Eerlijkheid en fraaie decoraties

De behuizing van het nieuwe Nederlands Vakbondsmuseum in Amsterdam had nauwelijks toepasselijker gekund: het gebouw dat Berlage in 1899 ontwierp voor de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB). Met de opening morgen van het museum - het eerste in zijn soort in Nederland - wordt het 'Paleis aan de Laan' voor het eerst openbaar.

Architect Hans van Beek van het Haagse Atelier PRO beschikte over een budget van vijf ton om dit fin-de-siecle kantoorgebouw te veranderen in een hedendaags museum. “Het was al twee keer eerder verbouwd,”

vertelt Van Beek, “eerst in 1959 en daarna in 1979. Over het kleurrijke gebouw van Berlage is toen een bruine saus gegoten van jute behang, halfhoge lambrizering en verlaagde systeemplafonds.” Alleen de hal, die net als de bestuurskamer en de vakbondsraadzaal door de Monumentenwet wordt beschermd, was in zijn oorspronkelijke toestand gehandhaafd met de muren van gele en blauwe baksteen, schilderingen in roze, geel en petrolblauw en in het midden een hoge koperen hanglamp.

Het ging de stichting vooral om aanpassing van het gebouw, niet om restauratie van de oorspronkelijke toestand. Dat zou volgens de architect ook het dubbele van het beschikbare budget hebben gekost.

“Bovendien ontdekten we een aantal mooie dingen pas toen we al bezig waren”, vertelt Van Beek. “Zo bleek er achter de verlaagde plafonds op de tweede verdieping een prachtig plafond schuil te gaan, met gestuucte bogen en kolommen van staal.” Op de balken en muren zijn tijdens de verbouwing inderdaad nog sporen van blauwe versieringen te zien. Buiten, langs de Henri Polaklaan, staan opnieuw de gebeeldhouwde stenen palen die Berlage had ontworpen, maar die later waren weggehaald om parkeerruimte te creeren. Dank zij een tip van een oud-bondsmedewerker werden ze teruggevonden, begraven in de tuin.

“Berlage was weliswaar bezig met de 'eerlijkheid' van materialen en constructie”, zegt Van Beek, “maar tegelijkertijd vindt je overal in het gebouw fraaie decoraties. Zelfs van de verbinding tussen twee stalen balken maakte Berlage iets moois.”

De wandeling door het museum begint op de tweede verdieping en leidt vervolgens langs de bestuurskamer van Henri Polak, die in oorspronkelijke toestand bewaard is gebleven, en door de vakbondsraadzaal met de schilderingen van Roland Holst. In het souterrain zijn de filmzaal, de bibliotheek en de kantine ondergebracht; in de voormalige woning van de concierge wordt apparatuur voor het slijpen van diamant tentoongesteld.

Vanuit de expositiezaal op de tweede verdieping voert een gietijzeren wenteltrap langs een wand met houten kasten naar het dak. “In deze kasten zou ik graag een aantal 'relikwieen' van het gebouw etaleren”, zegt Van Beek, “bij voorbeeld de lampen die vroeger in de bibliotheek hingen en foto's van het gebouw in de oorspronkelijke toestand.”

Vanaf de vliering is goed te zien dat de glazen kap van de hal als een binnentent aan kabels is opgehangen aan veel zwaarder uitgevoerde buitenkap.

Het hoogste punt in het gebouw is een kleine tussenvloer in de toren. Daar is de 'diamant', een gestileerd venster boven de ingang dat van binnenuit werd verlicht. Onder een dikke laag stof vinden we de oorspronkelijke fitting; die gaat direct in de relikwieenkast. “Stel dat je hierin een discobal zou ophangen”, lacht Van Beek. “Dan zou de diamant van Berlage echt opnieuw schitteren!”