ook feiten gepleegd voor 3 december 1978 mogen niet aan de Amerikaanse rechter worden voorgelegd, vindt de rechtbank. Dit vanwege de verjaringstermijn van twaalf jaar die in Nederland geldt. De man werd op 3 december 1990 gearresteerd.

In 1987 werd hij in Canada aangehouden op verdenking van grootscheepse hasj-handel en deelname aan een criminele organisatie. Volgens zijn raadsman, mr. W. van Bennekom, heeft een rechtbank in Canada de Canadese openbare aanklager niet ontvankelijk verklaard in de strafzaak tegen D. wegens schending van elementaire beginselen van behoorlijk procesrecht. Een verzoek tot uitlevering aan de VS is door de Canadese rechtbank ontoelaatbaar geoordeeld. Na dit besluit reisde D. naar Nederland en werd door tussenkomst van Interpol ingerekend.